Thea’s late geluk

sharpGeconcentreerd zit hij achter zijn bureau.
“Wat zet je in godsnaam in de begeleidende brief?”, denkt hij. Hoe maak je een uitgever duidelijk dat je je verhalen geschikt vindt voor publicatie? Hij denkt diep na en begint te schrijven. ‘Mijn verhalen zijn uit het leven gegrepen en ik denk dat ze de moeite van publiceren waard zijn.’ Hij leest de zin nog eens over en ontevreden verfrommelt hij de brief tot een prop. Het lukt niet.

Na nog enkele mislukte pogingen komt hij op een beter idee. Hij stuurt de verhalen niet per post op maar faxt ze direct naar de uitgeverij. Hij belt uitgeverij De Windvanger op en vraagt naar hun faxnummer. Een meisje aan de andere kant van de lijn reageert alsof hij haar een zeer moeilijke vraag voorlegt. Uiteindelijk, na twee minuten wachten, geeft ze het faxnummer door. Wouter installeert zijn fax, draait het nummer en vol trots ziet hij dat het eerste vel door de fax wordt gedraaid. Hij laat het bij één verhaal. Als ze meer verhalen willen hebben, dan moeten ze dat maar laten weten.

De volgende ochtend wordt hij gewekt door het geluid van zijn fax.
“De uitgever”, denkt hij meteen en gespannen wacht hij af welke boodschap er uit zijn fax rolt.
“Geachte heer Veenman, wij hebben uw verhaal ‘De venijnige puntenslijper’ ontvangen. Wij zijn zeer benieuwd naar andere verhalen die u tot nu toe heeft geschreven. Daarom zouden wij het op prijs stellen als u ons nog enkele verhalen zou kunnen faxen. Met vriendelijke groet en hoogachting, J. Bak, directeur uitgeverij De Windvanger.”
Wouter leest de brief drie keer door. Het staat er echt. Hij kan niet geloven dat de uitgever serieus op zijn verhaal reageert en zelfs om meer verhalen vraagt. Die dag faxt hij nog twee andere verhalen naar de uitgeverij.

Wouter schrijft sinds het verzoek van de uitgever om meer verhalen te faxen iedere dag nieuwe verhalen. Hij voelt zich nu een echte schrijver, hoe dat dan ook moet voelen. Zijn beslissing om geen vaste baan meer te nemen, maar alleen via het uitzendbureau te werken blijkt een goede beslissing. Hij werkt alleen nog maar als hij geld nodig heeft, voor de rest van de tijd stopt hij al zijn energie in het schrijven.

Een week lang moet hij op Schiphol aan een lopende band plateaus van allerlei bekertjes en schaaltjes voorzien. Na die week ontvangt hij een faxbericht van uitgeverij De Windvanger. Binnen een maand zal worden besloten of zijn verhalen voor publicatie in aanmerking komen.

Met bijzondere aandacht leest hij de nieuwste Corrector, een literair tijdschrift waar hij al enkele jaren op geabonneerd is. Normaal bladert hij het altijd even door, maar nu probeert hij de in de Corrector gepubliceerde verhalen te vergelijken met zijn verhalen. Zou bijvoorbeeld zijn verhaal ‘De venijnige puntenslijper’ in een gerenommeerd blad als de Corrector afgedrukt kunnen worden?

Verbaasd leest hij in de inhoudsopgave dat op bladzijde vierentwintig het verhaal “De venijnige puntenslijper” van Thea Hupkes staat afgedrukt.
“Dat is toevallig”, denkt hij en snel bladert hij door naar het verhaal. Met open mond leest hij de eerste regels. Dit kan niet waar zijn. Hoe is het mogelijk? Dit is zijn verhaal. Wouter herkent het meteen. Maar uitgeverij De Windvanger heeft niets met de uitgave van de Corrector te maken. Dat blad wordt uitgegeven door uitgeverij Correct. Wouter pakt een sigaret en denkt na. Wat heeft dit te betekenen. Wie is Thea Hupkes? Hoe komt zijn verhaal bij de Corrector terecht? Hij besluit de uitgeverij van de Corrector te bellen.

