De sprong

Dit is het laatste korte verhaal uit ‘Op koers’ (2011), mijn eerste boek met korte verhalen.

opk“Hoe, hoe, hoe, hoe!!” Een kalende en vooral zwetende jongeman springt op en neer. Hij is gehuld in een donkerblauw T-shirt en een grijze joggingbroek en springt alsof zijn leven ervan afhangt. Moeizaam houdt hij beide armen recht omhoog. Telkens als zijn blote voeten op de linoleumvloer terechtkomen roept hij “hoe”. Deze zwetende jongeman is ten tijde van het springen 28 jaar oud. Dat weet ik als geen ander, want ik ben deze jongeman. Tijdens het springen kan ik niet meer denken, weet ik niet meer wat is geweest en wat komen gaat. Nee, lieve lezer, er is geen drugs is het spel. Ook lijd ik niet aan een merkwaardige ziekte die mijn denkvermogen of geheugen heeft aangetast. Het springen gaat gepaard met dwepende trommelmuziek die uit de vier grote luidsprekers in de hoeken van deze zaal schalt. Het zweet gutst uit al mijn poriën. Mijn T-shirt is zeik- en zeiknat. In ben niet de enige persoon die hier zo heftig zweet en springt. Wie deze ruimte betreedt ziet drie mannen en vier vrouwen met de armen omhoog op en neer springen en “hoe” roepen. De ruimte heeft iets weg van een gymzaal, alleen zijn de klimrekken vervangen door planten en Boeddhabeelden en de harde banken door matrassen en rode, ronde kussens. Deze zaal wordt door de springende mensen een meditatieruimte genoemd. De plaats van handeling: München, Duitsland. Het is de eerste keer in mijn leven dat ik mediteer. Gisteravond gaf mijn vader, een doorgewinterde meditatiebeoefenaar, mij de laatste instructies.

Eén dag eerder, München airport. De 28-jarige jongeman is nu gekleed in een strakke zwarte spijkerbroek en een op het Waterlooplein op de kop getikte stoere zwarte leren jas. Het jaar is 1995. Ik ben op weg naar mijn vader, een huisarts voor wie het begin jaren tachtig allemaal iets te veel werd. Hij kon het geklaag van zijn patiënten niet meer verdragen en zocht een uitweg. Hij betrad vol overgave de wereld van de Sannyasins, de volgelingen van de Indiase goeroe Bhagwan, later Osho genoemd. De huisarts verbrandde alle schepen achter zich. Eerder had hij al korte metten gemaakt met zijn vrouw en kinderen. Het hele huwelijk bleek voor hem op één grote vergissing te berusten, waar ook nog eens drie kinderen uit voortkwamen. Vrouw en kinderen vertrokken naar een elders gelegen oord nabij Utrecht, de arts bleef alleen in Nieuw-Vennep achter. Hij genoot nog eventjes van het artsenleventje, waar hij als student altijd zo naar uitkeek. Hij genoot intens van de enorme aandacht die hij kreeg, vooral van vrouwen. In hun ogen was hij de hippe arts met een baardje, die gehuld in een spijkerbroek naar Franse chansons luisterde, die van een lekker glas wijn hield en dagelijks zijn pakje Gauloises zonder filter weg rookte. Hij was anders dan de meeste van zijn collega’s. Voor hem geen villa maar een rijtjeshuis met gevlochten matten als vloerbedekking, met volle asbakken op tafel, flessen wijn in huis, kratten Grolsch in de schuur en de VPRO-gids en de Volkskrant als leesvoer op de eettafel. Natuurlijk ontbrak op de wc. de scheurkalender van het Simplistisch Verbond niet. Hij droeg geen stropdassen, hield van strandwandelingen met de hond, van romantische avonden bij de open haard en vooral van gek doen, de spot drijven. Aandacht was zijn zuurstof, geen aandacht levensbedreigend. De serieuze artsen provoceren, dat deed hij het liefst. Hij had het grote voordeel dat hij technisch gezien een zeer bekwame arts was, die daarom veel patiënten trok. Enigszins afwijkend gedrag kon hij zich wel permitteren. Hij was de toffe jongen op de hockeyclub, de gangmaker in het clubhuis van de tennisvereniging en de charmeur op feestjes in Gooische villa’s. Dat hij daar de nodige drank bij nodig had, dat viel niet op. In dit wereldje dronk iedereen. Hij speelde dolgraag een rol. Ooit verscheen hij als automonteur op een feestje van een bevriende tandarts. De dames waren door het dolle en gilden het uit. Na de onthulling van zijn echte beroep waren ze helemaal niet meer te houden. Deze verslavende aandacht van vrouwen was zijn voornaamste drijfveer om arts te worden, vertelde hij me eens. Een eerlijk antwoord. Op achtjarige leeftijd wilde ik ook arts worden, om mensen te helpen. Naïef als ik als achtjarige was, dacht ik dat alle artsen hun beroep kozen om mensen te helpen. Zo denken kinderen wel vaker.

