Koffie op de Kochtstrasse

Foto0112Vorige week stond ik op het perron van U-Bahnstation Kochtstrasse. Natuurlijk liepen hier veel toeristen rond, die zojuist Checkpoint Charlie hadden bewonderd of er naar op weg waren. Ik ken de situatie nog uit Mallorca, waar ik 10 jaar van mijn leven heb doorgebracht. Ook daar kwam ik iedere dag wel meerdere toeristen tegen. Niet op weg naar Checkpoint Charlie, maar op weg naar het strand, de typisch Spaanse markt of een restaurant om  een menu del dia uit te proberen. Je herkende de toeristen aan de huurauto, die minimaal drie rondjes over de rotonde reed, met achter het stuur een zwetende bestuurder en naast hem een hysterische vrouw met een landkaart in haar hand. Daar dacht ik aan op het perron van station Kochtstrasse, totdat ik door een koffieautomaat uit mijn gedachtenwereld werd gehaald. Sinds wanneer stond er een koffieautomaat op een U-Bahnstation? Ik kende de kiosk die je overal tegenkwam. Ik herinnerde me, dat ik vorig jaar een koffieautomaat op een S-Bahn station zocht maar niet vond. Sindsdien was ik van mening, op de U- en S-Bahnstations in Berlijn staan geen koffieautomaten. Dat vertelde ik ook aan mensen die uit Nederland bij mij op bezoek kwamen, net zoals ik op Mallorca vertelde dat het eiland niet over campings beschikt. Dat is ook zo. Aarzelend liep ik op de koffieautomaat af. Zal ik een foto ervan nemen, dacht ik. Ik twijfelde want wie maakt er nu een foto van een koffieautomaat? Aan de andere kant liepen hier toeristen  rond die alles wat los en vast zat fotografeerden. Dus nam ik mijn telefoon uit  de binnenzak van mijn jas, zocht de camerafunctie en schoot de eerste foto. Ik speelde de toerist die ineens iets zag wat hij perse moest vastleggen. Ik fotografeerde ook het bord met de naam van het station, zoals het een echte toerist betaamt. Om erachter te komen of er in Berlijn nog meer koffieautomaten op perrons staan, zou ik alle stations moeten controleren. Dat ga ik niet doen. Mocht iemand dit lezen en denken “wat een onzin, in Berlijn staan meerdere koffieautomaten op stations, namelijk op….”, dan is een reactie altijd welkom.

Kevin Kuhn leest uit debuutroman in Brechthaus Berlin

Schrijver Kevin Kuhn en literatuurcritica Wiebke Porombka

Schrijver Kevin Kuhn en literatuurcritica Wiebke Porombka

Altijd ben ik weer verbaasd hoe weinig belangstelling er is voor lezingen van schrijvers. Natuurlijk hangt de opkomst samen met de bekendheid van de auteur. Een Günter Grass zal meer publiek trekken, zeker nu, dan een debuterende auteur zoals Kevin Kuhn met zijn romandebuut „Hikikomori“. Een kwartier voor aanvang van zijn lezing in het Brechthaus in Berlijn zat ik gisteravond samen met nog drie andere personen in het zaaltje en vreesde het ergste voor de auteur. Gelukkig vulde de ruimte zich kort voor aanvang nog tot circa 20 personen. Niet echt veel animo, terwijl de FAZ (Frankfurter Allgemeine Zeitung) vorig jaar positief over het boek berichtte: “En zo ontstond uit een gewaagd experiment een debuutroman van een verbazingwekkend zekere intensiteit.”

Kuhn las deze avond in Berlijn veel voor uit zijn eerste boek “Hikikomori”. Hierdoor bleef er helaas weinig tijd over voor een gesprek tussen hem en de literatuurcritica Wiebke Porombka. Een uitgebreid bericht over de debuutroman schrijf ik overigens op een later tijdstip, omdat ik deze avond tegen mijn gewoonte in een lezing bezocht zonder eerst het boek gelezen te hebben. De aankondiging van de boekpresentatie las ik vlak voor het optreden en dus moet ik nu noodgedwongen het boek later lezen. Ik geef de tijd maar weer eens de schuld.  Natuurlijk hebben de cultuurjournalisten in Duitsland het boek al lang gelezen en er één en ander over geschreven. Bijvoorbeeld dat het verhaal over een 21-jarige jongen gaat, die zich na de middelbare schooltijd thuis bij zijn ouders op zijn kamer opsluit en zich geheel afzondert van de wereld. In Japan is dit een gebruikelijk fenomeen onder adolescenten. Men noemt het Hikikomori, waarmee de titel van de debuutroman meteen is verklaard.

