Crossing the Elbe

De Hanzestad Hamburg wordt in stukken verdeeld door de rivier de Elbe. Hoe kun je die delen met elkaar verbinden? Dat moet de Britse kunstenaar Anthony McCall gedacht hebben bij de voorbereiding op zijn kunstproject “Crossing the Elbe”, dat vanaf 22 maart van start gaat. Hij maakte deze bijzondere expositie in het kader van de opening van de IBA 2013 (Internationale Bauausstellung) in Hamburg. Eén jaar lang zullen de lichtstralen van drie schijnwerpers met elkaar in verbinding staan.

Eén schijnwerper staat op het dak van het kantoor van “Der Spiegel”, de tweede staat op het dak van een bunker in Wilhelmsburg en de derde op het dak van het museum “Sammlung Falckenberg “ in Hamburg-Harburg. Iedere avond, 90 minuten na zonsondergang, zijn de lichtkegels boven de Duitse Hanzestad te zien.

Op die manier wordt de zogenaamde “Elbinsel” met de noord – en zuidoever van de rivier de Elbe verbonden. In de loop van het jaar zullen de drie horizontale lichtkegels beetje bij beetje de hoek waar het licht vandaan komt veranderen, zodat op een gegeven moment alle stadsdelen van Hamburg onderdeel van deze symbolische sprong worden.

De in New York wonende Anthony McCall is een kunstenaar die al sinds begin jaren zeventig met lichtprojecties werkt. Zijn werken werden tentoongesteld in onder andere het Tate Modern in London, in het Museum of Modern Art in New York, in het museum “Hamburger Bahnhof” in Berlijn en het Centre Pompidou in Parijs.

Website “Crossing the Elbe”

Advertenties

Theater op het water

Zaterdag 9 maart. Rond 16:00 uur dalen de eerste sneeuwvlokken neer op Berlijn. Het aantal sneeuwvlokken neemt snel toe. Twee uur later rij ik in een spookachtige sfeer richting Potsdam. Onderweg zie ik oranje strooiauto’s, blauw licht van nauwelijks zichtbare politiewagens en alarmlichten van auto’s die om wat voor reden dan ook aan de kant staan. Een nieuwslezer op de radio vertelt me dat het ’s nachts gaat vriezen en de wegen verraderlijk glad kunnen worden. Kortom, de minst ideale weersomstandigheden voor een avondje theater in het theaterschip in Potsdam. Op het programma staat de theateruitvoering van Woody Allens film “Play it again, Sam“, bewerkt door regisseuse Paula E. Paul. Tot overmaat van ramp besluit de dame van mijn navigatieapparaat er ook mee op te houden en blijft in de buurt van Potsdam herhalen “Neuberechnung im Gang”. Toch parkeer ik tegen 19:00 uur heelhuids mijn wagen in de parkeergarage van supermarkt Kaufland, onderdeel van de stationspassage, die mij aan Hoog-Catharijne in Utrecht doet denken. Bij een drogisterij koop ik nog snel een paraplu voor € 2,99  en loop dan het gebouw uit.

Opeens twijfel. Hoe laat sluit die supermarkt? Kan ik mijn auto dan nog wel ophalen? Ik loop een andere ingang van de parkeergarage in en stoor een bewaker bij het bekijken van de beelden van de bewakingscamera’s. Theoretisch kan ik mijn auto nog wel bereiken, vertelt hij mij. Dat  klinkt niet echt overtuigend.
“Maar dat is vrij ingewikkeld. U moet dan onder de passage door, vervolgens over een soort brug en dan door een aantal deuren.”
Ik knik.
“Ik neem aan dat die weg gewoon is aangegeven?”, vraag ik nog.
Hij lacht.
”Nee, mijnheer, die is niet aangegeven.”
Ik twijfel. ’s Nachts mijn auto niet kunnen vinden, daar heb ik geen zin in en ik besluit snel terug te lopen om een andere parkeerplaats te zoeken. Ik stap in mijn auto en rij een soort koker in, richting  “-1”, precies zoals de bewaker vertelde. Daarna sla ik links af en sta weer op de plek waar ik net vertrok. Ik probeer het opnieuw maar sla niet links maar rechts af. Ik kijk om me heen en zie dat ik me op een soort snelweg in een enorme parkeergage bevind, een ondergronds parkeerdorp. Links, rechts, voor en achter, overal witte strepen van de parkeervakken en nauwelijks auto’.s Ik rij over kruispunten, neem een rotonde en heb geen idee waar ik ben. Ik zie dat ik het supermarkt gedeelte inmiddels heb verlaten. In de buurt van een betaalautomaat parkeer ik mijn auto en loop door een zij-uitgang naar buiten, de sneeuw tegemoet. De helft van mijn net aangeschafte paraplu waait bij het openklappen in een boom. “Goedkoop is duurkoop”, hoor ik niemand zeggen. Ik zie de lampjes in de mast van de theaterboot en loop in een stevige pas met een halve paraplu naar mijn doel, een leuk avondje theater op het water. Eenmaal bij de boot aangekomen neem ik de trap naar boven, dan de trap naar beneden en sta opeens in een gezellig, bruin scheepscafé. Ik ben nog op tijd, drink een kop koffie en als beloning voor gedane zaken een glas rode wijn. Precies om acht uur klinkt de scheepsbel en gaan de deuren naar de theaterzaal open. Het spel kan beginnen.

