Opvangcentrum

Soms heb je een geluk bij een ongeluk. Mijn ongeluk was niet zo dramatisch. Ik wilde met de trein naar Berlijn, maar door een storing in de bovenleiding moest ik her en der overstappen. Het gevolg was dat ik in een verkeerde trein stapte en in de stad Schwerin belandde, ongeveer 200 kilometer ten noordwesten van de Duitse hoofdstad. Het geluk was dat ik iets te weten kwam over een onderwerp waar ik überhaupt geen weet van had. Ik dronk namelijk een “Tasse Kaffee” in de stationsrestauratie en las de regionale Schweriner Volkszeitung. Interessant, misschien stond er een leuke baan in, dacht ik, want Duitsland is zo’n gek land nog niet. Op pagina vijf viel mijn oog direct op het woord “niederländische”. Geen vacature, maar wel een heel opmerkelijk bericht. In Schwerin en omgeving zijn tal van kunstenaars en culturele groepen bezig met het creëren van een opvangcentrum voor Nederlandse collega’s die opvang behoeven. De mensen van de lokale kunst- en cultuursector waren zo geschrokken van de berichten in de media, dat ze in actie kwamen. “

Eine ungeheure Schandtat” noemde dirigent Bernard Haitink de bezuinigingen volgende deze krant. Er is dus nog hoop. In 2012 zijn er 100 leefplekken gereed  voor Nederlandse kunstenaars die niet meer in hun eigen land kunnen leven. “Kunst ontstaat uit het hart. Onze collega’s in Nederland moeten geholpen worden, want hier dreigt veel talent verloren te gaan, “aldus de initiatiefneemster van dit project. Volgens haar worden er plekken gecreëerd waar ze ongehinderd hun passie kunnen uitleven, zonder dat ze gestoord worden door de in het artikel genoemde Nederlandse stadscommando’s. De Nederlanders kunnen terecht in een enorme grote oude melkfabriek, die door de lokale bevolking woonklaar wordt gemaakt. Volgens het bericht zijn er al enkele culturele organisaties uit Nederland op bezoek geweest om de toekomstige situatie te bespreken. Een bijzonder project, waar ik geen weet van had gehad als de bovenleiding van de Deutsche Bahn gewoon in orde was. Een geluk bij een ongeluk, maar voor de Nederlandse kunst- en cultuurwereld blijft het een ongeluk, hoe je het ook wendt of keert.

Advertenties

De man met het petje

Twaalf jaar was ik en woonde in het bosrijke Doorn, in een eenvoudig straatje met links en rechts rijtjeshuizen. Vrijwel dagelijks liep er een man bij ons door de straat. Het was een oudere man van Marokkaanse afkomst. Hij droeg altijd een lange, beige regenjas én, dat was wel opmerkelijk, hij beschikte over slechts één arm. “Maar hij is wel heel vriendelijk hoor’. Dat zei mijn moeder een keer toen zij en ik naar buiten keken en zagen hoe de man door onze straat liep. Voor de rest was er niets bijzonders aan. Hij liep naar alle waarschijnlijkheid ergens heen en kwam naar ik aanneem ook ergens vandaan. Zo gaat dat met mensen die wandelen. Het beeld van de eenarmige vriendelijke man schoot mij te binnen toen ik vanmiddag zelf over straat liep. Niet in Doorn maar in een ander dorpje met eveneens links en rechts rijtjeshuizen. Het is weliswaar 30 jaar later maar nog steeds zie ik dat mensen opkijken als er iemand door hun straatje loopt. Wie loopt daar door onze straat, lees ik op hun voorhoofd. Het antwoord kan ik zelf geven. Het is eigenlijk een doodnormale man,  die door de straat loopt en van de frisse buitenlucht geniet. “Daar heb je die man met dat petje weer, mama”,  roept een jongetje uit een huis, waarvan de voordeur half open staat. Dat klopt, het jongetje heeft gelijk. Deze man draagt een petje om zo zijn nogal kale kop een beetje tegen de kou te beschermen. Na mijn dagelijkse wandeling denk ik aan het jongetje dat mij nu dus kent als de man met het petje. Wie weet loopt hij over 30 jaar ergens over straat en denkt dan opeens aan die man met dat petje. Ik ben benieuwd wat hij dan doet. Zou hij net als ik de gebeurtenis aan het papier toevertrouwen en het zelfs in zijn hoofd halen om het online te publiceren? Of bestaat internet dan al lang niet meer? Dat vraag ik me af als ik thuiskom en mijn petje afdoe.

Waarheen leidt de weg?

funeral-carLaag Soeren, 2011

Afgelopen zondagochtend was ik al erg vroeg op weg naar een boekenmarkt, twee dorpen verderop. Vóór ik linksaf de hoofdweg opdraai zie ik dat er van rechts een statige begrafenisauto met op de voorkant een zwart vlaggetje komt aangereden. Ik laat hem voorgaan en draai daarna de weg op. Het is mistig en het miezert als we getweeën tussen de kale bomen onze weg vervolgen. Bij het naderen van de rotonde zie ik voor me opeens een teken van leven. Het zijn de drie remlichten (links, rechts en boven) die plotseling branden. Vervolgens geeft de begrafenisondernemer gas en is het weer donker. In de rotonde volgt een knipoog van het rechterachterlicht ten teken de rotonde te verlaten. We rijden gezamenlijk verder. Pas als we het eerste dorpje naderen realiseer ik me dat ik onderdeel zou kunnen zijn van een uitvaart. Voor een gesloten supermarkt staat een omaatje met een paraplu. Ze kijkt me recht in de ogen en slaat een kruisje. Even later knikt een voetganger vol medeleven in mijn richting. De uitvaartwagen en mijn auto zijn de enige twee voertuigen op de weg. Ik bedenk opeens hoe eenzaam dit afscheid zou kunnen zijn voor de persoon in de begrafenisauto. Ligt er trouwens wel iemand in? Ik kijk naar het dak van de wagen voor me. Nergens een bordje met “vrij – bezet” zoals bij taxi’s. Zo’n bordje zou wel handig zijn, want die vrouw bij de supermarkt had zeker geen kruisje geslagen als ze zag dat de auto “vrij” was. Het laatste stukje naar de boekenmarkt rijden we over een landweg, dwars door de weilanden. Het zou een Monty Pyhton sketch kunnen zijn. Als we het tweede dorp binnenrijden buigt de auto voor mij rechtsaf richting de marktplaats. Ik ben dus nog niet van hem af. Dan parkeert de chauffeur zijn begrafenisauto, precies op de plek voor mij. De begrafenisondernemer stapt uit en wenkt. Hij vraagt of ik hem even kan helpen. Ik schrik me rot. Hij opent de achterdeur met de gordijntjes en sprakeloos zie ik toe hoe de man één van de acht kratjes met boeken uit de auto haalt.