Een gedachte

Het is tien over zeven. De wekker rinkelt in een doorsnee Nederlandse eengezinswoning uit de jaren zeventig in Oosterbeek. Het geluid komt uit de slaapkamer van Ria en Aad. Hij draait zich om en kust zijn vrouw.
“Goedemorgen”.
“Goedemorgen”.
Aad zit even op de zijkant van zijn bed. Dat zitten duurt meestal niet langer dan vijf seconden. Vandaag is het woensdag, een doodgewone werkdag midden in de week. Na precies vijf seconden staat hij naast zijn bed. Net als gisteren loopt hij in zijn onderbroek en zijn gisteren gedragen poloshirt de slaapkamer uit, de overloop op. In de badkamer werpt hij shirt en broek in de wasmand. Hij draait de beide douchekranen open, voelt hoe warm het water is en stapt dan onder de douche. Tot nu toe verloopt alles zoals het altijd verloopt.

Onder de douche dwalen zijn gedachten af naar de koelkast, net als alle andere dagen. Maar vandaag is er toch iets anders aan de hand. Hij denkt dan wel aan de koelkast, maar normaal gesproken denkt hij  aan het wel of niet aanwezige broodbeleg. Is er  wel voldoende van in huis? Zou hij vandaag twee boterhammen met kaas nemen of alles met vleeswaren beleggen? Terwijl hij voor de tweede keer zijn haardos met shampoo inzeept, denkt hij niet zo zeer na over het broodbeleg maar over het nadenken an sich. Dat is het grote verschil vandaag.

“Waarom denk ik altijd aan de koelkast en haar inhoud?”,  denkt hij.
“En waar komt dat stemmetje vandaan wat mij van alles vertelt?”
Van buitenaf gezien zou je denken “goh, daar staat Aad Blauwvlieg onder de douche. Hij wast zijn haren”. Maar Aad is druk bezig met het denken aan zijn gedachtes. Het is de eerste keer dat hij zich afvraagt waar zijn gedachtes vandaan komen.
“En dat na vijfenvijftig jaar”,  roept hij.
“Aad?” Het is zijn vrouw. Ze vraagt zich natuurlijk af waarom hij opeens “en dat na vijfenvijftig jaar “ zegt.
“Niks” zegt Aad.
“Oh, “ antwoordt ze.

Het keukentje is te klein om in te ontbijten. Al twintig jaar vertellen hij en zijn vrouw elkaar dat.
“Jammer dat er geen plaats is voor een tafeltje” zegt zijn vrouw dan.
“Ja. Als we een keer verhuizen, dan kijken we eerst naar de keuken” is steevast zijn antwoord.

Hij haalt een kuipje boter, twee bakjes met vleeswaren en een stuk kaas uit de koelkast, die verhoudingsgewijs te groot is voor de kleine keuken. De broodtrommel heeft zijn vrouw gisteravond al klaargezet. “Twee boterhammen met cervelaatworst en twee met kaas”,  denkt hij en zo geschiedt. Als ontbijt neemt hij een vruchtenyoghurt en een kopje koffie uit het Senseo koffiezetapparaat. Deze koffiemachine hadden ze na veel wikken en wegen aangeschaft, omdat Aad dan ’s ochtends vroeg makkelijker één kopje koffie kan zetten.
Het is één minuut voor half acht. Precies om half acht zit hij in de woonkamer, voor de televisie en kijkt naar het RTL-journaal. Simon Vinkenoog is dood. De naam zegt hem niets. Het schijnt een schrijver te zijn die iets met hasj te maken heeft. Na de uitzending heeft hij zijn ontbijt op. Hij zet zijn bord en koffiemok op het aanrecht in de keuken en loopt de trap op. Alleen nog zijn tanden poetsen en hij kan op weg. Oh ja, en natuurlijk nog een laatste kusje voor de vrouw. “Werk ze” zegt ze.

