Niet op zaterdagochtend

Knaag, knaag, knaag. Daar is het weer. Vanochtend trok ik vol verwachting de gordijnen van mijn slaapkamer open en genoot van de witte wereld. De afgelopen nacht had weer aardig wat sneeuw gebracht. Wat een genot om dat op een zaterdagochtend te aanschouwen. Als ik een uurtje later gedoucht en ontbeten heb, geniet ik verder van dit heerlijke zaterdagochtendgevoel. Daarbij hoort ook het uitgebreid lezen van de zaterdagkrant in combinatie met een kop sterke koffie. Helaas lukt het me niet om op alle zaterdagen zo uitgebreid te genieten maar vandaag was dé perfecte zaterdag. Als eerste lees ik de column van mijn favoriete schrijver. Ooit schreef hij op de voorpagina van de ochtendkrant, maar nu is het altijd weer zoeken naar het juiste katern. Ik lees de eerste woorden van zijn column, neem een eerste slok koffie en voel de heerlijke stralen van de warme winterzon. Jezus, wat kan een zaterdagochtend mooi zijn. Maar, jawel, daar doemt dan eindelijk het bekende voegwoord op. Er is plotseling iets dat knaagt. Het is een vreemd, schurend geluid. Alsof iemand een tuin met kiezelstenen aanharkt. Aangezien ik in mijn straat nog nooit een tuin met kiezelstenen heb gezien, moet het iets anders zijn. Ik neem het geluid in me op en kijk naar buiten. Daar staat de overbuurman, leunend op zijn sneeuwschuiver. Wat een rare muts heeft die man eigenlijk op. Maar goed, hij veegt zijn stoepje schoon en mijn geweten knaagt. Een straatgenoot vervult zijn burgerplicht en ik kan niet meer genieten van mijn heerlijke zaterdagochtend. Zodra het eerste sneeuwvlokje valt rent die gekke buurman al naar de schuur om de sneeuwschuiver te halen. Aansteller. Het is nota bene zaterdagochtend. Dan geniet je met een kop koffie en de krant van de sneeuwpracht op straat. De buurman wijst naar de stoep voor mijn deur en zwaait daarna lachend doch sommerend met zijn wijsvinger. Ik hoor hem zeggen “jongeman, denk je wel aan je stoepje.”  Ik lach terug, steek mijn duim op en hoor mezelf zeggen “zeker buurman, maar niet op zaterdagochtend. Gek.”

De Kievietstraat

Mijn vriend Arie zag ik gisteren voor de eerste keer in mijn leven in de kleren van een postbode. Arie, 45 jaar, zat in het café en keek ietwat treurig naar buiten. Ik stapte van mijn fiets en zat twee minuten later naast hem.
“Werk jij bij de post?”, vroeg ik hem meteen.
Arie keek me verwonderd aan.
“Nee, ik heb mijn carnavalspak aangetrokken”, zei hij enigszins geïrriteerd.
“Sorry”, zei ik.”Ik wist niet dat je bij de post werkte.”
“Ik doe het pas sinds een week, als oproepkracht. Je moet toch wat.”
“Gelijk heb je”, zei ik. “Zelf heb ik er ook wel aan gedacht om zo nu en dan wat brieven te bezorgen. Goed voor de conditie.”
“Zo is het”,  zei Arie. “Ik doe het ook om in beweging te blijven.”
“Het gaat trouwens niet goed met TNT, klopt dat ? “
“Niet goed? Het is een ramp. Ze zetten hun trouwe postbodes gewoon op straat.”
“Op straat?”,  lachte ik.
“Ja, op straat. Maar zo leuk is het niet. Stel je voor, je werkt daar al 20 of 30 jaar en dan krijg je gewoon een ontslagbrief die iemand zoals ik dan moet bezorgen.”
“Bezorg jij ontslagbrieven?”
“Bij wijze van spreken. Ik bezorg brieven maar ik ben geen echte postbode. Vanochtend stond ik met twee volle fietstassen post in de Vogelbuurt. Op een gegeven moment moest ik van de Merellaan naar de Kievietstraat. Ik zweer je, ik had geen idee waar dat was.
“Joh?”
“Ja, daar sta je dan. Met het zweet op m’n rug vroeg ik aan een dame die haar hond uitliet of zij wist waar de Kievietstraat was. Ze keek me heel verbaasd aan. “U bent toch de postbode? ”,vroeg  ze. Ik knikte. Ze had gelijk. Ik was de postbode. “De postbode zou dat toch moeten weten”, zei ze toen. Ik knikte opnieuw. “Nou dan”, zei ze en liep door.
“En toen?”,  vroeg ik
“Toen ben ik hier naar binnen gelopen en heb vier glazen jenever achter elkaar leeg gedronken.”
“En toen?”
“Toen kwam jij hier langs”.
En nu?
“Nu moet ik nog steeds op zoek naar de Kievietstraat. “

