Teletekst

Start van NOS Teletekst in Nederland op 1 april 1980.

Buiten is het koud, een graad of 8, en het stormt. Ik zit voor het tochtende raam én te schrijven én te denken aan een nieuwe kachel. Immers, ik betrok deze woning toen zich op straat tropische taferelen afspeelden, de ramen open en okseltje zweet-zweet. Maar dat allemaal terzijde, want de bedoeling was, en is het nog steeds, iets te vertellen over de vernieti­ging van mijn zo dierbare televisietoestel. Het verschijnen van de woorden ‘teletekst pagina 299’, of wat voor pagina dan ook, heeft hier alles mee te maken.
Laatst zag ik een interessant T.V.-programma over Creools koken. Het programma eindigde met de woorden ‘voor meer infor­matie zie teletekst pagina 350′. Ik wist wel hoe een teletekst er uit moest zien, omdat met name ’s nachts veel pagina’s worden uitgezonden. Maar hoe ik precies die pagina kon krijgen die ik ook wilde zien was voor mij vooralsnog een raadsel. Teletekst was voor mij ‘kijken wat de pot schaft’.
Maar aangezien de omroepster ook nog eens zei dat het mogelijk was meteen op teletekst te kijken heb ik de knoop doorgehakt. Pagina 350 moest ik in beeld zien te krijgen. Op alle andere zenders bleek niets terug te vinden van wat maar enigszins met pagina 350, Creools koken, te maken zou kunnen hebben. Nu zat er ook nog een knop op m’n toestel, waarbij, als je er aan draait, alle kanalen op één zender voorbij komen. Volgens mij moest teletekst zich tussen één van die kanalen bevinden. Na veel gedraai kwam ik er achter dat zich tussen de kanalen slechts ruis bevond. Door dat met woede gepaard gaande draaien kwam ik er ook achter dat de knop van m’n toestel zich nog in m’n hand bevond toen ik op het toilet stond. Machteloos plaste ik in het wilde weg, totdat mij iets te binnen schoot. ‘Meer informatie vindt u op teletekst achter dit kanaal’. Triomfan­telijk sloot ik m’n gulp, waste m’n handen en ging ik aan de slag. De onthulling van een mysterie lag in het verschiet.
Met de punt van een schaar, een schroevendraaier was niet snel genoeg voorhanden, schroefde ik nieuwsgierig de achterkap van m’n toestel los. Dit lijkt vlekkeloos te zijn verlopen, maar in werkelijkheid waren er twee schroefjes doorgedraaid en heb ik de kap dusdanig moeten afbreken, dat er nu nog kleine stukjes van in m’n kamer rondslingeren.
Maar het toestel was nu in ieder geval ook aan de binnenkant bereikbaar. Wat een draden, wat een knoppen en vooral, wat een boel ondefinieerbare dingen zaten er in het toestel. Nergens stond aangegeven waar de teletekst zich precies be­vond, laat staan de pagina’s. Gelukkig vond ik veel losse draden in het toestel, zodat ik in ieder geval iets kon probe­ren. Na al die draden in de meest mogelijke variaties met elkaar verbonden te hebben had ik nog geen enkele pagina teletekst gezien. Sterker nog, ik heb nadien überhaupt niets meer op het beeldscherm gezien. Dit restte slechts één conclu­sie; teletekst was gebaseerd op een soort magie die de mens in staat stelt zijn of haar eigen t.v.-toestel te slopen.
Na veel overwegingen besloot ik naar de rechter te stappen. Teksten als ‘meer informatie vindt u op teletekst achter dit kanaal’ zijn zo suggestief dat mensen worden aangezet tot vandalisme in hun eigen huiskamer. Mijn gedachten werden helderder en helderder. Zo zag ik ineens die grote televisiefabrikant voor me. Een immens bedrijf dat in financiële moei­lijkheden verkeerde. De link was snel gelegd. Een groot be­drijf dat onder andere televisietoestellen produceert zit in de moeilijkheden en mensen vernielen prompt hun ‘oude’ toe­stel. Al die mensen zijn daarmee weer potentiële afnemers. In de rechtszaal zal ik dan ook proberen te bewijzen dat dat bedrijf betrokken is bij de desastreuze teletekstboodschappen op het televisiescherm. Morgen, jawel, morgen stap ik naar de rechter. Maar eerst moet ik al die brokstukken van m’n zo geliefde t.v.-toestel bij elkaar schrapen. Het eerste bewijs­materiaal is daarmee reeds voorhanden.