Aad stapt in zijn auto en rijdt de buurt uit. Het kent de weg op zijn duimpje. Al bijna twintig jaar rijdt hij deze weg. De rotonde op, rechtdoor, dan nog twee rotondes en dan zo het dorp uit. Links en rechts liggen de weilanden er weer er mooi bij. In de weilanden staan ze weer, de koeien en de paarden. Hij groet ze als altijd. Niet hardop, dat niet. Na vijf kilometer ziet hij het kleine industriegebied al liggen. Hup, linksaf , rechtdoor en naar rechts. Het gebouw waar hij zoveel jaren had doorgebracht ligt er verlaten bij. Het hek voor de parkeerplaats is met een ketting afgesloten. Aad stopt. Hij weet het. Gisteren was het hetzelfde verhaal. Dat gaat nu al een week zo, sinds zijn baas al het personeel op straat heeft  gezet. Aad kijkt naar boven, naar de plek waar hij altijd zat. De kamer die hij nooit van zijn leven meer zal vergeten. Het uitzicht vanaf zijn bureau, ook dat zou hij nooit vergeten.

Hij rijdt weer terug naar huis. De parkeerplek voor het rijtjeshuis is vrij. Veel mensen zijn op dit tijdstip met hun auto naar hun werk. Op de plek waar hij vanochtend televisie keek ziet hij nu zijn vrouw zitten. Ze zit in haar groene ochtendjas en rookt een sigaret.  Al een week lang ergerde hij zich aan dat beeld.
“Waarom zit zij daar, nog niet aangekleed met een stinkende sigaret en laat luide winden als ik binnen ben?”
Het  zijn gedachten die hem al een week vergezellen. Zijn vrouw weet daar niets vanaf. Zij kan ermee leven, dat hij dagelijks naar zijn werk rijdt en binnen een uur weer terugkeert. Vandaag kan Aad er niet zo goed mee leven. Hij denkt voor het eerst na over zijn gedachten.
Klokslag half negen, net als gisteren, steekt Aad de huissleutel in het slot en opent de voordeur. Hij loopt direct naar de keuken en haalt het vleesmes uit de krakkemikkige lade.
“Aad, kan je nog een kopje koffie voor me inschenken?”,  roept zijn vrouw.
“En neem er zelf ook een”,  lacht ze er achteraan.”
Deze keer antwoordt Aad niet opgewekt en zegt hij niet zoals gisteren “Lekker, beiden een bakkie, schat”. Nee, het is de eerste keer dat hij zwijgt.

De stilte wordt doorbroken als een man hem vraagt of hij gedronken heeft. Aad ziet hoe de man het met bloed besmeurde mes uit zijn hand neemt.
“Wie is die man en waarom neemt hij dat mes uit mijn hand” denkt Aad.
En meteen daarna komt de gedachte wie dat zinnetje in zijn hoofd uitspreekt. Wie is dat? Is hij dat zelf? Onmogelijk. Hij hoort het ergens vandaan komen. Komt het misschien uit de televisie? En wat is er met Ria aan de hand? Leeft ze nog? Waarom zegt ze niets?

(Dit verhaal verscheen eerder in de bundel “Select gezelschap 2009” van uitgeverij Kontrast)