“Uitgeverij Correct, met Anja Wielersma, goedemiddag.”
“Goedemiddag, u spreekt met Wouter Veenman. Ik zou graag de hoofdredacteur, de heer Bovenhuizen, willen spreken.”
“Waar gaat het over?”
“In het laatste nummer zijn ernstige fouten gemaakt. Ik wil de heer Bovenhuizen hier direct over spreken.”
“Momentje, alstublieft.”
“Bovenhuizen, goedemiddag.”
“Goedemiddag, mijnheer. U spreekt met Wouter Veenman. Ik bel u naar aanleiding van het laatste nummer van de Corrector. Daar staat een verhaal in dat ik heb geschreven.”
“Dat u hebt geschreven?”
“Ja, de venijnige puntenslijper. Alleen staat er Thea Hupkes onder het verhaal. Weet u hoe dat kan?”
“Wacht even. U zegt dat u het verhaal van Thea Hupkes hebt geschreven. Dat kan iedereen wel zeggen. Als u een lolletje wilt uithalen dan..”
“Ik heb dat verhaal een maand geleden naar uitgeverij De Windvanger gestuurd.”
“Met De Windvanger hebben wij niets te maken. Maar oké, als dat zo is, dan heeft De Windvanger dat verhaal dus een maand geleden al ontvangen.”
“Precies. Daarom wil ik weten hoe die Thea Hupkes aan dat verhaal komt. Dat is mijn verhaal.”
“Ja, even kijken. Thea Hupkes stuurde al eerder verhalen in, maar die hebben we nooit gepubliceerd. Ik moet zeggen dat we verrast waren door dat verhaal over die puntenslijper. Weet u wat. Ik neem contact op met Thea Hupkes en bel u dan zo snel mogelijk weer terug.”
“Daar reken ik op”.

Nog geen uur later belt de hoofdredacteur op. Hij heeft met Thea Hupkes gesproken en die vond de vraag van de hoofdredacteur beledigend.
“Kunt u mij haar adres geven?”, vraagt Wouter. “Ik ben er namelijk absoluut zeker van dat er iets niet klopt.”
De hoofdredacteur geeft hem het adres.
Vervolgens belt hij De Windvanger.

“Goedemiddag, met Veenman. Ik heb een paar weken terug enkele verhalen naar u gefaxt en u faxte mij terug dat u publicatie van die verhalen in overweging zou nemen.”
“Wacht even, zegt u gefaxt?”
“Ja, gefaxt.”
“Wij krijgen nooit verhalen per fax binnen, mijnheer.”
“Maar ik heb toch echt een reactie van u gekregen. Ik heb het hier voor me liggen. Ondertekend door de heer Bak, de directeur.”
“Meneer Bak. Nou, die is hier al een tijdje weg, dus dat lijkt me sterk.”
“U heeft niets van mij ontvangen?”
“Nee, het spijt me, maar ik denk dat u bij het verkeerde adres bent.”
“Maar ik heb hier uw faxnummer.”
“Welk nummer heeft u daar, mijnheer?”
“Even kijken, 020-5123399.”
“Ah, 5123399 zei u. Dan is het duidelijk. Ons nummer is namelijk 5122399.”
“Dus dan heb ik het verkeerde nummer gebruikt?”
“Dat lijkt me duidelijk.”
“Ja, dan heeft iemand anders mijn verhalen gekregen. Nou, dank u wel”.

Hupkes, Hupkes. Wouter bladert door het telefoonboek. Ze staat er niet in. Hij kan niets anders verzinnen dan dat hij aan ene mevrouw Thea Hupkes zijn verhalen heeft gefaxt.
Een telefoontje naar de nummerinformatiedienst is voldoende om erachter te komen dat mevrouw T.H. Hupkes een fax heeft met het nummer 5123399. Wouter weet genoeg. Het adres dat uitgeverij Correct hem gaf blijkt zich op een industrieterrein in Havens West te wonen. En waarom zoekt Wouter niet even via Google, kun je als lezer denken. Wel, dat komt, omdat dit verhaal zich eind jaren tachtig van de vorige eeuw afspeelt. Had de schrijver dat niet eerder kunnen vermelden? Zeker, dat kon hij, maar dat was hij vergeten. Vandaar deze korte toelichting.

Wouter stapt in zijn rode 2CV en tien minuten later bereikt hij via de ringweg het havengebied. Hij kan zich niet voorstellen dat hier mensen wonen. Via de Petroleumweg, de Butaanweg en de Propaanweg komt hij uiteindelijk op het Hexaanpad. Hier moet ze wonen, op nummer dertien.