(Dit verhaal verscheen ooit in Mens & Gevoelens.)

Advertenties

Een eindeloze vakantie

Ik voelde dat ik aan vakantie toe was. Het was al de tweede keer in mijn leven dat ik zo intens nadacht over de invulling van mijn dagelijks bestaan. Over de zin van een vaste baan en carrière maken of het zoeken van losse baantjes  en zien wat er van komt. Dit bracht op bepaalde momenten een buitengewoon beangstigend gevoel teweeg. De eerste keer dat ik hier over nadacht was in de tijd dat ik als bordenwasser in m’n onderhoud voorzag. Een ogenschijnlijk zorgeloze baan, maar de onregelmatige werktijden begonnen me meer en meer te benauwen. De ene keer begon je om zes uur ’s ochtends met het afwassen van de ontbijtborden, de andere keer waste je om half vijf ’s nachts de laatste glazen van een bruiloftsfeest af. De schaarse vrienden die ik had zag ik niet meer en al snel raakte ik gewend aan de beloning die ik mezelf na een dag werken gaf. Drank. Steeds meer drank. Werken, drinken en denken vulden mijn leven. Het ging mis.

Maar zover wilde ik het ditmaal niet laten komen. Weliswaar dronk ik veel minder dan vroeger en had ik als kassier in een bouwmarkt een regelmatiger dienstrooster, toch voelde ik dat de eenzaamheid me parten begon te spelen. Ik praatte te veel met mezelf over andere mensen die ik als marionetten door het leven zal bewegen. Een onzekere blik in de spiegel bepaalde dagelijks hoe ik een dag moest beginnen. Bovendien begon het regelmatige leventje op een ware sleur te lijken. Gelukkig ontmoette ik juist op tijd iemand die op dezelfde manier tegen het leven aankeek als ik. Hij sprak mijn levenstaal. Ik ontmoette hem in mijn vakantie. Of misschien is het beter om te zeggen dat hij mij ontmoette. Die vakantie was de aanzet tot een grote ommekeer in mijn leven. Een vakantie die niet eindigde en zo moet het met vakanties ook zijn.

Een maand geleden. Ik was, net als andere jaren, met de trein naar een grote Europese stad afgereisd. Dit jaar was Brussel mijn vakantiedoel. Het prettigste van vakantie vind ik het ongeorganiseerd en ongepland rondtrekken. Ieder jaar bleek het weer een succes. In Brussel nam ik een willekeurige bus en na een uur reizen ben ik gewoon bij een willekeurige halte uitgestapt. Zomaar, zonder enkele reden. Met voldoende geld op zak, een overnachting in een hotel calculeer ik altijd in, liep ik naar een café dat ik vanuit de bus had zien liggen. Daarmee was de halte waar ik uitstapte misschien niet helemaal willekeurig gekozen.

‘Un pression, alstublieft…uh…s’il vous plait.’ De man achter de bar knikte en begon aan zijn werk. “Een Hollander hier. Lang geleden, lang geleden.” De toon waarop de man sprak klonk zachtmoedig. Ach, waarom ook niet. Je hebt ook mensen die je in het buitenland brutaal aanspreken met ‘Hé, nog een Hollander. Waar kom je vandaan? Amsterdam? Oh, waar? Ja, kom ik ook vandaan. Pilsje, kameraad?!” Daar kan ik niet zo goed tegen.
“Lang, lang geleden.” De man sprak de laatste woorden langzaam uit. Berustend. Alsof hij het niet tegen mij, maar tegen zichzelf zei.
“Mijn Frans is zeer slecht. Gelukkig spreekt u Nederlands.” De man straalde een ongekende rust uit. Ik had het gevoel dat hij mij op de een of andere manier kende. Hij keek naar mijn notitieblokje. “Schrijf toch verder, jongen. Schrijf toch.” Niemand in het café had in de gaten waar de man en ik het over hadden. Maar hadden we het wel over iets? De barman zette mij een glas bier voor en verdiepte zich weer in zijn krant. De andere aanwezigen, twee grijze kleine mannetjes, speelden rustig een spelletje schaak. Er waren nog maar twee schaakstukken uit het spel gehaald. Een witte en een zwarte pion.
“Ik schrijf niet altijd”,  zei ik wat verlegen. Hoe wist die man eigenlijk dat ik schreef? Ik deed het nog maar een paar maanden en tot nu toe was het iets waar ik met niemand over sprak.
“Vakantie, niet? Ik was dertig, nu ben ik vijftig en zit ik hier alweer”, sprak de man. Ik luisterde en dacht na over de eventuele betekenis van dit gesprek. Hij was toen dertig, ik ben nu dertig. Straks vertelt ie me nog dat ie kassier is geweest in een bouwmarkt.
“Ben je hier toevallig verzeild geraakt?” vroeg de man. Ik keek hem aan. Zijn grote bruine ogen en z’n volle baard fascineerden me . Hij had net zo weinig haar op zijn hoofd als ik. “Ik heb vakantie”,  vertelde ik. Hierna ga ik weer aan het werk als kassier. Dat doe ik al een half jaar. Maar waarom zei u net ‘schrijf toch’? Hoe weet u dat ik wel eens iets opschrijf? “

