Arbeidsomstandigheden Zalando opnieuw onder vuur

OLYMPUS DIGITAL CAMERAZalando blijkt hardleers als het om arbeidsomstandigheden gaat. In het distributiecentrum in Erfurt klagen de werknemers onder andere over de zeer strenge bewaking. Als ervaringsdeskundige kan ik me het bericht, dat vandaag op de website van het Duitse opinieweekblad Der Spiegel verscheen, goed voorstellen (update 16/12: Spiegel heeft het bericht van de website verwijderd). De tekst staat wel ‘gedrukt’, in een fragment van de gedrukte uitgave.

Als iemand in de ogen van de chefs te langzaam werkt, dan wordt er van zijn werktempo gedetailleerd verslag gedaan, aldus het bericht. Ik lees ook dat het verboden is om tijdens het werk te zitten. Toen ik bij Zalando werkte mocht ik ook niet zitten, maar dat vond ik persoonlijk niet erg. Ik sta liever acht of negen uur dan dat ik acht of negen uur moet zitten.

In het bericht staat verder dat medewerkers na een jaar dienstverband niet automatisch een vast contract krijgen. Dit hangt af van het aantal dagen dat hij of zij niet aanwezig was én het werktempo, dat dus nauwkeurig wordt vastgelegd.

Het opinieweekblad noemde ook de ZDF-documentaire, die mij vorig jaar in de pen deed klimmen om over de wantoestanden te berichten (dat laatste stond er niet bij). Zalando draait sinds de oprichting in 2008 verlies. Volgens het SPIEGEL-bericht zal binnenkort één van de grootste pensioenfondsen van Amerika als extra investeerder het internetbedrijf een flinke financiële injectie geven.

Bron: Der Spiegel + Berliner Zeitung

Advertenties

Avondlezing

kellerGisteravond half elf, U-Bahn station Wilmersdorferstrasse. Een jongeman, ik schat hem begin 20, Arabische afkomst, loopt op mij af. Hij draagt een dunne, slobberige, uitgerekte zwarte coltrui boven een grijze, wollen joggingbroek. Een outfit dat je thuis aanhebt als je op de bank de zaterdagavondfilm bekijkt. Hij loopt hier rond alsof dit zijn huis is. Ik hoop dat hij nu doorloopt maar nee, recht voor mijn neus blijft hij staan, op ongeveer een halve meter afstand. Ik kijk hem aan. Hij is ongeschoren, heeft een ingevallen gezicht en half lang haar, zwart, in krullende sliertjes. Of ik wat cocaïne voor hem kan hakken. Dat vraagt hij mij in het Duits. „Ik kan een brood voor je bakken“, antwoord ik spontaan. Vraag me niet waar dit antwoord vandaan komt, ik weet het niet. Dit zijn situaties die zich voor de eerste keer voordoen en daar past alleen een reactie bij die uit het niets komt.

De jongen kijkt verrast en weet niet goed wat te doen. Dan stapt hij opeens naar voren. Ik blijf staan waar ik sta en haal diep adem. Na twee glazen wijn acht ik mezelf nog redelijk nuchter. Wat gebeurt er nu? Rustig blijven. De jongen slaat zijn armen om mij heen, drukt kort zijn lippen in mijn nek en zegt dat ik hem bescherm. Ik laat alles gebeuren als in een film en denk alleen, ik hoop dat hij nu wel doorloopt. Hij loopt inderdaad verder, twee meter. Voor een bankje met een verliefd stelletje twintigers blijft hij weer staan. Hij spreekt ze aan. De verliefden kijken verschrikt, willen eigenlijk weg maar blijven zitten.

Het digitale vertrekbord geeft geen wachttijd meer aan. De metro kan ieder moment het station binnenrijden. De jongen die ik een zelf gebakken brood aanbood praat nu via een apparaatje dat ik ken van mensen die aan keelkanker lijden. Het is een vreemd, ingeblikt computergeluid. Hij speelt ermee alsof het een speelgoedrobot is die hij zojuist cadeau heeft gekregen. Hij zwaait met zijn armen, laat het apparaatje rare geluiden maken, lacht en loopt weer verder. Zou hij keelkanker hebben, verslaafd zijn en enkel nog bewegen tot hij erbij neervalt?  Ik besef dat ik me midden in een dramatische scene op een Berlijns U-Bahn perron begeef.