De hoofdpersoon Till neemt na verloop van tijd een exotisch dier op zijn kamer, een vreemd dier dat hij via internet in Mexico heeft gekocht. Dit dier verandert op den duur in een soort monster. Dit gedeelte doet natuurlijk erg sterk denken aan “Die Verwandlung” van Franz Kafka.  Kuhn vertelde gisteravond dat hij “Die Verwandlung”meermaals heeft gelezen en dat hij dit stuk met opzet zo had geschreven, als een soort hommage aan Kafka.  Zo laat hij in zijn verhaal ook zo nu en dan wagens met loeiende sirenes over straat rijden, iets dat in Kafka’s verhalen ook vaak gebeurt. Bij Kafka sterft de hoofdpersoon Gregor Samsa uiteindelijk. Hoe het met hoofdpersoon Till in “Hikikomori” afloopt, dat wilde Kuhn niet verraden. “Als je het boek positief leest, dan eindigt het ook positief”, is alles wat hij erover kwijt wilde.

Nu maak ik een bruggetje, want het toeval wil, dat ik ruim twee jaar geleden een avond in het Goethe Institut in Amsterdam bezocht, die in het teken stond van het boek “De gedaanteverwisseling” (Die Verwandlung). Destijds had ik nog geen blog, nu wel. En een blog lijkt mij een geschikte plek om een dergelijke tekst alsnog te parkeren. Daarom volgt hier het verslag van die avond, voor alle mensen die er destijds niet bij waren. Aan het woord kwamen Kafka-vertaler Willem van Toorn, schrijver/bioloog Midas Dekkers, NRC-Handelsblad redacteur en columnist Frits Abrahams en Cor de Back van de Stichting Nederlandse Kafka-kring.

Kafka lezing foto

Willem van Toorn (l) en Cor de Back.

Dinsdag 12 oktober 2010, Goethe-Institut Amsterdam

In een uitverkochte bovenzaal van het Goethe-Institut stonden het boek  De gedaanteverwisseling” en de schrijver “Frans Kafka” deze avond centraal. Cor de Back, voorzitter van de Stichting Nederlandse Kafka-kring, noemt Kafka één van de belangrijkste schrijvers in de wereldliteratuur. De Franse schrijver Gustav Flaubert ziet hij als een bloedverwant van de schrijver die vooral bekend werd door zijn romans “Het Proces” en “Het Slot”. Daarnaast valt de naam van de Deense filosoof Kierkegaard meermaals als inspiratiebron voor Kafka. Nu we toch namen aan het noemen zijn: volgens Cor de Back las Kafka graag de werken van Dostojewski en Shakespeare. Als ook Goethe en Kleist de revue hebben gepasseerd, eindigt De Back met  een opsomming van Nederlandse schrijvers, die volgens hem beïnvloed waren door Kafka. Hij noemt onder andere Bordewijk, Hermans en Willem Brakman.

Frits Abrahams, columnist en redacteur bij NRC-Handelsblad, begint zijn betoog met het noemen van de boeken die over Kafka zijn geschreven zoals de biografie van Max Brod. Daarna memoreert hij aan de Tsjechische auteur Gustav Janouch, die in 1949 het boek “Gesprekken met Kafka” schreef. Abrahams legt uit dat Janouch veel met Kafka had gesproken, maar dat hij twijfelt aan de authenticiteit van het boekje dat Janouch in 1949 schreef. Frits Abrahams vertelt dat hij ook de brieven van Kafka heeft gelezen en dat daaruit in zijn ogen een beeld ontstaat van een gekwelde persoon die gebukt gaat onder de nodige problemen in relaties met vrouwen. Hij noemt de vrouwen met wie Kafka kortstondige relaties onderhield. Dora Diamant ziet hij als de vrouw met wie Kafka de innigste band had. Frits Abrahams eindigt zijn betoog met het thema seksualiteit. Franz Kafka zou volgens hem geregeld prostituees bezocht hebben. In een van de boeken over Kafka wordt geschreven over de vondst van pornografische tekeningen. Die zijn inderdaad gevonden maar vandaag de dag zouden die tekeningen eerder als karikaturaal bestempeld worden.