‘Ik heb net zo’n boekje als jij. Alleen Proest in Amsterdam verkoopt die boekjes. Ik gok dat je het gebruikt om aantekeningen in te maken of gedichten in op te schrijven.’ Hij had gelijk. Het boekje had ik inderdaad bij boekhandel Proest gekocht. Mijn interesse in de man nam toe. ‘U woont ook in Amsterdam?’ vroeg ik. De man pakte een sigaret uit een verfrommeld pakje en bood mij er één aan. Ik accepteerde zijn aanbod. Hij praatte verder. ‘Ik woon hier en daar. Iets verderop staat een oude schuur. Daar woon ik nu. De schuur is in het bezit van de eigenaar van deze bar, mijnheer Le Clerque. Ik help hem met schilderen, tuinieren, koken en van alles. Als dank heeft hij mij die schuur aangeboden. Nu woon ik dus hier.” De man achter de bar keek even op toen hij zijn naam hoorde. ‘Maar ik woon ook in Amsterdam’, vervolgde de man. ‘Ken je Het Gulden Vlies? ‘ ‘Tweedehands boeken’, zei ik. ‘Ja, daar werk ik ook. En woon ik ook.’ Het werd me nu duidelijk waarom die winkel zo vaak dicht was. Toeval bestaat niet, maar ik was van plan om na deze vakantie een bezoek te brengen aan die winkel.

Dezelfde avond was ik te gast bij de man uit het café. Zijn schuur was smaakvol ingericht. Een grote bank met twee grote gele kussens, twee oude houten boekenkasten met heel veel boeken, een kleine televisie, een platenspeler en een kast met flessen wijn. Een antieke koperen hanglamp verlichtte de ruimte die symbool had kunnen staan voor een hippiekamer uit de jaren zestig. Verder zag ik een hoekje met een koelkast, een fornuis, potten en pannen, glazen en verschillende borden.

‘Ik schrijf alleen uit een soort spanning’,  zei ik na de tweede fles wijn. De atmosfeer in deze schuur en de hoeveelheid wijn zorgde er voor dat ik schaamteloos en openhartig over het leven, de dood en de kunst van het schrijven praatte. Een gevoel dat thuis in Amsterdam tot de zeldzame momenten behoorde. Zwaan, zo heette de man, werkte ooit als een hoge ambtenaar op een ministerie. Hij vertelde me over zijn beslissing zijn carrière op te geven voor een bestaan als levensgenieter pur sang. Ik schrok van de hoeveelheid poëziebundels die hij had geschreven. Dat zou ik in meerdere levens niet eens redden.  Veel gedichten over de schoonheid van de natuur en het onbehoorlijke gedrag van veel mensen.

Ik vertelde hem één van mijn geheimen. ‘Ik weet niet wat ik er mee moet, maar het is het beeld dat ik in de spiegel zie. Als het zelfverzekerd overkomt schrik ik en word ik op slag nog onzekerder dan ik al ben. Zie ik een onzekere en angstige blik, dan weet ik dat ik op moet passen. ‘ Zwaan glimlachte. Hij pakte één van zijn bundels en liet me een gedicht lezen. Terwijl ik het las maakte hij een derde fles wijn open. Het gedicht raakte me. Het was een gevoel van herkenning. Het kon niet anders dan dat hij mij voor was in het schrijven van gedichten. ‘Daarom kan ik de woorden nooit vinden. Ze liggen hier.’ Hij lachte en we proostten.