Waarom vloog hij mij in de armen, vraag ik me af. Vorige week schudde voor een supermarkt een verkoper van de daklozenkrant mij heel lang de hand, het leek alsof hij niet meer wilde loslaten. Het was een Roemeen, die mij vertelde over zijn ellende in Roemenië. Popescu, zei ik. Van Basten, glunderde hij. Voetbal heelt wonden. Ook in Amsterdam, bijna 20 jaar geleden, trad ik onbewust in de wereld van de verslaafden, zwervers en daklozen. Ik liep er altijd eventjes doorheen, net als vanavond. Waarom loop ik altijd eventjes door die wereld, vraag ik me af en stap in de metro naar huis. Ik zit in een voor zaterdagavond rustige coupé. Geen dronken toeristen of agressieve voetbalsupporters maar een doodgewone Berlijnse mix van diverse mannen en vrouwen uit diverse werelden en werelddelen. Iedereen is met zichzelf bezig en dat is ook goed zo.

Ik wil iets over de lezing schrijven, schiet mij te binnen. De lezing die ik bezocht voordat ik het perron van station Wilmersdorferstrasse opstapte. Vanavond las de Zweedse schrijver Lars Gustafsson uit zijn nieuwste roman “Der Mann auf dem blauen Fahrrad. Träume aus einer alten Kamera” voor. De tekst is geïnspireerd op 10 foto’s die zijn vader in de jaren twintig maakte. Het was dat een vriendin mij vroeg of ik zin had om mee te gaan, anders was ik nooit op het idee gekomen om vanavond de Buchhändlerkeller, die geen kelder is, te bezoeken.

Veel te vroeg sta ik al voor de deur van het zaaltje voor literaire lezingen en wacht op de vriendin, die met de fiets zou komen. Mondjesmaat druppelen de bezoekers binnen. Kort voor het begin komt de vriendin aangefietst. We gaan naar binnen. Ik vrees dat het bomvol is, maar dat valt reuze mee. Er zijn nog plaatsen vrij. De laatste keer dat ik hier was las Arnon Grünberg voor. Ik herinner me dat het zaaltje propvol was en het iedereen het erg warm had.

Sinds dat bezoek ga ik er altijd vanuit dat het hier propvol is. Dat heb ik ook bij restaurants. Soms kan ik veel te lang door de stad lopen op zoek naar een eetgelegenheid, omdat in mijn ogen alle restaurants propvol zitten. Dat blijkt vaak op een illusie te zijn gebaseerd. Er is altijd wel plaats voor één persoon. Waarom ik denk dat alle restaurants altijd propvol zitten, dat is voor mij nog een raadsel dat ik ooit hoop op te lossen.

Agneta Blomqvist verschijnt als eerste achter de voorleestafel.  Zij is de echtgenote van Lars Gustafsson. Samen schreven ze het boek “Das Lächeln der Mittsommernacht”. “Ieder z’n eigen hoofdstukken natuurlijk“, legt ze uit. „Dat is goed voor de relatie, samen schrijven“, voegt ze eraan toe. Dan leest ze het eerste verhaal voor. Het zware Zweedse accent zorgt ervoor dat ik het nauwelijks kan volgen. Na een minuut of twintig komt de Zweedse maestro zelf aan het woord. Ik hoop dat zijn uitspraak van het Duits beter is dan die van zijn vrouw, maar mijn hoop blijkt vergeefs. Ook hier luister ik naar een verhaal waarvan veel fragmenten mij niet bereiken. Grünberg sprak daarentegen perfect Duits, maar daar schiet ik deze avond niets mee op.

De sfeer in het zaaltje lijkt op die van het postkantoor bij mij in de buurt. De mensen kijken elkaar zo nu en dan aan, maar blijven wachten. Vanavond wacht iedereen op de persoon die na de lezing een vraag aan de schrijver wil stellen. Aai, ik vind het altijd pijnlijk als het dan zo stil blijft, geen idee waarom. Niemand heeft een vraag. Normaliter kan ik wel een vraag verzinnen, maar ik heb nog nooit iets van Gustafsson gelezen en dus vraag ook ik niets.

Gelukkig stelt iemand voor dat hij dan nog maar een verhaaltje moet voorlezen. De aanwezigen juichen en roepen ‘Zugabe’, want de pijnlijke stilte is doorbroken, hoera, hoera. De blik van Gustafson kan ik niet goed waarnemen. Misschien denkt hij wel  “shit, moet ik nog een verhaal voorlezen.” Zal ik hem dat vragen? Nee. Ik luister naar een verhaal waar ik opnieuw geen touw aan kan vastknopen. Iets met treinen en goederen.

De vriendin biedt mij haar excuses aan. Zij kon de verhalen evenmin goed volgen maar had mij gevraagd om mee te gaan. Ik wuif de excuses weg, want uiteindelijk is het mijn eigen beslissing geweest om de lezing te bezoeken. “En bovendien kun je ook over dergelijke avonden altijd wel een stukje schrijven”, stel ik haar gerust.

