Wapengekletter op papier

Vandaag is de Nederlandse schrijver Hugo Brandt Corstius (78) overleden. In dag- en weekbladen ging de man vaak flink te keer. Oud-minister van financiën Ruding noemde hij ‘de Eichmann van onze tijd’, oud-premier Biesheuvel ‘een ontstellende slijmjurk’, de ministers Udink, Geertsema en Veringa noemt hij achtereenvolgens ‘debiel’, ‘opgeblazen’ en ‘zielepieterig’.

Dit herinnerde ik mij vandaag, omdat ik in april 1996 een stuk schreef over columns en polemiek. Het essay heette “Wapengekletter op papier” en staat hieronder.

Wapengekletter op papier

Vriendelijkheid in de literaire kritiek leidt alleen maar tot slechte boeken. Goede boeken zijn niet de boeken die vernuftig in elkaar zijn gezet, maar welke iets te zeggen hebben en daardoor de persoonlijkheid van de schrijver uitdrukken. De vorm is ondergeschikt aan de inhoud: wat gezegd wordt, moet ‘gewoon’ gezegd worden, niet in een of andere literaire kunsttaal.”

Bovenstaande opvatting is letterlijk opgeschreven door H.A. Gomperts en heeft betrekking op de criticus Menno ter Braak en de criticus, dichter en romanschrijver E. du Perron. Het jaar is 1932. Beide heren verkondigden hun meningen in het bekende tijdschrift Forum. De stukken van Ter Braak en Du Perron zijn altijd uiterst kwaadaardig, maar toch ook steeds elegant, spits en sportief. Ze vielen alles aan wat in hun ogen tweederangs was: de Nederlandse zelfgenoegzame volksaard die Du Perron aanduidde met “Jan Lubbes”, de impressionistische woordkunst, de streekroman, de boeken met een ethische ‘boodschap’ en het hoogdravende gepraat over kunst. De heren trokken ten strijde op papier en dat is wat een polemiek een polemiek maakt: een pennestrijd.

Hugo Brandt Corstius schrijft over prins Bernard: ‘Een man die het liefst een vliegtuig in een Zuid-Amerikaans bordeel zou verkwanselen’. Politici noemt hij ‘Haagse ratten’, die ‘zich volvreten ten koste van de bijstandstrekkers’. NOS-verslaggever Hugo van Rhijn is volgens hem een ‘huurmoordenaar’ en een ‘fascist’, oud-minister van financiën Ruding ‘de Eichmann van onze tijd’, oud-premier Biesheuvel ‘een ontstellende slijmjurk’, de ministers Udink, Geertsema en Veringa noemt hij achtereenvolgens ‘debiel’, ‘opgeblazen’ en ‘zielepieterig’, Beatrix en Claus zijn ‘twee uitgedroogde rozijnen’. Enzovoorts, enzovoorts.

Gerrit Komrij schrijft achterin zijn boek Horen, zien en zwijgen (1977) een zogenaamd “Vergeetregister”:
ABRAHAM, VADER. Zanger. Weeë liederen, valse kop, wraakzuchtige inborst. Volksheld dus.
HENK VAN DER MEYDEN. Journalistieke dief, werkzaam bij de Telegraaf. Verzamelt poppen en hult zich ’s avonds op zijn flat in ragdunne dameslingerie; vocabulaire van driehonderd woorden.
ZANGERES ZONDER NAAM. Zangeres. Mag geen naam hebben.

En zo zijn er talloze voorbeelden van schrijvers die andere mensen in hun geschriften onderuit halen. Zo noemde Hermans de dichter-essayist J.B. Charles een “literaire gorilla”, Renate Rubinstein een “oud blind grootmoedertje” en “kleine ondeugd”, en de dichter H. van Galen Last steevast “Van Gal en Last”. Over professor Gomperts, hoogleraar Nederlandse Letterkunde te Leiden en volgens Hermans “de echoput van Ter Braak en Du Perron”, schreef hij: “Zodra ik vind dat mijn naam weer in de krant moet, trap ik op Gomperts, niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een trambestuurder trapt op de bel.”

Maar er werd natuurlijk ook terug gescholden. Gomperts noemde hem een “beerput” en een “kinderachtig kwakertje dat in zijn opwinding nog het meest doet denken aan Donald Duck.” J.B. Charles zei dat Hermans “stellig gerekend moet worden tot de beste 321 dichters die Nederland heden ten dage heeft” en Van Galen Last vond hem “de grootst levende prozaschrijver van Groningen.”

