Rem Koolhaas’ ontwerp tot zondag te zien

Het toekomstige Axel Springer gebouw, ontworpen door Rem Koolhaas

Het toekomstige Axel Springer gebouw, ontworpen door Rem Koolhaas

Het ontwerp voor het nieuwe Axel Springer gebouw in Berlijn stamt van de beroemde Nederlandse architect Rem Koolhaas (69). Dat maakte eerder dit jaar een jury met specialisten, vertegenwoordigers van de stad Berlijn en van het bedrijf Axel Springer bekend. In totaal dienden 18 internationaal gerenommeerde architecten en architectenbureaus een ontwerp in voor de in 2013 uitgeschreven wedstrijd.

Sinds gisteren kunnen bezoekers de winnende ontwerpen van de architectenwedstrijd bewonderen, waaronder natuurlijk ook het ontwerp van Rem Koolhaas. Op de eerste blik lijkt zijn gebouw een kubus van staal en met veel glas, maar het bouwwerk is niet hermetisch afgesloten.

De opening biedt uitzicht op een 30 meter hoog atrium, dat is omgeven van kantoren en open terrassen. Hierbij ontstaat een ongebruikelijke relatie tussen binnen en buiten. Koolhaas verwerkt in zijn architectonische ontwerp thema’s als communicatie, uitwisseling en samenwerking. Midden door het geplande gebouw loopt de voormalige grens tussen Oost en West. Het gebouw opent ‘pas op het tweede gezicht zijn geheim’, zei Regula Lüscher, directrice Bouwzaken van de Berlijnse senaat.

De expositie van de gebouwen is nog t/m zondag 2 november te zien in de Axel Springer passage. De toegang is gratis.

Het toekomstige Axel Springer gebouw, ontworpen door Rem Koolhaas

Het toekomstige Axel Springer gebouw, ontworpen door Rem Koolhaas

Expositie architectenwedstrijd ‘Axel-Springer-Neubau’
Axel Springer Passage
Toegang via de ingang aan de Zimmerstraße
10969 Berlijn Kreuzberg

Dagelijks geopend van 10:00 – 20:00 uur
Toegang vrij
Rondleidingen dagelijks om 11 uur
U-Bahn: Kochstrasse (U6)

Bron: BZ; Ausstelung eröffnet – Axel Springer zeigt die Zukunft

Advertenties

Veel Voskuil in VOLLTEXT

???????????????????????????????Het is de eerste keer dat ik in de Duitstalige literaire krant VOLLTEXT een artikel van een Nederlandse auteur over een Nederlandse schrijver lees. Twee pagina’s tekst n.a.v. ‘Schmutzige Hände‘, de zojuist verschenen Duitse vertaling van ‘Vuile handen’, het tweede deel van de zevendelige romancyclus Het Bureau (Das Büro) van J.J. Voskuil.

Detlev van Heest heet de auteur van de bijdrage. Hij is een Nederlandse schrijver die tegenwoordig als parkeerwachter in Hilversum werkt. In 2010 verscheen zijn debuut De verzopen katten en de Hollander, in hetzelfde jaar gevolgd door Pleun. Een jaar later kwam zijn boek Het verdronken land. Terug naar Japan op de markt. Over Detlev van Heest is al veel geschreven in de Nederlandse media. Jeroen Vullings schreef in 2010 een recensie over zijn debuutroman en op de website van VPRO-Boeken kunnen bezoekers een interview met Van Heest beluisteren n.a.v. de nominatie van zijn laatste boek voor de Bob den Uyl Prijs. Daarom verklaar ik de auteur van het artikel bij deze als geïntroduceerd en wijd ik me aan zijn bijdrage in VOLLTEXT.

Duitse taal
‘Aan de Nederlandse literatuur hechtte ik altijd zeer veel waarde maar de Duitse, geschreven in de taal van mijn moeder, had mij sinds mijn vroege jeugd overschaduwd.’ Dat schrijft Van Heest ergens midden in het artikel. Ik citeer dit stukje, omdat het aangeeft dat hij de Duitse taal dermate goed beheerst, dat hij in staat is deze Duitstalige bijdrage te schrijven. In ieder geval lees ik nergens dat het artikel een vertaling is. Wat schrijft een Nederlandse schrijver in een Weense, literaire krant? Over de Duitse taal schrijft hij, dat hij zich kan herinneren dat hij vroeger alles in het Duits altijd veel belangrijker, bewuster en literairder vond klinken dan in de ruwe tongval van de Nederlanders. Hoewel ik dit herken, beoordelen veel Duitsers – althans in mijn kennissenkring – de Nederlandse taal helemaal niet als ruw. Ze vinden het Nederlands juist prettig, soms ‘niedlich’, om te horen. Dat kan natuurlijk een vorm van beleefdheid zijn, dat realiseer ik me ook. Goed, dat even terzijde, terug naar VOLLTEXT.