Start van De Correspondent: eine ganz andere Liga

tuinIn Nederland heb je diverse nieuws- en opiniewebsites, van behoorlijk links georiënteerd tot behoorlijk rechts georiënteerd. Er zijn websites die behoorlijk brutaal hun berichtgeving naar buiten brengen, andere sites doen het bescheiden en weer andere vooral banaal met veel geschreeuw. Daarnaast heb je nog de reguliere dagbladen, die wanhopig proberen hun oude formule nieuw leven in te blazen, terwijl de lezers allang zijn vertrokken. Ik was heel erg benieuwd wat De Correspondent mij zou brengen. Welnu, na één dag heb ik al één ding vastgesteld: De Correspondent kun je niet met de genoemde sites vergelijken, dat is een belediging. In het Duits zou je zeggen “De Correspondent spielt in einer ganz anderen Liga”.

 Stel, je houdt van een vers broodje met oude kaas, het liefst met een dubbele espresso erbij. Van dit hapje en drankje geniet je heerlijk in je woonkamer of in een gezellig café, misschien met zelfs nog een glas vers geperste jus d’orange binnen handbereik. Je kunt een vers broodje kaas met een dubbele espresso ook op het asfalt in de koude regen langs de snelweg consumeren. Het verschil moge duidelijk zijn. Deze vergelijking kwam vanochtend bij mij op toen ik voor de tweede keer de website van De Correspondent betrad. De omgeving verschilt zo van alle andere nieuwssites, dat je alleen al daardoor de teksten met genot opneemt, zoals het broodje kaas in een gezellig café of thuis, in de eigen woonkamer.

Je logt in, stapt de rumoerige wereld uit en opeens bevind je je in een prachtig landschap, met mooie afbeeldingen, warme kleuren en sympathieke mensen. Het is er heerlijk rustig en op je gemak verken je deze nieuwe omgeving. Je slaat een paadje in en ziet hoe daar iemand ijverig in een tuintje aan het werk is. Er zijn trouwens meerdere tuintjes. Je kunt zo’n tuintje gewoon binnenlopen en eens kijken wat die persoon tot nu toe heeft gemaakt. Terwijl je een stuk leest is de maker van dat werk alweer druk bezig met het fabriceren van een volgend stuk. Je groet de persoon en loopt verder. Er zijn vele tuintjes. Soms tref je in een tuintje een werk aan waar je nu even geen behoefte aan hebt. Misschien later op de dag, hier lijkt tijd geen rol te spelen.

Op deze manier door een digitale krant lopen is werkelijk uniek. Het is een soort meditatieve ervaring. Je leest heel rustig en geconcentreerd een column of een artikel en laat de inhoud daarna tot je doordringen. Het heeft veel weg van de ouderwetse, gedrukte krant waarachter je je kon verbergen om niet afgeleid te worden. Zo voelt dit dus ook. Daarnaast blinken de stukken uit door de overtuigende manier van schrijven. De mensen in de tuin willen iets delen, ze hebben onderzoek gedaan, zijn tot inzichten gekomen en stellen deze inzichten nu aan de bezoekers ter beschikking. En ik heb de indruk dat ze ook nieuwsgierig zijn wat de bezoekers ervan vinden.

Dus ik heb mijn plek gevonden. Het actuele nieuws pik ik via Twitter op en voor de rest zal ik waarschijnlijk vaak bij De Correspondent te vinden zijn. De toon die je tussen de regels van de stukken doorleest is positief en uitnodigend. Dat zegt ook iets over de medewerkers. Ze zijn open en geïnteresseerd. Iedereen heeft zijn of haar interesse in een bepaald vakgebied, er is plaats voor humor, voor kritiek, voor discussie, maar alles met een bewonderenswaardige stijl en empathie.

En daardoor wijkt De Correspondent in positieve zin af van alle andere nieuwsmedia in Nederland. Aangezien de website slechts een paar weken online is, weet ik nu al dat dit een succes is. Waarom? Omdat dit niet te kopiëren is. Je kunt die mensen die daar in hun tuintjes aan het werk zijn niet vervangen door andere mensen. Bovendien zijn de tuintjes zelf al net zo uniek als de mensen die erin werken. Het is werkelijk toevallig dat De Correspondent het woord ‘tuintje’ ook gebruikt, want zonder dat te weten was dat mijn eerste associatie. Een groot park met diverse tuintjes en dat op internet, in Nederland. Dat is uniek, dan speel je echt “in einer ganz anderen Liga”.