Uit al deze voorbeelden blijkt dat de polemiek altijd twee partijen telt en dat er zo nu en dan op het scherpst van de snede wordt geschreven. Voor de één kan een stuk bijzonder komisch zijn, maar voor een ander kan hetzelfde stuk bijzonder kwetsend zijn. Jan Blokker zegt in een interview dat de polemische columnist voortdurend grensjes verlegt. “De één zal dat voorzichtiger doen dan de ander”, aldus Blokker.

Er zijn in de afgelopen jaren nogal wat columnisten voor de rechter verschenen in verband met het aanvallen van personen of instituten. Bij de kort gedingen blijkt dat de rechter rekening houdt met de min of meer ‘literaire’ aard van de column. Een columnist mag sterke bewoordingen gebruiken, overdrijven, simplificeren, insunueren, altijd binnen het kader van het algemeen belang.

Maar mag je in je column iemand met Hitler vergelijken? Leo Derksen van de Telegraaf associeerde Frits Bom met Hitler en hij erkende die associatie ‘doelbewust te hebben willen opwekken’. Persoonlijk vind ik dat een schrijver mag schrijven wat hij wil. Een makkelijk standpunt, maar ik kan niet beoordelen waar in een polemisch stuk de grenzen moeten liggen, althans, niet in z’n algemeenheid. Als iemand in zijn column de naam Hiltler gebruikt, dan hangt het van de context af of die naam wel of niet gebruikt kan worden. In het geval van Leo Derksen vond de rechter dat de columnist te ver was gegaan en Derksen werd veroordeeld. ‘De herinnering aan de Tweede Wereldoorlog is bij velen nog te levendig om het in relatie brengen van iemands persoon met de figuur van Hitler, anders dan in zeer uitzonderlijke en evidente gevallen (…) te kunnen rechtvaardigen’, aldus de rechter. Maar wat schreef Derksen dan precies? “Bom, die op de mestvaalt pas tot volle bloei komt, zoals de geschiedenis ons telkens weer figuren toont, voor wie onlustgevoelens de kweekbak zijn voor hun glorieuze opkomst, geniet zichtbaar van deze ellende. Hier voelt hij zich thuis als een vis in het water. Voor deze mensen is hij de Grote Leider, wat in het Duits Führer betekent, maar ja, elke taal heeft zo zijn eigen grapjes.”

Naar mijn mening had Derksen niet veroordeeld hoeven worden. Hij associeert Bom weliswaar met Hitler, maar de manier waarop hij dat doet vind ik toelaatbaar. Het was anders geweest als Derksen had geschreven dat Frits Bom een pleitbezorger van concentratiekampen is, dat hij het arische ras in stand wil houden en dat daarom allerlei andere rassen uitgemoord moeten worden. Dan ga je te ver, want dan maak je iemand letterlijk uit voor een beul, een massamoordenaar, een fascist. Wat Derksen volgens mij duidelijk wilde maken is dat hij het optreden van Bom gevaarlijk vindt, omdat zo’n optreden misbruik maakt van de ellende van de medemens. Daar kun je het wel of niet mee eens zijn. Ik kan de invalshoek van Derksen in ieder geval wel begrijpen, alleen zou ik me niet zo druk maken over het zogenaamde gevaar van ene Frits Bom.

De polemiek kent eigenlijk drie partijen, want wat is een polemiek zonder publiek? Gerrit Komrij zegt in een interview dat het publiek ervan geniet als een polemische columnist zijn tegenstander omsingelt, uitkleedt en vervolgens vermoordt. “Het publiek schept een heimelijk genoegen in vernedering en bloedvergieten. Leedvermaak en voyeurisme beantwoorden aan de kwaadaardigheid en onbetrouwbaarheid van het publiek”, aldus Komrij. Maar volgens mij onderschat hij het publiek, dat vaak twijfelt aan de morele betrouwbaarheid van de polemische columnist. Neem nou Theo van Gogh. In HP/De Tijd las ik een ingezonden brief, waarin de afzender duidelijk maakt niet langer gediend te zijn van de smakeloze stukjes van Theo van Gogh en dat hij daarom besluit zijn abonnement op te zeggen. Dit gevaar dreigt natuurlijk voor iedereen die zich van de polemiek bedient. Een polemist kan zich veel veroorloven, maar kan niet zijn publiek verspelen.