Harry Potter
Wat schrijft Detlev van Heest nog meer? Natuurlijk veel over J.J. Voskuil en Het Bureau, want dat is de aanleiding. In de eerste alinea legt hij uit dat in de jaren ’90 in Nederland een nieuw fenomeen zijn intrede deed. ’s Nachts, voor het verschijnen van een nieuw deel uit de romancyclus Het Bureau, kampeerden ongeduldige lezers voor de boekwinkels, omdat ze bij het verschijnen per se hun eigen exemplaar wilden hebben. Van Heest: ‘Dit fenomeen werd later wereldwijd bekend onder de naam van een andere boekenserie: Harry Potter. In Nederland bracht J.J. Voskuil (1926-2008) met zijn zevendelige monumentale werk dezelfde effecten te weeg.’

Cultboek
Vervolgens lees ik dat Het Bureau een moderne klassieker én een cultboek genoemd kan worden, waarvan er bijna een half miljoen exemplaren over de toonbank gingen. Natuurlijk komt ook het hoorspel met de 475 afleveringen ter sprake. Wat er niet in staat, maar wat ik wel aardig vind om te vermelden, is dat destijds bij het hoorspel Wim T. Schippers de stem van romanpersonage Sluizer voor zijn rekening nam en Huub van der Lubbe de stem van de Cor de Bruin, de conciërge in Het Bureau, verzorgde.

In het begin ging de drukte rondom Het Bureau totaal aan Detlev van Heest voorbij. Hij woonde immers al zes jaar in Japan. Eerlijk gezegd heb ik ook niks van die drukte gemerkt, omdat ik in 1997 Amsterdam dusdanig zag verslechteren, dat ik mijn koffers pakte en naar Spanje vertrok. Tien jaar later keerde ik terug, bleef eventjes en vertrok wederom, dit keer naar Berlijn. Maar nu weer terug naar het artikel.

Detlev van Heest zat dus in Japan. Zijn destijds beste vriend Ben stelde hem per brief op de hoogte van ‘het literaire fenomeen’. In het artikel schrijft Van Heest dat Ben hem adviseerde de complete serie boeken te bestellen, omdat hij er helemaal van ondersteboven was. ‘Zeven delen zouden het in totaal worden, drie waren er al verschenen. Ik moest ze per se lezen, alleen al vanwege de auteur. Ben had namelijk een keer min of meer persoonlijk contact met hem, dat betekent, hij had als kind één of twee keer op de schoot van de vader van die schrijver mogen zitten’, schrijft Van Heest.

‘Door personages te laten praten, leer je ze kennen’. Dat is een citaat van Van Heest, dat vorig jaar in dagblad Trouw verscheen. Door de manier waarop Van Heest in VOLLTEXT ‘praat’, leer ik de auteur ook beter kennen. Hij zegt bijvoorbeeld dat hij in 1991 zijn televisie de deur uitdeed om niet meer in de verleiding te komen om al die onzin-series te zien, die de beeldbuis vervuilden. Destijds mocht wat hem betreft ook de boekdrukkunst worden afgeschaft, want wat betreft boeken was het in zijn ogen van hetzelfde laken een pak. In de oorspronkelijke Duitse tekst drukt hij dit iets fraaier uit:

1991 hatte ich meinen Fernseher abgeschafft, um nie mehr in Versuchung zu kommen, mir in der Weite der Röhre den dort gezeigten Serienmist ansehen zu müssen. Und von mir aus hätte man auch die Buckdruckerkunst abschaffen können, wenn dem Leser aus Vermarketungsgründen Bücher nur noch bröckchenweise zugemutet werden konnten, ob nun als Feuilletonhappen oder als fortschreitender Dickbuch-Durchfall. Ich bin eine ungeduldige Natur – und jetzt ein Werk biblischen Ausmaßes?”