(Deze tekst verscheen eerder in dagblad De Pers)

Zomeravond

zomeravondA- Een echte zomeravond, hè?
B- Ja, lekker warm, biertje erbij, hééérlijk.
A- Zal ik er dan nog één voor je halen, schat?
B- Hééérlijk
A- IK dacht dat ik net wat voelde.
B- Wat dan?
A- Nou, een druppel. Voel maar.
B- Kan niet. Het blijft vanavond droog.
A- En die lucht dan? Kijk, het wordt ook al benauwder.
B- Hypnose. Het is heerlijk weer, kijk maar in de krant.
A- Oh ja, je hebt gelijk. Ik dacht echt dat ik iets voelde.  Stom hè?
B- Ach, heb ik ook wel eens.
A- Hee, nu voelde ik toch echt iets.
B- Ja natuurlijk, het giet.
A- Kijk dan naar die stenen. Moet je zien!
B- Wel ja, de krant zegt zomaar wat. Nee, verbeelding.
A- Maar kijk dan naar die krant! Helemaal doorweekt!
B- Ach. Hier, zie je, ik kan nog gewoon de krant lezen.
A- Ik ben kletsnat. Het begint zelfs te onweren. Kom, snel naar binnen.
B- De kracht van de verbeelding.
A- Jezus, doe even normaal man. Je bent zeiknat en morgen  doodziek..
B- Heerlijke avond hè?
A- Toe nou. Kom nou binnen!
B- Zullen we dansen?
A- Wat?!
B- Allemaal verbeelding schat. De wereld van de verbeelding.
A- Je bent gek.
B- Naar binnen vluchten is vluchten voor de werkelijkheid. Kom, gaan we dansen.
A- Maar de buren. Die denken dat…
B- Gevlucht komen ze tot een erectie,  loerend, achter het raam dat bevestigend tikt.
A- Wááát?!
B- Kom nou maar.
A- Is het normaal dat ik denk tot m’n enkels in het water te staan?
B- Precies! Je voelt ’t alleen.
A- M’n schoenen soppen.
B- Mijne ook. Heerlijk hè? I’m sopping in the rain, I’m…
A- Hé, niet zo hard. De buren.
B- Waar?
A- Volgens mij achter dat kleine gordijn.
B- Maar de buren denken dat ’t regent.
A- Nou?
B- Het regent niet. De verbeelding is voelen en ik voel  de regen. Jij ook?
A- Ja, ik ook.
B- Oké. We are sopping in the rain.
A- We are sopping in the rain.
B- La la la la la la
A- La la la la ……

(Dit verhaal verscheen eerder in Mens & Gevoelens. Onafhankelijk tijdschrift zonder winstoogmerk. Spitser dan HP/DE TIJD, informatiever dan Vrij Nederland, toegankelijker dan de Groene Amsterdammer, veelzijdiger dan het legendarische Hollands Diep.)