Wouter parkeert zijn eend bij een grauw, met zwarte roet besmeurd huisje. Rondom deze armoedige woning ligt allerlei troep zoals blauwe vaten met doodskoppen erop, verrotte houten planken en veel metalen buizen. Wouter kijkt eerst naar binnen voordat hij op zoek gaat naar de bel. Hij ziet iemand zitten. Het hoofd van deze persoon ligt op tafel, de armen ernaast.
“Uitgeput van het overschrijven zeker”, denkt Wouter en vastbesloten loopt hij naar de voordeur. De bel werkt nog. Iets dat je niet verwacht bij zo’n totaal afgeschreven krotwoning. Hij hoort niemand bewegen. Hij belt nog een keer. De deur gaat open. Voor hem staat een klein vrouwtje, dat hem met grote verbaasde ogen aanstaart. Hij schat haar een jaar of tachtig.

“Bent u mevrouw Thea Hupkes?”, vraagt Wouter.
De vrouw reageert niet op zijn vraag.
“Wie bent u?”, vraagt ze met een bibberige stem. “Wie bent u?”
“Ik ben Wouter Veenman”, zegt hij luid en duidelijk.
Het vrouwtje kijkt naar de grond en zegt niets.
“Mag ik even binnenkomen, mevrouw Hupkes?”
“Komt u maar binnen, hoor”, mompelt ze en gaat hem voor, de woning in.
Wouter verbaast zich over de armoedig ingerichte woning. Het is er koud en het stinkt naar bedorven voedsel. Op de schoorsteenmantel ziet hij een foto staan waarop de vrouw des huizes samen met een man van ongeveer haar leeftijd staat afgebeeld.
“Mijn man. Hij was tweeënzeventig toen hij stierf. Alweer tien jaar geleden”, zegt ze zonder dat Wouter hierom vraagt. Mevrouw Hupkes neemt plaats in haar oude schommelstoel. Wouter vindt een plekje op het harde oranje tweezitsbankje, dat duidelijk door katten of andere dieren onder handen is genomen.
“Ah”, zegt Wouter. “Ik zie daar de fax staan.”
Hij hoopt maar dat ze hem begrijpt.
“Die is van mijn zuster”, zegt ze. “Ze heeft mij dat apparaat cadeau gedaan.”
Wouter knikt. Onderweg hier naar toe was hij van plan die Thea Hupkes eens flink de les te lezen, maar dit arme vrouwtje leent zich daar niet echt voor.
“De venijnige puntenslijper”, zegt Wouter. “Ik heb de venijnige puntenslijper geschreven.”
Hij ziet dat de vrouw beeft en haar handen in elkaar knijpt. Ze laat haar hoofd wat zakken en snikt. Helemaal in elkaar gedoken schommelt ze zachtjes op haar stoel. Wouter kan het niet langer aanzien.
“Mevrouw Hupkes, u hebt de venijnige puntenslijper niet geschreven. Dat is mijn verhaal.”
Ze kijkt hem even aan.
“Ik vond het zo’n mooi verhaal”, zegt ze. “Ik dacht dat ik het ook wel kon schrijven. Nooit lukt het!”  Ze barst nu opnieuw in snikken uit. Wouter krijgt medelijden met het vrouwtje. Dit is niet de mevrouw Hupkes die hij voor ogen had. Dit is niet een kwaadaardige vrouw die doelbewust een verhaal jat en dat onder haar naam wil publiceren. Deze vrouw is anders. Ze krijgt onverwacht een verhaal in handen en denkt eindelijk eens te kunnen publiceren als schrijfster.
“U mag het hebben”, zegt Wouter. Hij heeft nagedacht en realiseert zich dat hij nog veel meer verhalen kan schrijven. Dit ene verhaaltje mag zij dan hebben.
“Hebben?”, vraagt mevrouw Hupkes. Ze droogt haar tranen en kijkt Wouter aan.
“Ja, mevrouw. Natuurlijk wil ik die andere verhaaltjes terug hebben, maar de venijnige puntenslijper mag u houden.”
Wouter ziet dat ze weer langzaam tot leven komt. Ze lacht nu zelfs een beetje.
“Oh, meneer. Maar ik wilde het eigenlijk niet doen. Ik kreeg het verhaaltje en toen leek het of iemand mij bestuurde. Alles gebeurde van zelf. Ik kon pas weer denken toen ik het verhaal had opgestuurd.”
Wouter kijkt haar begrijpend aan. Hij heeft haar in ieder geval weer laten praten, want dat leek ze amper nog te kunnen.
“Wilt u een kopje thee?”, vraagt ze vriendelijk. Wouter schudt zijn hoofd.
“Nee, dank u. Ik moet weer verder.”
“O, wat aardig van u, mijnheer Veenman. Ik ben blij dat het zo is opgelost. Ik had al nachtmerries dat meneer Veenman mij ’s nachts misschien kwam vermoorden.”
Wouter lacht. Hij voelt zich nu buitengewoon goed in z’n vel zitten. Hij heeft immers iemand zeer gelukkig gemaakt.