Detlev van Heest wilde als ongeduldige natuur dus aanvankelijk niets met de serie boeken te maken hebben. Maar naarmate hij langer in Japan verbleef, nam zijn verlangen naar Nederlandstalige boeken toe. Van echte heimwee was geen sprake. ‘Ik had het in dat verre eilandenrijk zo naar mijn zin, dat ik me daar voor eeuwig wilde vestigen’. Zijn vriend Ben bestookte hem ondertussen met meer en meer Nederlandse literatuur om zo zijn groeiende verlangen te bevredigen. ‘Nu kwam hij met J.J. Voskuil op de proppen, bijna 5.500 pagina’s: Het Bureau. Ben – puisterig gezicht, onbegrepen, zijn zelfhaat werd alleen door zijn verachting van de overige mensheid overtroffen, was hoogst intelligent – en zo besloot hij mij tot Voskuil te bekeren. Hij en zijn vriendin bezochten mij drie weken in Tokio en namen als cadeautje het tweede deel ‘Vuile handen’ van de Voskuilse Bureau-saga mee. Aangezien hij en zijn levensgezellin zo’n lange weg hadden afgelegd, beloofde ik dat ik er wel eens in zou kijken maar niet meteen: ik moest eerst nog andere zaken lezen.’

De VOLLTEXT-lezer leert Detlev van Heest nog beter kennen als hij vervolgens schrijft over een vrouw met wie hij destijds in Japan samenleefde. Ze leed aan een chronische slapeloosheid en kwam ’s nachts altijd met het dringende verzoek haar moe te maken. Van Heest: ‘Aangezien de geslachtsdrift op den duur niet de oplossing bood, las ik haar boeken voor, levensverhalen van ambtenaren bij de overheid en ook werken van de hogere literatuur: voornamelijk van gedeporteerde, aan de alcohol verslaafde Russen en chronisch depressieve Duitsers.’

Maarten Koning
Van Heest beschrijft dat de boeken van Voskuil naast het bed lagen maar niet het gewenste resultaat opleverden. ”Integendeel! Haar slaapstoringen sloegen op mij over. Want ieder hoofdstuk van Voskuils werk dwong mij tot verder lezen, zoals je een sigaret ook niet na twee of drie trekjes uit kunt maken. Ben had gelijk: de hele slof moest opgerookt worden!’ Hij merkt hierbij op dat de dialogen in Voskuils Bureau-boeken in hun ‘authentiek-komische nuchterheid’ voor hem onovertroffen waren. Al snel identificeerde hij zich met het hoofdpersonage Maarten Koning, ‘de onvermoeibare cultuur- en civilisatiepessimist die zich toch altijd weer door zijn medemensen laat beetnemen.’ Nergens is men eenzamer en verlatener dan in een gemeenschap. Saamhorigheid of overeenstemming bestaat voor Maarten Koning alleen in de eenzaamheid’, aldus Detlev van Heest.

Het artikel in VOLLTEXT is omvangrijk maar te interessant om kort samen te vatten. Dus meld ik graag hoe het verder gaat. Detlev van Heest schreef destijds een lange brief aan Voskuil en ontving prompt antwoord. Hierdoor ontstond een correspondentie die tot aan Voskuils levenseinde duurde. Kort na de eeuwwisseling reisde Van Heest naar Europa en bezocht in Amsterdam het echtpaar Voskuil. Citaat: ‘Ik wilde Ben meenemen, want hij had immers op de schoot van de vader gezeten maar ik durfde de schrijver en zijn vrouw niet te vragen of ik deze ‘spruit’ ook mee mocht nemen. Ben kwam mee naar Amsterdam en wachtte uiteindelijk urenlang in een nabij gelegen café. Toen ik na mijn bezoek enthousiast naar hem terugkeerde, zweeg hij – tot op vandaag de dag.’ Door Het Bureau eindigde de vriendschap tussen Ben en Detlev van Heest noodlottig. ‘Een gevaarlijk boek dus – de lezers in het Duitse taalgebied zijn daarom gewaarschuwd.’