Dan is het woord aan de bioloog en schrijver Midas Dekkers, die zijn verhaal begint met de vraag of niet iedereen wel eens iemand anders zou willen zijn. Op humoristische wijze legt de bekende bioloog uit dat we, als we ’s ochtends opstaan, al zijn veranderd in vergelijking met de persoon die we overdag waren. Vervolgens noemt hij de rups, die na verloop van tijd ineens geen rups meer is. Het publiek lacht, de toon is gezet. Midas Dekkers gaat over naar het boek “Die Verwandlung”.  Hij noemt de eerste beroemde zin, waarin Gregor Samsa “zu einem ungeheueren Ungeziefer verwandelt“.  Het woord „Ungeziefer“ is door vele vertalers op uiteenlopende manieren vertaald. Kever, kakkerlak, ondier. De juiste vertaling is ongedierte, dus zoiets als een kever of een kakkerlak.

Dekkers neemt het publiek mee op de zoektocht naar het soort dier dat Franz Kafka beschrijft. “Een insect heeft zes poten, dat hebben we allemaal op school geleerd“, vertelt hij. Aangezien de hoofdpersoon problemen heeft met de vele poten, sluit hij een insect uit. Dekkers sluit vervolgens ook de duizendpoot of de honderdpoot uit, omdat die een andere vorm hebben dan in het boek beschreven staat. Na veel grappige uiteenzettingen rest voor Midas Dekkers maar één conclusie: Gregor Samsa was veranderd in een pissebed. Hij verdedigt zijn vondst met drie punten:

1) Met de breedte van de pissebed paste hij onder de canapé
2) Hij wordt dikker na het eten. Een kever bijvoorbeeld niet.
3) Hij droogt uit aan het einde van het verhaal.
4) Last van ademhaling hebben is ook typisch voor een pissebed.

Midas Dekkers sluit rondt zijn betoog af door te zeggen dat er zo’n 4.000 soorten pissebedden bestaan. De nieuwe soort, uit het boek van Kafka, doopt hij deze avond met de naam “Rentokillus kafkaensis”

De schrijver en vertaler Willem van Toorn spreekt deze avond over zijn opvattingen van Kafka en hij noemt als eerste de humor doe je volgens hem in zijn boeken terugvindt. “Het lijkt wel of er bij Kafka een verbod op humor geldt,”  vertelt de vertaler. Hij noemt de schrijver K. Schippers, die net als hij ook de lichtheid van Kafka ziet. Sommige scènes lijken precies op scènes uit een slapstick film en Kafka bezocht in zijn tijd vaak de bioscoop, waarin films van Charlie Chaplin draaiden. Van Toorn geeft toe, de schrijfstijl van Franz Kafka is droog, hij schrijft zakelijk over onmogelijke gebeurtenissen. Zo is ook het woord Kafkaiaans ontstaan. Volgens Willem van Toorn was het ook geen gangbaar Duits maar was het wel helder. Een ander opvallend stijlelement noemt hij het feit dat Kafka halverwege een zin opeens een andere wending neemt. Van Toorn refereert ook nog even aan het “Ungeziefer” in de eerste zin. De Britse vertaler Pasley  noemde het een  “monstrous insect”.  Destijds stond Kafka erop dat op het kaft van  het boek “Die Verwandlung” absoluut geen dier afgebeeld mocht worden.

Van Toorn spreekt ook over de gevaren bij vertalingen van Kafka.  Bijvoorbeeld het gevaar dat je als vertaler zaken aan de lezer probeert uit te leggen. De neiging om wonderlijke zinnen glad te strijken. Hij noemt als voorbeeld de zin “Er ging ein Nachtlager suchen” uit “Het Slot”. Volgens Van Toorn gaat het hierbij om een slaapplaats. Een andere vertaling rept over een “onderkomen voor de nacht’. Met deze laatste vertaling was Van Toorn het niet eens. Tenslotte noemt hij de kritiek op zijn vertaling van de zin “auf dem schon langsam gewordenen Schiff” uit het boek “Amerika”.  Hij vertaalde de zin met “het langzaam gewordende schip” en vindt dat nog steeds een juiste vertaling.