Tot nu toe heb ik het alleen over de polemische column gehad, maar er zijn natuurlijk nog andere methoden om iemand op papier aan te vallen. De recencent kan iemand aanvallen in zijn recensie, de essayist kan ten strijde trekken in zijn essay en de journalist kan iemand onderuit halen in zijn (opiniërend) artikel. En iemand die zich aangevallen voelt kan in plaats van naar de rechter ook naar de Raad van Journalistiek stappen. De klager die naar de Raad van Journalistiek stapt moet zich er echter wel rekenschap van geven dat het college geen sancties kent. Een voorbeeld: In een recensie in Het Parool van het boek “Wie is van licht?” van Jan Foudraine beticht recensente Fortuin de auteur van leugens en schrijft zij onder meer: “Die Foudraine is inmiddels als Amrito zelf een kwakzalver geworden, maar draagt nog steeds de titel psychiater. Mag dat?” Foudraine klaagde Fortuin aan bij de Raad van Journalistiek. De Raad oordeelde dat in de bespreking voldoende wordt onderbouwd waarom naar de mening van Fortuin Foudraine zich schuldig maakt aan leugens. De aanval van Fortuin op de betrouwbaarheid van Foudraine als psychiater acht de Raad echter niet van behoorlijke argumenten voorzien.

Artikelen in kranten kennen hun eigen criteria. In bijna iedere krant heb je het Commentaar; een stuk waarin de journalist (min of meer namens de krant) commentaar geeft op bepaalde zaken. Dan heb je nog de berichten in grappige en/of maatschappijkritische rubrieken. In de Volkskrant is dat bijvoorbeeld de rubriek Dag in Dag uit. In die rubriek schreef een journalist dat Drs. P op een school lucifersdoosjes uitdeelde, voorzien van de oproep zijn plaat voor 19 gulden te kopen. De plaat liet na bestelling eindeloos op zich wachten en bleek toen ook nog veel duurder te zijn. Onjuist was, dat Drs. P zelf de luciferdoosjes had uitgedeeld; dat had een leraar gedaan. De zanger verweet de krant onzorgvuldigheid en een ‘lasterlijke intentie’. De Raad voor Journalistiek oordeelde dat er geen sprake was van een onbehoorlijke journalistieke gedraging. In haar betoog maakte de Raad duidelijk dat de rubriek “Dag in Dag uit” een rubriek is welke zich qua stijl en inhoud aandient als een enigszins kritische en badinerende rubriek.

Wat is precies een badinerende rubriek en waar liggen de grenzen van de vrijheid van de columnist? Mag je iemand een fascist noemen, mag je iemand associëren met Hitler? Het zijn allemaal vragen waarop ik geen pasklaar antwoord heb. Eerder schreef ik al dat bij een antwoord op dit soort vragen tal van omstandigheden een rol spelen. De context waarin iets wordt gezegd, het medium waarin het wordt geschreven, de rubriek waarin het wordt geschreven, de functie van degene die aanvalt, enz., enz. Als iemand zich in een stuk voelt aangevallen, dan kan hij of zij in de tegenaanval gaan door een stuk terug te schrijven. Hij kan de kritiek ook over zich heen laten gaan én hij kan naar de rechter stappen. Dat zijn de mogelijkheden en daar zal denk ik geen verandering in komen. De polemiek kan een sierlijk steekspel zijn of noeste arbeid met een houweel. Zij kan onduidelijkheden verhelderen of bepaalde politieke uitspraken aan de kaak stellen. Maar het is onmogelijk precies de grens tussen ‘politiek of sociale kritiek’ en ‘belediging, smaad en laster’ bij de polemiek vast te stellen. Dat is maar goed ook, want anders krijg je achttiende-eeuwse toestanden, waarin politieke kritiek of openbaarmaking van feiten die de overheid in een kwaad daglicht stelden, simpelweg gedefinieerd als smaad. Dat was wel zo eenvoudig, maar niet zo democratisch.

Deze tekst verscheen later ook op de opiniepagina joop.nl.

Schrijven met de schulpmethode

De schulpmethodeOnlangs was ik in Amsterdam om er een Nederlandse schrijver te interviewen. Door de voorwaarden die hij aan het gesprek stelde wist ik op voorhand dat het een heel bijzonder interview zou worden. De man schreef veel boeken maar toch kun je hem geen bekende schrijver noemen. Hij heeft geen contact met zijn collega-schrijvers, bezoekt nooit zijn uitgeverij en van interviews moet hij niets hebben. De media kennen hem nauwelijks. Geen enkele krant of televisiezender zit om een interview met hem verlegen. Juist dat fascineerde mij en daarom wilde ik hem bezoeken. Zijn boeken heb ik allemaal gelezen. Vooral de bundels met korte verhalen vind ik bijzonder goed. Enkele romans zijn wat aan de taaie kant, maar goed, dat maakt de man ook menselijk. Hij is geen computer die altijd perfecte boeken produceert.