Nobelprijs
Nadat J.J. Voskuil in 2008 stierf, schreef de Frankfurter Allgemeine Zeitung (FAZ) in de necroloog dat de schrijver, was hij geen Nederlander maar een Amerikaan, ongetwijfeld een serieuze kandidaat voor de Nobelprijs voor literatuur was geweest, aan de andere kant zou een Amerikaan nooit in staat geweest zijn zo’n groots werk als Het Bureau te schrijven. Ik voeg hier nog aan toe dat na verschijning van de vertaling van het eerste deel (Direktor Beerta) Voskuil door Der Spiegel al meteen tot ‘cultschrijver’ werd uitgeroepen. Weekkrant Die Zeit noemde dat boek ‘weliswaar buitengewoon sympathiek maar de hype niet waard’. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik mijn eigen mening over een boek vrijwel altijd herken in de recensies van de FAZ en in veel mindere mate in die van Die Zeit, de krant die ooit in de persoon van Wiebe Porombka Daniel Kehlmanns boek Ruhm ‘spiegelgladde designerliteratuur’ noemde. Dat was merkwaardig, omdat zowel de FAZ en de Neue Zürcher Zeitung het boek de hemel in prezen. Tot zo ver de kleine zijsprong naar de literaire recensies in de Duitstalige media.

Stijl
Detlev van Heest zegt in zijn artikel dat Voskuil ‘creatief schrijven’ uit de weg ging, net als mooischrijverij, mystificatie en overdrijving, die sommige getalenteerde Nederlandse schrijvers die flair van het in-zichzelf-verliefd-zijn bezorgen waarmee ze, zodra ze uit de mode zijn, alleen nog een lachwekkende indruk achterlaten. Het zijn de woorden van Detlev van Heest over sommige getalenteerde Nederlandse schrijvers. Hij voegt er nog aan toe: ‘Ik bedoel hiermee in geen geval Cees Nooteboom of Harry Mulisch, de enige Nederlanders die een goede kans ma(a)k(t)en in Stockholm acht miljoen Kronen uit de handen van de Zweedse koning te ontvangen.’

Opvallend is de schrijfstijl die Van Heest zelf in dit artikel gebruikt. Aan de ene kant verwijt hij sommige getalenteerde Nederlandse schrijvers mooischrijverij maar in zijn eigen artikel laat hij in mijn ogen soms iets te opzichtig zien dat ook hij zeer creatief met woorden kam omgaan in plaats van gewoon duidelijk te verwoorden wat hij nu eigenlijk wil zeggen.

Vertaling
Uitgever Wouter Van Oorschot zei ooit in een interview dat de boeken van zijn schrijvers, J.J. Voskuil voorop, zo uniek zijn, dat ze als onvertaalbaar gelden. Dat schrijft Van Heest als inleiding om de vertaler Gerd Busse te loven. ‘Ik heb met Voskuil meermaals over deze vertaling gesproken. Hij verbaasde zich dat het mogelijk was dat iemand de zin en woordelijke inhoud van Het Bureau zo goed in het Duits omzette. Soms leek het er voor hem, op alsof hij de roman oorspronkelijk in het Duits had geschreven.’

Hier geeft Van Heest de vertaler dus een groot compliment. Vertaler Gerd Brusse is overigens ook de vertaler van Van Heest’ eigen roman ‘De verzopen katten en de Hollander’, die in 2016 in het Duits zal verschijnen bij Verbrecher Verlag. Dat is weer dezelfde Duitse uitgeverij die alle delen van “Das Büro” uitgeeft.

Het eerste deel van Das Büro (Direktor Beerta) verscheen niet bij Verbrecher Verlag maar bij C.H. Beck. Naar alle waarschijnlijkheid komt er in 2015 een nieuwe uitgave bij Verbrecher Verlag uit. De planning voor de overige delen bij Verbrecher Verlag is als volgt:

Das Büro 3. Plankton – 978-3-95732-008-7 (voorjaar 2015)
Das Büro 4. Das A. P. Beerta-Institut – 978-3-95732-009-4 (herfst 2015)
Das Büro 5. Und auch Wehmütigkeit – 978-3-95732-010-0 (voorjaar 2016)
Das Büro 6. Abgang – 978-3-95732-011-7 (herfst 2016)
Das Büro 7. Der Tod des Maarten Koning – 978-3-95732-012-4 (voorjaar 2017)

VOLLTEXT
Wie meer wil weten over VOLLTEXT, een literaire Duitstalige krant dat ik van harte kan aanbevelen (€2,95 bij de Duitse kiosk maar een abonnement is praktischer), kan via deze link mijn interview met de oprichter en huidige uitgever lezen.

Hoe meditatie de creativiteit ondersteunt

Woman practicing yoga on the beachWie creatief wil zijn of beroepsmatig met een druk op de knop creatief moet zijn, die is geholpen met een dagelijkse meditatie. Waarom niet in het kantoor? Meditatie maakt het hoofd leeg en zorgt voor nieuwe ideeën.