Op weg naar huis denkt hij aan het verhaal ‘de venijnige puntenslijper’. Dat verhaal gaat over een oude barones in een groot kasteel. Die mevrouw Hupkes herkende zich wellicht in die barones. De barones was ook klein en grijs, alleen had ze zo veel geld dat ze niet precies wist wat ze er mee moest doen.

Eenmaal thuis aangekomen zet Wouter zich achter zijn bureau. Het bezoek aan mevrouw Hupkes heeft hem zo goed gedaan dat hij meteen aan de slag kan met een nieuw verhaal. Een verhaal waarin niet een barones, maar een armoedige oude vrouw de hoofdrol speelt. De vrouw woont niet in een kasteel, maar in een houten huisje op een afgelegen industrieterrein. En door een toevallige omstandigheid komt ze in het bezit van een stapel gedichten. Ze stuurt enkele gedichten op en prompt worden ze gepubliceerd. Op het einde van de dag is het verhaal af. Wouter twijfel geen moment aan het verhaal. “Als dit verhaal wordt gepubliceerd, dan is de cirkel rond”, denkt hij.

En enkele weken later valt de nieuwste Corrector op de mat. Snel trekt hij de wikkel van het blad, slaat het open en in de inhoudsopgave leest hij tot zijn grote tevredenheid dat “Thea’s late geluk” door Wouter Veenman in het tijdschrift is opgenomen.

Agressie zonder aanleiding

Nog geen 10 minuten geleden schreef ik al dat ik een oud floppy van 20 jaar geleden heb gevonden en dat ik in mijn eigen woorden las dat de politiek in Nederland er destijds net zo beroerd aan toe was als vandaag de dag.

Op de flop vond ik ook een stukje over agressie in de maatschappij. Interessant, want dat onderwerp is nu ook nog redelijk actueel. Ik zet mijn bevindingen van 20 jaar geleden hieronder en dan sluit ik het hoofdstuk “teksten van toen” af en ga weer verder met het schrijven van actuele stukken.

Amsterdam, 1994 – Het lijkt toe te nemen. Mensen die agressief reageren zonder dat daar echt een aanleiding voor is. Ik heb het niet over de misdaden die in de krant verschijnen, maar over agressie op een lager niveau. Agressie in het verkeer, in de supermarkt, op de stoep of in de stationshal.

Eerst een paar voorbeelden. Een gedistingeerd uitziende man staat in de rij bij de kassa van Albert Heijn. De vrouw voor hem wil met een giromaatpas betalen. Ze stopt tweemaal achtereen haar pas verkeerd in het daarvoor bestemde apparaat. De caissière doet voor hoe het wél moet. De vrouw lijkt van haar stuk gebracht en moet nu even flink nadenken, omdat ze niet helemaal zeker meer weet wat de cijfers van haar pincode zijn. En dan begint het. De man achter haar smijt min of meer zijn boodschappen op de band. Hij doet een paar passen naar voren en “loopt per ongeluk” tegen de dame voor hem aan. “Schiet eens op, kutwijf”.

Dit was één voorbeeld. Laatst stond in de stationshal een echtpaar op leeftijd.
“Niet doen, niet doen”, schreeuwde de vrouw en probeerde haar man tegen te houden. Maar het was te laat. De oudere man liep achter een slungelige jongeman aan en sloeg hem met zijn paraplu op z’n rug. Het ontaardde in een ordinaire vechtpartij. Mensen stoven aan de kant en lieten de twee mannen met elkaar vechten. De aanleiding van die vechtpartij ben ik niet te weten gekomen, maar het schouwspel zag er belachelijk uit.

En zo lijkt het alsof veel mensen snel geïrriteerd zijn en zich snel agressief opstellen. De grote vraag is nu: “Hoe komt dat?” Het lijkt er op dat mensen meer dan vroeger voor zichzelf willen opkomen, maar daar niet mee weten om te gaan. Het individualisme neemt toe en velen weten niet wat dat nu precies betekent.