Aan de linkerkant van deze langwerpige ruimte onder in het schip staan twee lange rijen met stoelen. Aan de rechterkant zijn de 2 acteurs en 2 actrices op de onverhoogde podiumdelen met drie draaistoelen in de weer. Uit de luidsprekers klinkt “Just the two of us”. De toneelspelers draaien aan de stoelen, kijken in spiegels die voor de patrijspoorten hangen en vouwen steeds weer keurig handdoeken, die ze om de leuning van de stoelen hangen en er dan af slaan. Vervolgens beginnen ze weer met vouwen. Het geheel oogt als een kapperssalon, maar ik heb geen idee waarom ze dit doen en wat een kapperssalon met het theaterstuk te maken heeft. Later lees ik in een recensie dat ik niet de enige ben die deze scene niet begrijpt. Ik neem plaats op de voorste rij, op nog geen halve meter afstand van het podium. Door de geringe afstand lijkt het of je als publiek ook deel uitmaakt van de voorstelling. Een intieme sfeer in een bijzondere ruimte.

Na de scenes in de kapperssalon begint het het theaterstuk net als bij Woody Allen met een stukje uit de film Casablanca. Rudiger Braun alias Humphrey Bogart  neemt ook de rol van Allans beste vriend Dick voor zijn rekening. Stefan Reschke, de acteur die Woody Allen speelt, lijkt in de verste verte niet op Woody Allen. Dat hoeft natuurlijk ook niet. Hij oogt wel wat onhandig met zijn professor-brilletje en platgestreken haren. Hij is tekstvast maar het ontbreekt aan mimiek, aan de typische Woody Allen bewegingen. Die mis ik. Daardoor wordt er maar weinig gelachen tijdens de voorstelling. Opvallend is dat vrijwel alle dialogen letterlijk uit de film stammen. Enkele scenes worden door een gitaar spelende actrice van muziek voorzien. Aangezien ik de film een dag eerder nog had bekeken, valt het mij op dat enkele teksten zijn aangepast. Bijvoorbeeld als er over een mogelijke vrouw voor Allan wordt gesproken, eentje met een mooi figuur, een flinke boezem en blond haar. De persoon die ze voor ogen hebben is echter niet zo intelligent. Wat ze doet, vraagt Allan. In de film luidt het antwoord dat ze astrologe is, vanavond op de boot is ze danseres in een kooi. Zou de regisseuse gevreesd hebben dat er een astrologe in de zaal zou zitten? Het zou zo maar kunnen, zou Youp van ’t Hek schrijven.

De beste acteerprestatie leverde in mijn ogen Karen Schneeweiß in de rol van Linda. Ze straalde de Linda uit die we uit de Woody Allen film kennen. Actrice Anke Orschinack speelde meerdere rollen zoals een danseres in glitterjurk, Sharon, de assistente van de fotograaf en ook de rol van de ex-vrouw van Allan viel haar ten deel. Ze zette de personages duidelijk neer, maar ze “leefden” niet, de vonk kwam niet over. Dat neemt niet weg dat het een leuke avond was met een gezellig publiek en acteurs die toch in hun vrije tijd repeteerden en veel tijd en energie in het theaterstuk hebben gestopt. Dat vind ik altijd al lovenswaardig. Op weg naar de parkeergarage loop ik door een koude sneeuwregen en realiseer me dat mijn halve paraplu nog op de boot ligt. In de parkeergarage vind ik na drie keer in de verkeerde lift te hebben gestaan eindelijk mijn auto. Op de radio hoor ik berichten over ongelukken door gladheid. Heel voorzichtig verlaat ik Potsdam en rij vervolgens nog voorzichtiger een wit Berlijn tegemoet. Een prachtig slot.