Bovenstaande tekst is niet van mij. Het is de laatste alinea van een artikel met de titel “Hoe meditatie de creativiteit ondersteunt”. Wie op deze titel googelt, zal het artikel niet vinden. De titel is namelijk de vertaling van Wie Meditation die Kreativität fördert en staat in het novembernummer van het Duitse tijdschrift Psychologie Heute.

Toch zou het logisch zijn over dit onderwerp ook iets in het Nederlands te lezen. Immers, de complete tekst is gebaseerd op een wetenschappelijk onderzoek van Matthijs Baas, Barbara Nevicka en Femke van ten Velden van de Universiteit van Amsterdam.

Dagmar Knopf, de auteur van het Duitse tijdschrift, schrijft in haar inleiding dat mindfulness (Achtsamkeit in het Duits), dus het bewust leven in het hier en nu, in de afgelopen jaren veel interesse heeft gewekt bij onderzoekers en therapeuten. Karakteristiek voor deze geestestoestand is het enkel waarnemen van prikkelingen van binnen en buiten, zonder deze te beoordelen. ‘Dat zou positief op de regulatie van de gevoelswereld en op de geestelijke vaardigheden uitwerken’, aldus Dagmar Knopf in het artikel.

Mindfulness kan volgens het artikel nog meer. Deze vorm van concentratie laat ook ideeën opborrelen. Nu introduceert de schrijfster de Nederlandse wetenschapper Matthijs Baas en zijn team, want zij hebben dit namelijk ontdekt. In hun studie onderscheidden ze vier bestanddelen van mindfulness: ten eerste zijn geoefende leerlingen volgens de studie in staat hun lichamelijke reacties, gedachten en emoties rustig te observeren. Ten tweede lukt het deze groep de tegenwoordige activiteit onderdeel uit te laten maken van hun volle aandacht. Ten derde vinden ze woorden om hun observaties te beschrijven en ten vierde accepteren ze het gebeuren zonder waardeoordeel.

De Nederlandse psychologen voerden vier experimenten uit om erachter te komen welke invloed deze componenten op de creativiteit hebben. Daarbij testten ze in hoeverre bijna 60 studenten in staat zijn zich helemaal in het hier en nu op een probleem te focussen. De onderzoekleiders confronteerden de proefpersonen bovendien met een gangbare creativiteitsoefening. Hierbij moesten ze binnen vier minuten zo veel mogelijk ideeën verzamelen voor het gebruik van een baksteen. Hoe creatief die ideeën waren, dat beoordeelden twee deskundigen. ‘Verrassend genoeg bleek er een negatieve samenhang te zijn tussen de vaardigheid geheel in het hier en nu te denken en de frisse ideeën’.

Het artikel beschrijft ook de volgende test waarin 225 deelnemers de opgave kregen slimme gedachten te verzamelen bij een blikje en een stuk touw, eveneens onder tijddruk. Van tevoren werd onderzocht of de testpersonen gebeurtenissen rustig konden observeren. Dit element van mindfulness had een positieve uitwerking: wie hier hoog scoorde, scoorde ook bijzonder hoog bij de creatieve uitdaging.

De daaropvolgende onderzoeken bevestigden de waarde van onbevooroordeelde observatie. Maar hoe precies ondersteunt dit het creatieve denken, vraagt de auteur zich af. ‘Klaarblijkelijk laat degene die veel en goed observeert zijn gedachten dwalen – en kan dan iets bekends met iets nieuws verbinden. Anders dan degene die zich compleet op een object concentreert. Associatieve gedachten te hebben is in die toestand moeilijker. Twee andere onderzoeken tonen aan dat de waarnemingsgave door zogenaamde open-monitoring meditation groeit. Daarbij laten de mediterende personen hun gedachten dwalen en nemen de huidige situatie waar, zonder te beoordelen.

Dan eindigt het artikel met de alinea waar ik mee begon. De auteur raadt dus mensen die creatief willen zijn aan, om dagelijks te mediteren. Op de pagina van het artikel staat bij de inleiding nog vermeld dat niet alleen monniken mediteren maar ook kunstenaars zoals regisseur David Lynch. Het bezorgt ze niet alleen meer rust en kalmte maar het bezorgt ze ook meer creatieve ideeën. Dat vind ik een mooie afsluiting van deze Nederlandse, samengevatte blogversie van het artikel.

Matthijs Baas, Barbara Nevicka, Femke ten Velden: Specific mindfulness skills differentially predict creative performance.  Published online before print May 23, 2014, doi: 10.1177/014616721453581. Full text.