“Je moet je óf verdedigend óf aanvallend opstellen. Zo gaat dat tegenwoordig.” Het is de uitspraak van een man die op straat liep en dacht dat het zo werkte.
“Zo is het nou eenmaal”. Aanvallen en verdedigen dus. Mensen hebben elkaar vandaag de dag niet zozeer nodig, ze staan elkaar eerder in de weg. Althans, zo lijkt het. Maar dan blijft de vraag: “Hoe komt dat?” Zijn er te veel mensen op een te kleine oppervlakte? Wakkeren de media het geweld en de agressie aan? Denken mensen dat assertiviteit gelijk staat aan agressiviteit?

Vragen die serieus beantwoord kunnen worden met een wetenschappelijk onderzoek. Er is natuurlijk al veel onderzoek verricht als het gaat om agressie en hoe mensen met elkaar omgaan. Daarom wil ik op mijn manier een antwoord vinden op de vraag “Hoe komt dat?”

Veel duiven verslaafd aan patat van de FEBO

sduAmsterdam kent al sinds mensenheugenis duiven. Ze vormen een onderdeel van het dagelijkse leven in de stad. De stedelingen zijn gewend aan de duiven en dat geldt ook andersom. Je ziet duiven op de tram, in bushokjes, op auto’s en in snackportieken. Onlangs publiceerde Frits van Bremmel een onderzoeksrapport over de duiven in Amsterdam. Een rapport met opmerkelijke resultaten.

Verslaafd
Bioloog en dierenarts Frits van Bremmel valt het op dat de duiven in de stad steeds meer menselijke trekjes vertonen. Ze raken gewond, lopen wat moeilijk, verongelukken onder auto’s en sommige duiven kunnen gewoonweg niet meer vliegen. Die zitten een hele dag maar stom voor zich uit te kijken vanaf het dak van een huis. Maar wat hem het meest opvalt is de groep verslaafde duiven. Ricardo Mousanava, verkoper bij FEBO in de Leidsedwarsstraat, is een van de mensen die in het onderzoeksrapport aan het woord komt. Hij kijkt niet meer op van duiven in zijn zaak. Waar hij echter wel van opkijkt is het gedrag van de duiven. Er tekent zich een vaste groep duiven af die één ding gemeen hebben: patat. “Ik kan ze zo aanwijzen. Het zijn altijd dezelfde. Iedere dag komen ze even binnen en eten wat restjes friet”, aldus Mousava.

Dierenbeul
Behalve patatverkoper Mousava komen er in het onderzoeksrapport nog meer mensen aan het woord die dagelijks met de duiven in de stad te maken hebben. Eén van die mensen is een kwade buurman, die het dagelijks met zijn buurvrouw van drieëntachtig aan de stok heeft. “Iedere dag gooit ze allerlei broodkorsten en appelschillen uit het raam. Nou, dan zit die hele horde duiven weer op de stoep. Maar het is niet normaal. Duiven zijn vogels en vogels moeten zelf voor hun eten zorgen.” De buurman kwam een keer naar buiten om alle etensresten bij elkaar te vegen. “Dan blijkt dat veel mensen niet beseffen dat een duif zelf voor zijn eten moet zorgen. Ik werd bedreigd door allerlei boze buurtbewoners, want ik gunde het oude vrouwtje haar plezier met de duiven niet. Bovendien werd ik voor dierenbeul uitgemaakt. Ik een dierenbeul? Wat dat omaatje doet, dat is het werk van een dierenbeul! Die duiven worden zo vet dat ze amper nog kunnen vliegen.”

Ziektes
Volgens Van Bremmel loopt de gezondheid van de mens gevaar. “De duif is amper nog een dier te noemen. Door de troep op straat zie je dat een toenemend aantal duiven met verwondingen rondloopt. En er heersen de meest vreselijke ziektes onder de duiven. Dat komt door het eetpatroon. Ze eten beschimmeld brood, likken blikjes kattenvoer leeg of pikken een graantje mee uit de uitwerpselen van een hond. Je ziet steeds meer dode duiven op straat. Laatst zag ik een klein jongetje met zijn vinger in zo’n dode duif peuteren. Ik hoef denk ik niet uit te leggen dat zoiets schadelijk is voor de gezondheid van de mens.”