Het slotonderdeel van de avond is een podiumdiscussie tussen Willem van Toorn en Cor de Back. Laatstgenoemde daagt de vertaler uit en vraagt waarom hij vindt dat Kafka tot de humoristische schrijvers uit Praag behoort. Van Toorn zegt dat hij in Amerika meer humor ziet dan de meeste andere mensen. In de discussie gaat het ook over de manier van vertalen. Cor de Back noemt Kafka ook wel de “aber” schrijver, omdat hij zo vaak het woordje “aber” gebruikt. Cor de Back vraagt aan Van Toorn hoe hij dat met vertalen doet. Als Kafka zes keer achter elkaar aber schrijft, vertaalt hij dat dan ook zes keer met “maar”? Van Toorn knikt. “IK vertaal wat er staat”,  is zijn stelling.

Er komt een tweede vertaling van “Die Verwandlung”? Waarom? Van Toorn legt uit dat hij de eerste vertaling samen met Gerda Meijerink maakte. Iedere vertaalde een deel. Teruglezend ziet Van Toorn de compromissen in de vertaling. Daarom wil hij er nu eentje helemaal alleen maken. Deze vertaling is inmiddels verschenen (2012).

Taxi naar Tipi

Berlijn ken ik als automobilist, als fietser en vooral als reiziger in de U- en S-Bahn. Gisteren heb ik mezelf in een taxi naar Tipi am Kanzleramt laten brengen. Ik twijfelde:  of naar de taxistandplaats aan het einde van de straat lopen of gewoon thuis een taxi bestellen die mij hier voor de huisdeur oppikt. Ik dacht, àls je dan een taxi neemt, dàn ook vanaf de huisdeur. Zonder extra voorrijkosten stond de taxi op het afgesproken tijdstip op de afgesproken plek. Een kwartier later betaalde ik de chauffeur € 14,00, inclusief fooi, en liep richting de hoofdingang van de Oudhollandse danstent, waarvan er wereldwijd nog maar acht bestaan.

In de jaren tachtig deed deze oude Jugendstil-spiegeltent, die in 1920 op de wereldtentoonstelling in Antwerpen te bewonderen was, nog dienst als opslagruimte voor aardappels. Toevallig ontdekte een Zwitserse producent (Ueli Hirzl) het kunststuk in Nederland bij een patat-groothandel. Hij kocht de tent voor zijn eigen circus en deed hem in 1992 van de hand. Sinds dat jaar worden er in “Tipi am Kanzleramt” vooral veel kleinkunstvoorstellingen van hoog niveau gehouden. Tipi betekent overigens indianentent.

Maar ik kwam niet speciaal voor deze bijzondere tent der indianen, ik kwam voor de bijzonder mooie chansons van Jacques Brel, ten gehore gebracht door de zanger en acteur Dominique Horwitz. De in Frankrijk geboren artiest trakteerde het publiek in een uitverkochte tent met veel overtuiging, dynamiek en humor op bekende en minder bekende Brel liederen. Ik zat in het midden, net niet helemaal vooraan, zodat ik alles perfect kon volgen. Het enige nadeel bij Tipi am Kanzleramt is de zeer beperkte bewegingsvrijheid die je als toeschouwer hebt. De stoelen en tafels staan hier heel erg dicht op elkaar. Daarentegen is het personeel snel, vriendelijk en professioneel. Als hier in de toekomst weer een voorstelling plaatsvindt die ik perse wil zien, dan combineer ik het met een avondeten in de tent.

Ik zat gisteravond namelijk bij aardige mensen aan tafel, de zaal is opgedeeld in tafeltjes met vijf stoelen per tafel, die mij uitlegden hoe dit werkt. De eerste keer hadden zij, net als ik gisteravond, ook gewoon kaarten voor de voorstelling gekocht en werden vervolgens ook ergens “neergezet” Alleen als je gebruik maakt van de menukaart, kun je dagen van tevoren al een tafeltje reserveren. Je betaalt 29 euro voor het menu. Natuurlijk kun je in Berlijn veel goedkoper uit eten gaan, daar staat de stad om bekend. Aan de andere kant is het leuk om het uit eten gaan eens te combineren met een mooie theatervoorstelling. In verhouding tot wat je krijgt aangeboden valt de prijs erg mee. Ondanks dat de stoelen iets te dicht op elkaar staan, is het zeker de moeite waard op hier eens een avondje te genieten.

Informatie over het menu-arrangement bij Tipi
Informatie over taxi’s op Berlijn-blog.nl
Tipi de indianentent
Krantenbericht over de van oorsprong Nederlandse danstent “am Kanzleramt”