Ballen draaien

meatZondagavond 18.55 uur. Ik kruid het gehakt met wat peper, zout, paprikapoeder  en – een geheime tip – een vleugje kerriepoeder.  Pats, daar liggen eiwit en dooier gebroederlijk bij elkaar in een schaaltje. Uit de radio in de keuken schallen “de hits van je leven”, gepresenteerd door de lokale omroep van dit Gelderse dorp. Vóór het kneden eerst goed handen wassen. Vastberaden kneed ik met beide handen het koude gehakt, het  ei en het paneermeel. De eerste bal ligt al op de schaal als op de radio “Kerken onderweg” begint.  Hemeltje, wat  te doen?

De ballen moeten gekneed, want de gasten hebben honger. Een zweverige radiostem vertelt me dat we gaan luisteren naar een psalm. En daar zet het vrouwenkoor al in. Ik ben net met mijn tweede bal begonnen. Voorzichtig probeer ik met mijn lippen de  volumeknop naar links te draaien, maar het lukt niet. De radio kiept nu van de koelkast af en nog luider galmt het vrouwenkoor door de keuken. Wanhopig kijk ik naar boven. “Jouw schuld!” Ik probeer de derde bal te draaien maar de concentratie is weg.  Bij de vijfde bal houdt de muziek op.  Ik haal opgelucht adem. Dan spreekt op de radio opeens een man over de ziel. Het is de pastoor uit het buurdorp. Hij zegt dat je de ziel bent. En dat je wel een ziel moet hebben,  omdat het in de bijbel staat. “Nou”,  zeg ik. “Ook als het niet in de bijbel staat, geloof ik wel dat er zoiets als een ziel is. ”

De man houdt voet bij stuk en ratelt verder over de ziel en de bijbel.  “Nog één bal te gaan, jongen, en dan ga je mijn keuken uit”, roep ik woest. Met dit nobele doel voor ogen  draai ik de laatste bal, laat dan het water uit de kraan lopen en was gretig mijn handen. ‘Naar u smacht mijn ziel” leest de pastoor voor. “En met mijn hart en mijn ziel verzoek ik u nú mijn keuken te verlaten. Eruit!” Dan vliegt de stekker uit het stopcontact.  Er volgt een goddelijke stilte. Etenstijd.

(Deze tekst verscheen eerder in dagblad De Pers)

Advertenties

Digitale werkelijkheid

internf’s Avonds surf ik geregeld naar een forum met mensen die ik al jaren ken, tenminste, virtueel. Op dit forum heet ik “Peppie’. Alle andere forummers hebben ook nicknames zoals  Kruitje, Poekie, Kratje en Balpen, om er maar een paar te noemen. De onderwerpen op het forum zijn heel divers.  Humor, serieuze zaken en barpraat. In de virtuele bar schrijf je wat je zo op een dag meemaakt.  Ik ben zenuwachtig, ik ga zo koken, ik heb vervelende schoonfamilie op bezoek  of ik ben boos. Meestal zijn het alledaagse ervaringen.

Vandaag schreef ik over mijn gebeurtenis in een supermarkt waar ik normaal nooit kom, tweehonderd kilometer bij mij vandaan. “Hallo ! Vandaag wat meegemaakt, je gelooft het niet. In de supermarkt duwde een dame mij gewoon met haar karretje aan de kant en keek me daarna ook nog verwijtend aan. Echt een bitch. Ze had een belachelijk  blauw hoedje op. En voor ik er erg in had noemde ik haar een kutwijf.  ‘Onbeschofte vlegel’, riep ze daarna nog en kreeg nota bene meteen bijval van alle klanten.  Ik heb het maar zo gelaten en ben weggegaan. Niet te geloven, wat een middag.’

Een van mijn vaste vriendinnen op het forum is Nietje. Met haar heb ik altijd de meeste lol. We kennen elkaar al zeker drie jaar. We lachen heel wat af op het forum.  Het toeval wil dat ik uitgerekend vandaag Nietjes bericht over het hoofd heb  gezien: “Ik had net dat blauwe hoedje gekocht waar ik het al eerder over had. Daarna wilde ik boodschappen doen. Je gelooft niet wat ik daar heb meegemaakt. Daar stond een type die gewoon niet aan de kant wilde. Echt een brutale vlegel. En onbeschoft! Hij noemde me een kutwijf, echt waar! Terwijl ik er gewoon met mijn karretje  langs wilde.  Wat lopen er toch agressieve eikels rond op de wereld. Ik  ben blij dat dit forum bestaat. Als de echte wereld er zo uitzag als hier op het forum, dan zou het leven een stuk leuker zijn.  ”

(Deze tekst verscheen eerder in dagblad De Pers)

Een beer in het verkeer

Het is vandaag de eerste keer dat ik een Nederlandse verkeersregelaar in levende lijve ontmoet (van 1998 tot 2006 verbleef ik in het buitenland). Met een stopteken houdt hij het tegemoetkomende verkeer tegen, zodat ik veilig om het stukje afgezette weg kan rijden. De man kijkt een beetje sip. Oké, het regent . Maar het is een ander soort sip kijken. Hij lijkt op een papa die vandaag tegen zijn zin klaar-over moet zijn bij de school van zijn dochtertje.  Op de jas van de man lees ik in koeienletters “VERKEERSREGELAAR”. “Ik kan daar ook niks aan doen”,  lijkt hij te zeggen.

Ik vind het uitstekend dat er verkeersregelaars zijn, moge dat duidelijk zijn.  Zonder hen zou het een stuk onveiliger zijn op straat. Alleen vind ik dat ze wel wat meer gezag mogen uitstralen. Hijs alle verkeersregelaars in een politie-uniform en het is meteen duidelijk wie op dit stukje weg de dienst uitmaakt. Ik vermoed dat de verkeersregelaar zelf ook veel liever onderdeel is van de politie. Waar zijn eigenlijk de verkeersagenten gebleven,  vraag ik me af.  Of de agenten in opleiding? Zij regelden toch altijd het verkeer? Die gedachtes komen bij mij op als ik langs deze verkeersregelaar rijd en hem met een knikje vriendelijk groet.

En dan, alsof de duivel ermee speelt, word ik ingehaald door een heuse motoragent. Stoer leren pak, zwarte laarzen. Maar waarom twijfel ik aan zijn gezag? Iets klopt er niet.  De motoragent draagt een bont gekleurd rugzakje op zijn rug waarvan de inhoud verdacht veel  lijkt op een  appel en een broodtrommeltje. Maar dat is niet belangrijk. Wel relevant is een detail dat meteen in het oog springt. Het is het kleine teddybeertje dat aan de rugzak van oom agent bungelt. Een beertje met een lachend gezichtje, een zonnebrilletje en een kort gestreept broekje aan. Een olijk gezicht in een veranderlijke wereld.