De volgende dag liet Zwaan me de omgeving zien. Een fraai landschap, gevuld met bomen, uitgestrekte velden en heuvels. Monsieur Le Clerque bood ons in de namiddag een heerlijk maal aan. Buiten was het een stuk warmer dan de vorige dag, zodat we op de stoep aan een tafeltje konden zitten. ‘Wanneer ga je weer terug naar Amsterdam? ‘ vroeg Zwaan. Ik had daar de afgelopen nacht al over nagedacht, maar door de hoeveelheid wijn wist ik dat mijn wens hier te blijven op dronkenschap berustte. Nu had ik vandaag nog maar één slok wijn op en toch dezelfde gedachten als afgelopen nacht. Misschien kwam het ook door het gedicht dat ik deze middag had geschreven. Voor het eerst schreef ik op zo natuurlijke wijze de woorden op papier, dat ik er zelf bijna van schrok. Het was me een raadsel hoe ik zoiets moois op papier kon zetten. ‘Ik heb zo net met de bouwmarkt gebeld’, zei ik. ‘Mijn baas vond het niet aanvaardbaar dat ik mijn vakantie voor onbepaalde tijd wilde verlengen. Ik antwoordde hem dat ik dat wel kon begrijpen. “

(Dit verhaal verscheen eerder in Mens & Gevoelens.)