Advertenties

Kafka’s kijkdoos

Hoe is het vandaag de dag met de burger in Nederland gesteld? Die vraag stelde ik mezelf vandaag. Per slot van rekening ben ik een burger in Nederland. Ik kijk even naar de dag van vandaag. Vanochtend probeerde ik bij station Holendrecht langs het deurtje met de chipkaartcontrole te komen. Ik chipte en liep tegen een gesloten deurtje aan. Op dat moment ging het deurtje naast mij wel open. Gelukkig was er nog een burger naast me die ook chipte en daardoor mijn deurtje openmaakte.  Zij wilde door mijn deurtje maar zag dat ik haar deurtje had geopend. Snapt u het nog? Maakt niet uit. Op Amsterdam Centraal ging het beter door de pijlen die naar de deurtjes wezen. Vanaf dat Centraal Station nam ik samen met tientallen andere burgers de trein naar Apeldoorn. Vanaf dat station liep ik naar mijn auto op het parkeerterrein. Uit ervaring weet ik dat er voor de slagboom altijd een auto stil staat. In die auto zit altijd iemand die uit het raampje hangt en spreekt met een medewerker van de hulpdienst van het parkeerbedrijf. Ik keek dan ook niet vreemd op toen ik mijn P+R kortingskaart in het apparaat stak en de mededeling “Niet mogelijk” verscheen. Na drie keer proberen lag mijn vinger al op de helpknop.
“Goedemiddag, wat kan ik voor u doen?”
“Ik doe de kortingskaart  in de automaat en lees “Niet mogelijk.”
“Mijnheer, u zult het niet geloven, maar dat is een vertaalfout in de software. Als er staat”Niet mogelijk”, dan doet ie het gewoon.”
Ik keek verbaasd naar de stoel naast me, ook al zat er niemand op.
“Mijnheer, bent u er nog?”
“Ja, ja’, zei  ik en deed mijn pinpas erin. Het werkte.
“Maar als het betalen nu echt niet mogelijk is, staat er dan “Mogelijk? “
“Prettige dag, mijnheer.
“Zegt u?
“Piep-piep-piep.”
De slagboom opende zich en opeens wist ik hoe je je als burger in Nederland soms voelt. Alsof je in een kijkdoos leeft, waarin allerlei merkwaardige dingen gebeuren. Kafka’s kijkdoos, dat was het antwoord.

(Deze tekst verscheen eerder in dagblad De Pers)

Een eigen huis

Facebook brengt mensen bij elkaar. Zo nu en dan krijg ik een uitnodiging van iemand uit vervlogen tijden, die mij op het sociale netwerk gevonden heeft. Dan is het altijd weer de vraag of ik hem of haar als vriend accepteer. Drie jaar geleden accepteerde ik een vriendverzoek van een klasgenootje van de lagere school. Achteraf baalde ik dat ik hem had geaccepteerd, want hij schreef opeens dat we nu ook bij elkaar in de buurt woonden. Shit, snel mijn woonplaats deleten, dacht ik, maar het kwaad was natuurlijk al geschied. Ik accepteerde zijn uitnodiging om bij hem op de koffie te komen. Wat bleek, hij deed goede zaken. Hij woonde in een enorm huis in een villawijk. Vroeger was het een opscheppertje en dat was hij nog steeds.

“Dit is de woonkamer. Kijk, lekker ruim. En glazen schuifdeuren naar de tuin, ideaal. Ik heb ruimte nodig, begrijp je. Daar gaat het om in het leven, om ruimte. Je moet vrij kunnen ademen en daar heb je heel veel ruimte voor nodig. Vandaar ook een binnen- en buitenbad. Ik wil kunnen zwemmen als ik er zin in heb. Begrijp je wel, dat is vrijheid, kerel.”

Ik werd er stil van. Moest ik nu zeggen hoe mooi alles was? Hij repte er met geen woord over wat hij deed en hoe het met hem ging. Na twee kopjes koffie uit het Rolls- Royce koffiezetapparaat keek ik op mijn horloge en vertelde dat ik nu écht weg moest.

Toeval bestaat niet. Of toch? Vorige week kwam ik hem tegen, dit keer zonder de tussenkomst van Facebook. Ik was inmiddels naar Amsterdam verhuisd en hij blijkbaar ook. Hij stond met zijn boodschappentas voor een laagbouw flat.
“Ja, hier woon ik nu”, zei hij zonder dat ik iets vroeg.
“Een huis is alleen materiaal, jongen. Je echte huis zit in je. Ik heb maar twee kamers, meer dan genoeg, man. Ja, oké, werk weg, vrouw weg, huis weg, alles weg. Maar de ruimte zit in jezelf, weet je. Om vrij te kunnen ademen heb je genoeg aan jezelf. Dat is vrijheid, begrijp je?”