Vanuit het Centraal Station wandel ik naar de Prins Hendrikkade. In mijn herinnering bevindt zich hier een grote esoterische winkel met café en restaurant, ooit in het leven geroepen door een telg uit de kruideniersfamilie Heijn. Hoe heette die zaak ook alweer? Iets met Oibibi, Oibobi. Ik bekijk de gevels. Nergens zie ik iets wat op Oibobi of Oibibi lijkt. Mijn laatste bezoek aan die zaak was begin jaren negentig, dus de kans is groot dat het bedrijf intussen is opgedoekt.

-Pardon?
-Ja?
-Ja, nu rijst toch de vraag; waarom zoek je dat niet even op met Google, dat van dat Oibobi of Oibibi?
-Het antwoord; op dat moment beschikte ik niet over Google.
-Nu rijst de tweede vraag; dan kun je het nu toch wel even opzoeken en aanpassen?
-Het antwoord; nee. Dat laat ik aan de lezer over.

Ik wandel verder en geniet van de novemberzon die voor een opgewekte dinsdagochtend zorgt, zo eentje waarop de mensen om je heen vriendelijkheid uitstralen, vogels vrolijk fluiten en de geur van verse koffie uit de cafés opmonterend werkt.

Droogbak. “Een rare naam voor een straat” gaat het door mijn hoofd. De Droogbak is kort en voor ik er erg in heb loop ik door de Haarlemmer Houttuinen. “Het lijk in de Haarlemmer Houttuinen“. Ik gedachten heb ik dat boek voor ogen, de eerste Grijpstra en de Gier detective van JanWillem van de Wetering (de hyperlinks in digitale columns  hebben ‘de column’ revolutionair veranderd, maar daarover een volgende keer meer). Ik loop verder en sla de eerste de beste zijstraat in, op weg naar de Haarlemmerstraat, de straat waar de schrijver woont. Zijn naam mag ik van hem niet op mijn blog verraden noch zijn complete adres. “Maar Haarlemmerstraat is oké, niemand weet dat ik daar een woning heb.”

De derde bel van onderen met daarnaast een met de handgeschreven letter A, daarop moet ik volgens zijn per e-mail verstuurde instructies drukken. “Die A heb ik er voor jou neergezet. Na je bezoek gum ik de letter weg en is de bel weer gewoon een bel, zonder wat voor letter dan ook”, schreef hij. Ik druk op de bel. Vijf seconden later hoor ik een luide klik; de deur wordt opengetrokken. Ik herken het klikgeluid van vroeger, het geluid dat iemand maakt die vanaf een bovenverdieping aan een touw trekt dat met de schuif op het slot van de voordeur is verbonden. Dat touw hangt bungelend tussen de trapleuning en de wand van de gang. Een heel simpel systeem wat ik in het buitenland nog niet ben tegengekomen. En natuurlijk hoort bij dit deursysteem een enorm steile trap, die ik met met veel krachtsinspanning bestijg.