Dwaaltocht

Dwaaltocht

Dwaaltocht

Wie kent niet de begrippen als ‘hij komt uit de provincie en woont nu in de grote stad’ of, waarom ook niet, ‘hij komt uit de grote stad en woont nu in de provincie.’ Zelf ben ik niet zo dol op dergelijke uitspraken, maar in bepaalde conversaties komen ze soms wel van pas.
Zelf heb ik in de vele jaren dat ik leef zowel in de provincie als in de grote stad vertoefd. Zulke uitspraken klinken mij dan ook niet meer zo vreemd in de oren. Toch bemerkte ik laatst dat die uitspraken niet ‘zomaar ‘zijn ontstaan.
Ik woon nu al weer twee jaar in een grote stad en heb daar sinds een jaar een vaste betrekking, hetgeen uitzonderlijk lang is in mijn leven. Door een vreemd soort luiheid is het me nog niet gelukt uit mijn werkpatroon te stappen en al m’n idealen, zoals de wereld te veranderen en zo, te verwezenlijken. Bij grote demonstraties tegen wapenwedlopen, kortingen op sociale verworvenheden e.d. ben ik nog wel te vinden, maar steeds verder achter in de menigte. Wel laat ik op m’n eigen manier weten wat ik van bijvoorbeeld autoriteiten en belachelijke uniformen vind. Zo zet ik bij voorbaat al een groot vraagteken bij bus- en taxichauffeurs. Buschauffeurs vind ik vaak zeer lastig. In negen van de tien gevallen verstaan ze niet wat ik zeg, dreigen ze mij te vermoorden als ik m’n kaartje niet snel genoeg kan laten zien of loeren ze met dodelijke blikken in hun spiegel om te zien of ik me wel gedraag in de bus. Laatst stak ik m’n tong uit. Als in een droom (nachtmerrie?) trapte de chauffeur op z’n rem. Meteen sloeg m’n hart op hol. Met veel vertoon van macht stapte de chauffeur uit zijn stoel en liep dreigend op me af. “Er uit!”Wat een toestand. Het zou veel te lang duren om uit te leggen dat ik gewoon m’n tong uitstak. Zomaar. “Ik stak zomaar…” Pats. In één beweging werd ik omhoog getrokken en naar voren gesleurd. “Er uit!” Snel rende ik de bus uit en zocht bevend van angst naar een sigaret. Ik hoorde nog even het applaus van de andere passagiers en zag de chauffeur weer trots naar zijn zetel terugkeren. Daar stond ik dan in m’n belachelijke pakkie. Net terug van een trouwfeest in Kraaienbroek, een dorpje met een eigen bus, een eigen chauffeur en eigen passagiers. Het was half één in de nacht en de laatste bus naar een naburig stadje weigerde mij verder te vervoeren.
Kwaad en verongelijkt liep ik terug naar Kraaienbroek. Ik wist dat zich daar een café bevond. Gelukkig had ik nog genoeg geld voor een taxi meegenomen, hetgeen ik altijd doe bij uitstapjes naar plaatsen als Kraaienbroek of Braakselveen. Een ander geluk was dat ik al vrij snel m’n tong uitstak naar die chauffeur, zodat ik na zo’n kwartier lopen het bord Kraaienbroek al passeerde. Naast de kerk op het Dorpsplein (jazeker) bevond zich het café. Achter de gesloten deuren ontwaarde ik volop licht en sigarettenrook. Vastbesloten liep ik naar binnen. Het café bleek groter dan de buitenkant deed vermoeden. Ook waren er zeker nog tien, vijftien mensen aanwezig. De barman was in gesprek met een groepje stevig uitziende mannen, dat zich aan de bar had geposteerd. Om een of andere reden had ik niet meer de directe behoefte meteen een taxi te bestellen. Ik nam rustig plaats aan het andere uiteinde van de bar en besloot af te wachten. Geschrokken zag ik dat de barman met een gelijke tred als de buschauffeur op mij af kwam lopen. “Heeft u een biertje?” Langzaam draaide man z’n hoofd naar de mannen waar hij zojuist mee sprak en zette het net als de mannen op een vreemd soort lachen. Tot mijn grote opluchting zag ik dat ie een glas bier tapte, het voor me neer zette en als een ijsbeer weer terugliep naar de mannen in de hoek. De situatie was weer hetzelfde, zij het dat ik nu een glas bier binnen handbereik had. Om niet als een soort gluurder over te komen las ik aandachtig een briefje, dat nog in de binnenzak van mijn jas zat. “Melk, koffie, bier, brood, suiker, w.c.-papier.’ Na die boodschap meer dan tien keer over gelezen te hebben, ik telde zelfs het aantal klinkers en medeklinkers, veertien om negentien, vond ik het tijd om een taxi te bestellen.
– Sorry, zou ik een taxi kunnen bestellen?
De man achter de bar praatte rustig verder. Had ie me nu wel of niet verstaan?
– Sorry, ik wilde …
– Ja, ik hoor je wel.
– Een taxi?!
Een man uit het groepje bemoeide zich ermee.
– Kinkelboer ligt al lang te bedde.
“Je hoort ‘t, zei de barman, “morgen weer.” Ik had geen behoefte nog langer te blijven vragen. Het was duidelijk. De taxi van Kinkelboer reed niet meer. Ik bestelde nog een biertje. Gelukkig beantwoordde de barman die vraag zonder problemen, ook toen ik er nog een dubbele borrel bij vroeg.
– Neem er zelf ook één, en die mensen daar in die hoek ook.
Zonder enige beroering deed de man z’n werk. Ik proostte naar het gezelschap, dat met veel moeite ook de glazen naar mij ophief. Dat soort vrijgevigheid ontstaat bij mij vanzelf in bepaalde situaties. Snel dronk ik m’n drankjes op, legde het geld op de bar (met ook zo’n automatische fooi) en liep het donkere Kraaienbroek in. Het moet een graad of vijftien, zestien zijn geweest. Een aangename temperatuur voor een nachtwandeling. Ik liep over lange landwegen die de vele weilanden doorkruisten en bij de eerste schittering van de zon bleek ik me in Paringa te bevinden. Vanuit een telefooncel belde ik de fa. Windbroek voor een taxi. Een slaperige stem vertelde me dat er op zondag geen taxi’s reden. Toen ik vertelde dat ik naar de grote stad moest veranderde de situatie opeens. Hij vroeg me waar ik stond. Een half uur later kwam Windbroek aangetuft. Doodvermoeid stapte ik in de auto en vertelde dat ik naar de grote stad moest. Tot m’n stomme verbazing reden we eerst naar de boerderij van Windbroek zelf. “We gaan naar de grote stad,” brulde hij in de deuropening. Gehuld in een groene ochtendjas zag ik mevrouw Windbroek de trap afkomen. “Kom, we gaan naar de stad.” Ze praatte tegen zeven kinderen tegelijk, die overal vandaan schenen te komen. IJverig smeerde mevrouw Windbroek boterhammen, sprongen kinderen één voor één in en uit een wastobbe en zette Windbroek zelf een grote pot koffie. “Over een kwartiertje gaan we.” Zo vertrok ik een kwartier later met drie kinderen op schoot, vier op de achterbank en mevrouw Windbroek in de achterbak richting huis. Ik dacht na over de begrippen “hij komt uit de provincie”of “hij komt uit de stad.”  Ik dacht na over buschauffeurs. Steek nooit je tong uit naar een buschauffeur. Een stelregel voor zowel in de provincie als in de grote stad. Ik dacht na over de zinloosheid zulke zaken op papier te zetten. Ik dacht na, ik dacht na en denk er nu nog steeds over na.

(Dit verhaal verscheen in 1992 in maandblad Mens & Gevoelens)