After Christmas party

‘Alsjeblieft, voor jou!’

‘Voor mij?’, vraag ik. Het is een idiote vraag die ik wel vaker stel als ik iets krijg. Dit keer volgt de eveneens idiote vervolgvraag.

‘Mag ik het openmaken?’

Nu is het wachten op het voor de hand liggende antwoord. Ja hoor, daar is het al.

‘Tuurlijk, nu openmaken!, roept mijn zus opgewonden. En daar begin ik voorzichtig aan plakbandjes en strikjes te trekken. Na veel gefrunnik scheur ik de verpakking eraf.

‘Een Pivoting Hairclipper van Philips. Whauw!! Zoiets wilde ik altijd al hebben!’

‘En nu heb je er één! Je roept toch altijd dat je die paar haren ook wel zelf kunt verwijderen? Nou, dit apparaat is ideaal. Het is een tondeuse met diverse haarstanden.’

Ze heeft gelijk. Aan de op mijn hoofd gelegen landingsbaan met links en rechts wat plukken haar heeft de kapper doorgaans niet veel werk. Bovendien voel ik me nooit op m’n gemak in een kapperszaak. Het gaat mij altijd veel te langzaam. Bij de laatste kapper, ik wissel geregeld van kapper, zag ik hoe eenvoudig het meisje met een tondeuse over mijn hoofd gleed. Toen ze er ook nog bij vertelde welke standen ze gebruikte, wist ik 100 procent zeker dat ik vanaf die dag zelf mijn haar zou doen. En nu komt mijn zus dus met het gepaste kerstcadeau.

Op zondagavond, Tweede Kerstdag, sta ik voor de spiegel om mijn haar te knippen. Ik heb de gebruiksaanwijzing drie keer goed doorgelezen en begin met een lage stand. Ik schuif de tondeuse vanaf mijn linkeroor naar boven en zie de haren eraf vallen. En nog een keertje. De lengte is precies goed. Nu rechts. Hé, waarom doet ie het niet? Ik klop de haren eruit, maar er gebeurt niks. Stekker erin, stekker eruit. Niks. Nada de nada, alles ist vorbei.

Ik denk na. Morgen om 08.30 uur word ik op mijn werk verwacht. Ik kijk in de spiegel. De nacht zit er op. Ik heb me met een hoestende stem ziek gemeld en rij nu met een pet op mijn hoofd en zonnebril op mijn neus richting de dichtstbijzijnde elektronicazaak.

(Deze tekst verscheen eerder in dagblad De Pers)

Advertenties

Het kan verkeren

Ze gilde, wierp van schrik haar koffiemok tegen het plafond en keek mij recht in mijn ogen. De bruine koffiedruppels dropen op haar natte haren. Ook ik schrok me rot en liet alles uit m’n handen vallen. Tegenover me stond een vrouw van een jaar of veertig in een witte ochtendjas. Ze schrok volgens mij als eerste. Ik wist even niet wat te doen. Het gegil was niet onopgemerkt gebleven. Ik hoorde deuren open gaan en zag mensen uit hun huizen komen. Vanaf een veilige afstand sloegen ze mij en de dame in de ochtendjas gade. Wat nu? Ineens speelde ik de hoofdrol in een soort straattheater. Ik, die net één week aan het werk was bij het bedrijf dat ooit de Post, Telefoon en Telegrafie in Nederland verzorgde. Vandaag de dag herken je deze firma aan hun slogan  “Sure we can”. Het moge duidelijk zijn dat ik als postbezorger voor een glazen huisdeur stond. Op het moment dat ik de post door de brievenbus wilde duwen trok de bewoonster van dit rijtjeshuis het gordijn open. Wat nu te doen? Ze begon ze een beetje proestend te lachen. Een aanstekelijke lach. Ook ik zag de absurde humor van deze situatie ineens in. De toegestroomde buurtbewoners keken nog tamelijk ernstig. Er werd druk getelefoneerd en gefotografeerd. Ik bukte om de post op te rapen. Op dat moment opende ze de voordeur en rook ik opeens een geur van verse koffie en frisse douchegel. Ik kwam weer overeind. Ze lag in een deuk. “Ik uh, uh…”, stamelde ik en kon niets anders meer dan lachen. De vrouw met de koffiebruine haren leunde nu met haar handen tegen mijn schouders en schaterde het uit. “Sure we can” riep ze en lachte nog harder. Achter mij hoorde ik de eerste mensen lachen en al snel was het publiek ook niet meer te houden. Sommige mensen begonnen te klappen. Bovenramen openden zich, kinderen renden opgewonden door de straat en uiteindelijk gaf ik de dame de post die voor haar bestemd was. Ik maakte een lichte buiging, genoot nog even van het applaus en vervolgde mijn looproute. Het kan verkeren.

(Deze tekst verscheen eerder in dagblad De Pers)

Sint

Henk: Wat een gek idee, ineens zit ik in de WW.

Ria: Wie schrijf je daar?

Henk: Hoe bedoel je, wie?

Ria: Nou, schrijf je een brief? Een sollicitatiebrief?

Henk: Nee.

Ria: Oh, sorry, ik wilde je niet storen. Maar normaal schrijf je nooit…

Henk: Normaal zie je me hier ook nooit zitten. Normaal zou ik aan het werk zijn, zoals alle andere mannen in de straat. Normaal zou ik ook een salaris krijgen zoals alle anderen. Normaal zou ik ook niet werkloos zijn. Normaal zou je ook niet van die idiote vragen stellen. Normaal zou ik godver…

Ria: Henk, wat is er toch met je aan de hand? Je bent zo agressief. Zo ken ik je helemaal niet.

Henk: Ik ben gewoon mezelf!

Ria: Nou Henk, ik vind je wel een beetje veranderd. Maar goed, Gonnie komt zo even langs, je weet wel, die vrouw aan de overkant met die blonde haren. Ze komt even een bakkie doen. Haar man zit trouwens niet in de WW.

Henk: Nou, dat is dan fijn voor die man van Gonnie.

Ria: Gonnie en ik kleppen altijd even met elkaar, zo rond 11.00 uur.

Henk: Tja, dat is dan erg lekker voor jou en Gonnie.

Ria: Wat schrijf je daar nou op? Is het belangrijk?

Henk: Het is een gedicht. Het is verdomme gewoon een gedicht!

Ria: Ja, dat het rijmt zie ik ook wel. Maar sinds wanneer schrijf jij een gedicht? Je deed toch altijd kruiswoordpuzzels? Henk, ik vind dat je wel vreemd doet de laatste tijd. Wordt het een liefdesgedicht? Oh, ik heb je gestoord. Nu is de verrassing weg. Sorry Henk, dat wilde ik niet.

Henk: Het gedicht is niet voor jou bedoeld, Ria.

Ria: Geen liefdesgedicht? Dichten doe je toch alleen voor je liefste?

Henk: Het is voor de Sint.

Ria: Een sinterklaasgedicht?

Henk: Ja, Ria. Het is gewoon een Sinterklaasgedicht.

Wat een gek idee, ineens zit ik in de WW.

en als u mij geen nieuwe baan belooft

schiet ik gewoon die mijter van uw hoofd.

Ria: Prachtig Henk. Prachtig!

(Deze tekst verscheen eerder in dagblad De Pers)