Een reis met een luchtje

smellHet gebeurde in de trein van Praag naar Berlijn. Het had ook in de trein van Amsterdam naar Parijs of van Groningen naar Maastricht kunnen gebeuren. Maar het gebeurde tussen de Tsjechische en de Duitse hoofdstad. Zondag, druk. Gelukkig had ik gereserveerd. Langzaam verliet de trein het Praagse station. Of de plaats naast mij nog vrij is, hoorde ik een man in gebroken Engels vragen. Ik antwoordde ‘yes’, want in dergelijke situaties is het vrij onbeleefd eerst eens flink na te denken of je de zitplaats naast je wel wilt afstaan. De man zei “ fine” en plofte neer. Ik rook zijn geur van alcohol en van dagen of misschien wel weken ongewassen kleding. Kortom, de man stonk. En daarmee was nog niet alles gezegd. De man stonk behoorlijk, meer dan een uur in de wind, ik schat wel heel veel uren. Nadat we het laatste station in Tsjechië verlieten, wist ik dat de man tot aan het volgende station in Dresden naast me bleef zitten. In de Saksische hoofdstad stapte hij gelukkig op, maar zijn geur nam hij niet mee, die bleef achter in de bekleding van de stoel naast me. En ja, daar kwamen ze al, de nieuwe passagiers. Een vriendelijk ogende dame wilde naast mij  plaatsnemen, maar bedacht zich op het laatste moment. Daarna kwam  een opgewekte man langs en vroeg nog ‘Ist dieser  Platz noch frei’? ‘ ‘Ja’, knikte ik. Hij boog zich al richting de stoel maar besloot op het allerlaatste moment verder te lopen. Ik voelde me op zijn zachtst gezegd nogal ongemakkelijk. De blikken van de volgende kandidaten voor een plaats naast mij spraken boekdelen; wat een smeerlap, zo, die stinkt zeg, wat een meur, hier ga ik dus echt niet zitten.” De wagon raakte voller en voller en uiteindelijk zat er een oudere vrouw naast me. Heel voorzichtig keek ik opzij. De dame hield een zakdoek tegen haar neus gedrukt en keek de andere kant op. Tussen Dresden en Berlijn kwam de conducteur nog langs. Ik wilde mijn kaartje uit m’n tas halen maar de man keek mij met een vies gezicht aan. ‘Gut so’ zei hij en liep snel verder. Dat gebeurde er in de trein van Praag naar Berlijn.  Het had ook in de trein van Amsterdam naar Parijs of van Groningen naar Maastricht kunnen gebeuren.

Naar de kapper

shutterstock_46481776Het uitzicht dat een piloot heeft als hij een landingsbaan nadert. Dat moet u zich voorstellen bij mijn huidige haardos.  De ene keer zijn de zijstroken kort gemaaid, de andere keer lijken het eerder wilde struiken. Vandaag begonnen mijn bovenbermen al aardig op wilde struiken te lijken. Op zo’n moment doemt in de ruimte onder de bermen de vraag op: gaan we naar de kapper of niet? Waarom deze vraag in het meervoud wordt gesteld, is mij tot op de dag van vandaag een raadsel.  Ik ga immers altijd alleen naar de kapper. Een duidelijk antwoord op de vraag had ik niet. Natuurlijk, de banen kunnen wel weer eens gekortwiekt worden. Aan de andere kant waren ze nog niet zo wild gegroeid dat er zo nodig een schaar doorheen moest. De vraag speelde al enkele dagen door mijn hoofd. Ik besloot om het antwoord aan het toeval over te laten. Ik wilde vandaag sowieso Berlijn, mijn nieuwe stad, verkennen. Kwam er een kapper op mijn weg, dan zou ik naar binnen gaan, mits er geen andere klanten wachten. Een andere voorwaarde; geen moderne trendy kapper waarbij je je eerder in een ruimteschip waant dan in een kapsalon. Bermen maaien is iets dat snel en onopvallend moet gebeuren. Dus liep ik onder de heerlijke herfstzon langs bakkers, dierenspeciaalzaken, snackbars,  witgoedwinkels, kledingboetiekjes en schoenenzaken. Een kappersbezoek was niet in zicht. Aan de overkant van de straat zag ik een kapsalon. Het knipperende neon reclamebord verraadde echter dat het hier om een spaceship-achtige gelegenheid ging.  Op weg naar huis gebeurde het. Ik lette niet op en stootte pardoes tegen een bak met aanbiedingen, die de winkelier midden op de stoep had gezet. De vriendelijke verkoper kwam naar buiten gesneld en hielp me met het opruimen van de vele petten. ‘Zou u goed passen’,  zei hij en zette een donkerblauwe pet op mijn hoofd. “Rood staat u ook goed’’. Tien minuten later zat ik met een blauwe  pet op m’n hoofd en tien bontgekleurde andere petten in m’n tas in de tram naar huis. Mijn bezoek aan de kapper heb ik voor onbepaalde tijd uitgesteld.

(Deze tekst verscheen eerder in dagblad De Pers)