Graffiti meets infinity

Berlin Kreuzberg, Züllichauer Straße

De Japanse tuin

Dit bordje kwam ik overal tegen

Dit bordje kwam ik overal tegen

Vandaag was weer zo’n dag om de stad te verlaten en de prachtige natuur rondom Berlijn te ontdekken. Havelaue is de naam die ik in mijn navigatie-apparaat typ. Volgens internet ligt het in een mooi natuurgebied. Nu moet ik eerst afwachten hoe het apparaat mij de hoofdstad uitloodst.

Dat is vaak een tijdrovende bezigheid. Gelukkig ligt vrijwel iedereen op deze zondagochtend nog op één oor en verlaat ik zonder problemen stadsdeel Kreuzberg. Onderweg sta ik nog oog in oog met de Gedächtniskirche, die ik volgens mij al een jaar lang niet meer heb gezien. Dan gaat het richting Kantstrasse, Masurenallee en Heerstrasse. Dit is een heerlijk lange weg. Leuk op een zondagochtend maar minder leuk op een doordeweekse dag, als ook nog eens alle stoplichten op rood springen.

Aan het einde van de Heerstasse, bij Mc. Donalds, rij ik dan over de Hamburger Chassee echt Berlijn uit. Ik blijf lange tijd op de Bundesstraße 5 en rij door vervallen dorpjes waar de enige bron van inkomsten de flitspaal lijkt te zijn. Ook tussen de dorpjes, waar vaak de maximumsnelheid van 80 km/uur geldt, staan de flitspalen her en der verdekt opgesteld. Met dit mooie weer heb ik geen enkele behoefte om sneller dan 80 te rijden, maar ook niet heel veel langzamer, in een tempo waar de beruchte zondagsrijder patent op heeft.

Na ongeveer twee uur rijden sta ik aan de Gülpner See. Het valt me op dat hier, maar ook in de omgeving van dit prachtige natuurgebied, bijna geen mensen onderweg zijn. Het meer is mooi maar nodigt niet uit tot een lang oponthoud. Te veel wind, te veel schaduw en bovendien zijn veel stukken met hekken afgezet. Op weg hier naartoe zag ik een bord met de tekst Japanischer Garten. Dat lijkt me leuk. Mijn navigatie-apparaat kent veel bezienswaardigheden in de omgeving maar van de Japanse tuin heeft hij nog nooit gehoord. Dus omkeren en dezelfde weg terug, op zoek naar het bord. En op zoek naar het dorp met de onwaarschijnlijke naam Ohnewitz, want dat naambord wilde ik nog fotograferen.

Voor mij doemt een prachtig bos op en ik zie een groot vliegtuig op een grasveld staan. Het is een zeer ongebruikelijke plek voor een groot vliegtuig en dus wijk ik even van de route af. Natuurlijk zet ik het vliegtuig op de foto. Ik rij verder en stap uit om te voet van de prachtige natuur te genieten. Na een kort wandelingetje besluit ik om terug te rijden, op zoek naar de Japanse tuin.

Na een kilometer doemt hij weer op, het bord Japanischer Garten.  Ik sla linksaf en rij over een hobbelige, smalle weg naar het einde van de wereld, althans, daar heeft het alle schijn van. Ik hou van dit soort tochten waar je niet weet waar je belandt. Vorig jaar rond deze tijd van het jaar hield ik ook een dergelijke tocht, alleen aan de andere kant van Berlijn.

Terwijl ik hier over een verlaten weg vol gaten rijd, drink ik in gedachten al een kop thee met een paar Japanners in hun Japanse tuin. Buiten mijn gedachten, dus min of meer in de realiteit, zie ik kapotte fabrieken en verwaarloosde erven van voormalige agrarische bedrijven. Ik twijfel opeens of dit niet een grap is. Ik zie in de verste verte geen Japanse tuin. Misschien rij ik via allerlei omwegen dwars door de deelstaat Brandenburg en volg nog steeds het bordje Japanischer Garten. Dan eindig ik bij de luchthaven Tegel, voor het kantoor van Japan Airlines, waar een vriendelijke Japanner mij een reis aanbiedt naar Japanischer Garten.

Vol op de rem, want ik rijd over een prachtig kanaaltje. Zo prachtig dat mijn voet op de rem schoot en ik een minuut later het Rhinkanal fotografeer. Een kilometer verder sta ik weer op de rem, maar nu niet vanwege een kanaal. Het is het bord Japanischer Garten, dat naar rechts wijst. Nu ben ik wel heel benieuwd waar ik uitkom, want ik rij hier echt door de middle of nowhere, groet wat op harken leunende boeren en dan zie ik weer een bordje Japanischer Garten.