Het interview is een bijzonder interview, omdat ik de tekst niet in zijn geheel mag publiceren. Ik mag alleen iets schrijven over zijn manier van schrijven, want dat fascineert me. Zo hebben we dat afgesproken. De schrijver blijkt een onopvallende lange, dunne man van rond de 60 met kortgeknipte grijze haren en een zilverkleurig ziekenfondsbrilletje op zijn neus. Hij gaat mij voor de woonkamer in.
“Je kunt bijvoorbeeld schrijven dat ik een schulp nodig heb. Als ik schrijf, dan schrijf ik in een enorme schulp.”
Ik sta in de kamer met de houten planken vloer, een hoekje met een keukentje en een enorm bureau met papieren, computer, beeldscherm en natuurlijk het toetsenbord met de muis.
“Een schulp?”, herhaal ik.
Hij knikt.
“Maar ik kruip ik er niet in, ik ben niet bang”, vervolgt hij. “Zoals je weet is een schulp niets anders dan een schelp.”
Ik kijk omhoog en zie nu pas dat aan het plafond een enorme schelp hangt, een deksel van een schelp die zeker acht  meter lang en vier meter breed is. Zoiets heb ik nog nooit gezien.
“Dat is de schulp?”, vraag ik en wijs naar boven.
“Dat is ‘m. Nergens op de wereld bevindt zich een exemplaar van deze afmeting of groter. Hij is speciaal voor mij gemaakt”
Nu knik ik.
“En die heeft u nodig als u gaat schrijven?”, vraag ik.
“Het interview is al begonnen?”
“Ja, wat mij betreft wel. U schreef dat ik het niet mocht opnemen, dat het een gesprek zou worden en dat ik daarna maar moest zien hoe ik daar een stukje van maak.”
“Zo is het. Maar dat is niet kwaadaardig bedoeld, ik wil alleen achteraf niet aangesproken worden op letterlijke citaten. Zoals ik al zei geef ik nooit een interview en wel om de doodeenvoudige reden dat ik mezelf heel snel verlies bij een interview. Dat heb ik je ook geschreven. Interviewers willen iets uit mij halen wat ik niet prijs wil geven. Ik moet als schrijver altijd bij mezelf blijven. Dat kan alleen in deze schulp. Niemand anders komt in deze schulp. Jij bent de eerste persoon buiten mezelf die deze schulp ziet, omdat ik de behoefte voelde toch iets over mijn schrijfmethode te vertellen. Maar ik woon hier niet. Als ik niet schrijf, dan leef ik een onopvallend burgerlijk bestaan in een ander deel van de stad.”
“Ah, dat wist ik niet. Dan is deze schulp dus een soort atelier?”
“Zo zou je het kunnen zien. Als ik schrijf, dan is het hier, in deze schulp.”
“En heeft u dan een vast schema, schrijft u hier bijvoorbeeld iedere ochtend of iedere avond?”
“Dat weet ik niet van tevoren. Zoals ik al zei, ik leef buiten de schulp. Soms word ik overvallen door zinnen. Vorige week bijvoorbeeld. Ik liep naar de supermarkt en opeens waren ze daar. Niet zomaar wat losse zinnetjes of een paar bijzinnen, nee, machtige, geweldige volzinnen! Het was een onverwachte, heftige overval. Op dat moment rende ik naar mijn schulp om die volzinnen meteen op te schrijven. Die dag heb ik zeven uur achter elkaar geschreven. Gelukkig kent de stad nachtwinkels, want na het werk was de supermarkt gesloten.”

Ik luister met verbazing naar zijn verhaal. Wat een merkwaardige manier van schrijven houdt hij erop na. Maar wel interessant voor mijn blog natuurlijk. Wat kan ik nog meer vragen? Geen privéleven, had hij gezegd. Ik probeer het toch gewoon.
“Tja. Geen privéleven vragen, dat schreef u…”
“Dat klopt. Ik wil alleen even de schulp laten zien en hier tekst en uitleg bij geven. Al het andere is irrelevant. Je kunt mijn manier van schrijven de schulpmethode noemen. Andere schrijvers houden er andere methodes op na, iedereen schrijft op zijn of haar eigen manier en dat is ook prima zo. Een korte uitleg over de schulpmethode wil ik wel wereldkundig maken maar niet aan de grote klok hangen. Niet groots in de media, maar ergens onopvallend. Daarom kwam jouw verzoek op het juiste moment. Als jij er nu een stukje over schrijft, dan is het weliswaar voor de hele wereld toegankelijk maar de tekst zal alleen gelezen worden door mensen die het stuk toevallig vinden. En dat past ook bij de schulpmethode.”
“Dat begrijp ik niet helemaal?”
“De schulp is altijd bereikbaar, ik kan er altijd in. Dat geldt ook voor het stukje dat je schrijft. Dat is de eerste overeenkomst. Jouw blog is immers ook altijd toegankelijk, je kunt er altijd in. Ten tweede, de schulp zoek ik nooit doelbewust op. Ik leef buiten de schulp. Alleen als de zinnen komen, dan ontstaan in mijn lichaam een soort chemische reacties die mij naar de schulp drijven, die mij dwingen tot schrijven. En ook hier gaat de overeenkomst met jouw bijdrage op. Niemand zal ooit doelbewust naar een stukje over de schulpmethode zoeken. Hoe kun je doelgericht zoeken naar iets waarvan je het bestaan nog niet kent? Alleen als iemand zich door een soort chemische reacties in zijn lichaam opeens gedreven voelt om naar het woord schulpmethode te zoeken, dan vindt hij die methode ook. Hij is uniek en staat dus alleen op jouw blog. Dat is de overeenkomst tussen mijn manier van schrijven met de schulpmethode en het stukje dat jij erover schrijft.”

“Word dronken”

’Word dronken (Enivrez-Vous)’, schreef Baudelaire op 7 februari 1864 in de Figaro. Dat was deze maand dus precies 150 jaar geleden.

Een goede reden om hier even bij stil te staan en te luisteren naar de voordracht van Johnny van Doorn, die een groot liefhebber was van deze tekst en zijn versie altijd graag ten gehore bracht.