Foto’s van de (eerdere) voorstelling

Van Beckmann tot Warhol

© VG Bildkunst, Bonn 2012

Max Beckmann: Stilleven orchideeën met groene schaal, 1943. Olieverf op linnen. © VG Bildkunst, Bonn 2012

Veel prachtige kunstwerken zijn in bezit van grote bedrijven, waardoor het zelden mogelijk is ze ooit te bezichtigen. De schilderijen hangen vaak in de representatieve ruimtes van het bedrijf of sluimeren ergens in een gesloten depot. Naar aanleiding van het 150-jarig bestaan stelt voor het eerst in de geschiedenis het bekende Duitse chemiebedrijf Bayer haar kunstverzameling aan een breed publiek voor en wel in het Berlijnse Martin-Gropius-Bau in Berlijn. Onder de kunstwerken bevinden zich onder andere schilderijen van de twee bekende Nederlandse cobra-schilders Corneille en Karel Appel. Maar ook Andy Warhol, Max Liebermann, Pablo Picasso en vele, vele andere beroemde kunstenaars zijn van de partij.

De verzameling van Bayer behoort tot de oudste bedrijfsverzameling in Duitsland. Hij werd in het begin van de 20e eeuw in het leven geroepen en bestaat vandaag de dag uit 2.000 kunstwerken van bekende kunstenaars uit de 20e en 21e eeuw. Te zien zijn schilderijen van grote expressionisten waaronder San Francis, Joan Miró, Pablo Picasso, Andreas Gursky, Gerhard Richter, Andy Warhol, Imi Knoebel, jonge kunstenaars en winnaars van de prestigieuze Duitse kunstprijs Ars Viva.

De basis van de verzameling legde Carl Duisberg, die van 1912 tot 1925 als president-directeur het bedrijf uit Leverkussen leidde. Hij liet zichzelf in 1909 door Max Liebermann portretteren. Na de Tweede Wereldoorlog kocht het bedrijf werken die in de smaak vielen en niet al te duur waren. Het doel was niet om de kunst als belegging te kopen maar om de kantoren van de medewerkers ermee op te sieren.

De complete verzameling kan grofweg worden ingedeeld in vier kunsthistorische gebieden. Ze is een afspiegeling van het Duitse expressionisme met werken van Max Beckmann, Ernst Ludwig Kirchner, Emil Nolde, Max Pechstein en Karl Schmidt-Rottluf. Ten tweede omvat het de in Parijs verblijven kunstscene van de eerste helft van de 20e eeuw met werken van George Braque, Marc Chagall, Joan Miró en Pablo Picasso. De schilder Ernst Wilhelm Nay is de grote vertegenwoordiger van de na-oorlogse en informele kunst.

Het zwaartepunt van de verzameling bestaat uit de kunst vanaf de jaren ’70 tot vandaag met werken van schilders van de Amerikaanse westkust zoals Ed Ruscha, David Hockney en Sam Francis. Ook zijn er werken te zien van Martin Kippenberger, Gerhard Richter, Albert Oehlen en Jas Voss. Naast schilderijen biedt de tentoonstelling ook foto’s van bijvoorbeeld Thomas Ruff en Candida Höfer. Daarnaast zijn de grootbeeld-polaroids van Marina Abramovic en Uliva Ulay te bewonderen.

De tentoonstelling in het Berlijnse Martin-Gropius-Bau telt meer dan 240 kunstwerken van 89 kunstenaars. De opening van de expositie is op vrijdag 22 maart. De slotdag is 9 juni 2013.

Von Beckmann bis Warhol
Kunst des 20. und 21. Jahrhunderts
22.02 – 09.06

Martin-Gropius-Bau
Niederkirchnerstraße 7
10963  Berlijn

Woensdag t/m maandag, dinsdag gesloten
Toegang: € 9,- (tot 16 jaar gratis)

Groepen vanaf 5 personen € 6,- per persoon
Meer informatie in het Duits
Meer informatie in het Engels