Eindelijk, na 500 meter heb ik mijn doel bereikt. Nee, geen Ossie met een Bonsai-moompje in de vensterbank, het lijkt erop dat zich hier echt een Japanse tuin bevindt. Parkeren is geen probleem, want er is niemand. Ik stap uit en loop naar de deur waar het bord Geschlossen op hangt. Achter die deur bevindt zich dus de Japanse tuin. Ik neem wat foto’s, pak mijn notitieblokje en schrijf de naam van de website van de Japanse tuin op. Ik doe alles opzettelijk heel langzaam, want misschien komt er iemand uit het huis naast de tuin en laat mij naar binnen. Whishfullthinking, want er komt niemand naar buiten.

Oké, nu nog naar Ohnewitz en dan heb ik weer genoeg natuurbalsem voor de ziel binnengehaald.  Ohnewitz zet ik op de foto en daarna maak ik nog een korte tussenstop bij de Kleßener See, een prachtig meer waar ook geen mens te bekennen is. Waar zou iedereen zijn? Op de heenweg zag ik nog massa’s mensen op een parkeerplaats bij een winkelcentrum. Op de terugweg zie ik dat het op de parkeerplaats nog steeds druk is.

Eenmaal thuis raadpleeg ik Google en zie dat de drukte te maken heeft met de antiek- en rommelmarkt. Eerlijk gezegd bezoek ik liever een rommelmarkt in het centrum van Berlijn en loop daarna nog een leuk cafeetje binnen. Maar goed, een rommelmarkt op een kale parkeerplaats van een gesloten winkelcentrum, er zijn ook veel mensen die daar liever heengaan. Voor elk wat wils.

Leven voor de geboorte

Een bericht uit een Duits tijdschrift vertalen en vervolgens de tekst op je blog publiceren. De ene keer gaat de Duitse redactie enthousiast akkoord met het voorstel, de andere keer wordt er vanwege de vele auteursrechten en richtlijnen erg moeilijk gedaan. Dat laatste was het geval bij het opinieweekblad Der Spiegel. Maar goed, ik mag natuurlijk wel in mijn eigen woorden over het onderwerp schrijven en één of twee citaten gebruiken. Die werkwijze pas ik in dit geval toe bij het artikel “Leven voor de geboorte” (Leben vor der Geburt).

“Kinderen geloven intuïtief, ze waren er al vóór de geboorte – als lichaamsloos wezen, de ene keer gelukkig, de andere keer verdrietig, en weer een andere keer bezield van de voorpret bij het leven op aarde”. Met die zin opent het artikel in Der Spiegel van begin februari. Ik kreeg het stuk onder ogen tijdens het middageten bij het Indiase restaurant bij mij aan de overkant. Deze locatie is niet belangrijk, maar het maakt de berichtgeving wat persoonlijker. Stel dat de dame van de afdeling auteursrechten meeleest.

Het stuk is een kort bericht (225 woorden) over de resultaten van een onderzoek, verricht door de Amerikaanse psychologes Natalie Emmons en Deborah Kelemen van de Boston University. Ze ondervroegen stadskinderen in Ecuador over de periode voordat ze in de buik van hun moeder waren. Of ze al iets merkten. Sloeg hun hart, waren ze gelukkig? Volgens het artikel was het voor de meeste kinderen duidelijk dat ze in die periode biologisch nog niet bestonden. Nu citeer ik even: “Maar gevoelens, zo geloofden ze, hadden ze al – en zeker wensen: dat de moeder zwanger wordt, dat ze de moeder leren kennen.”

In het bericht lees ik verder dat in Ecuador het geloof in een lichaamsloze ziel bij kinderen in de leeftijd van zeven tot acht jaar het meest verbreid is. “Maar zelfs van de elf- en twaalfjarigen is altijd nog de helft hiervan overtuigd.” Een soortgelijk onderzoek in de regenwouden in het Amazonegebied leverde volgen het weekblad min of meer dezelfde resultaten op. Hiermee wordt dus aangetoond dat de resultaten niet afhankelijk zijn van de cultuur.

Het was al bekend dat kinderen het aannemelijk vinden dat de ziel na de dood verder leeft. Dat deze nu ook al vóór de geboorte bestaan zou hebben, dat duidt volgens het artikel op een aangeboren voorkeur voor deze theorie. “Aan een religieuze omgeving kan het niet liggen – daar speelt de prenatale ziel geen rol, napraten valt dus weg”, aldus de slotzin van het bericht, dat ik niet voor dit blog niet in zijn geheel letterlijk mocht vertalen.

Bron: Der Spiegel, uitgave 6