Later, de jeugd en puberteit voorbij, belandde ik na een aantal omzwervingen als 25-jarige jongeman in Amsterdam. Ik was op zoek naar het romantische leven, dat ik uit de boeken kende. De hoofdstad bracht mij echter niet wat ik ervan verwachtte. De romantiek uit de boeken der Vijftigers, de literaire scene op het Leidseplein, het leven was er niet zo verrukkelijk als ik me dat had voorgesteld. Niet alle dagen feest. Alle dagen steeg het aantal overuren dat ik als zalenzetter in hotel Krasnapolsky maakte. De ontlading na een avond sjouwen vond steevast plaats in het stamcafé in de nabijgelegen Nes, waar ik de dorst leste met grote hoeveelheden bier, voorafgegaan door de nodige glazen stressafbouwende wodka.
Mijn vader had ik jaren niet gezien. Hij leefde afwisselend in München en in India, bij zijn spirituele meester. Zo nu en dan kreeg ik een brief van hem uit Poona, met veel “love” en dat soort kreten. Soms kwam hij ook naar Amsterdam, de stad die hij goed kende. Als jonge arts ontvluchtte hij steeds vaker zijn benauwde huwelijk, om zich dan ’s nachts op het Rembrandtplein vol te laten lopen met drank en zich als een beest te gedragen. De jaren na de scheiding nam hij als gescheiden weekendvader zijn kinderen mee naar de hoofdstad, als ze bij hem in Nieuw-Vennep op bezoek kwamen. Op het programma stond steevast een bezoek aan de Disney bioscoop of theater Tuschinski, altijd vooraf gegaan door pannenkoeken eten.

Vorige week was hij in Amsterdam. Eens in de zo veel tijd haalde hij op zijn Nederlandse postadres in de Damstraat zijn post op. Dat ritueel combineerde hij met een bezoek aan de apotheker met wie hij door de jaren heen het contact had behouden. Dit keer stond ook ik op het programma. Vanuit mijn flatje op de derde verdieping in de Menadostraat zag ik hem al richting mijn woning wandelen. Een oranje, wijde broek, een rode jas en een leren cowboyhoed op zijn hoofd. Hij was nog net geen zwerver, hoewel zijn grove baard dat wel deed vermoeden. Feitelijk was hij heel ver verwijderd van een zwerversbestaan, omdat zijn huidige vriendin, ook volgeling van de Bhagwan, tot een van de rijkste vrouwen van München behoorde.
Ik wachtte in de deuropening. Beneden hoorde ik hoe hij het trapportaal binnenkwam.
“Joho,” riep hij opgewekt naar boven. Ik zag nu al op tegen die overdreven innige omhelzing die in het verschiet lag, in zijn wereld ook wel “de hug” genoemd. Ik irriteerde me te pletter aan die in het oranje uitgedoste gekken met absurde kralenkettingen om hun nek, die elkaar altijd zo gemaakt gelukkig omhelsden. Wat een theater, wat een schijnheilig kut volk. Allemaal swami bami’s die het grote geluk gevonden dachten te hebben. Ik hoorde zijn slippers in het trappenhuis. Jezus, wat liep hij langzaam. Waarschijnlijk liep hij zo langzaam om mij te pesten, om te provoceren. Hij had mij al genoeg gepest door zijn rol als vader vroegtijdig te verzaken. Daar dacht ik altijd aan, áls hij een keer langs kwam. Op een hartelijk ontvangst mijnerzijds kon hij nooit rekenen, dat wist hij ook wel. Toch gaf hij niet op. Nu stond hij daar dus weer, echter op mijn verzoek. Hij sperde zijn ogen wijd open, lachte en omhelsde me. Hij leek nu oprecht blij mij te zien, omdat ik jaren lang niets, maar dan ook helemaal niets met hem en die Bhagwan te maken wilde hebben. Met die in oranje jurken gehulde spirituele elite, die ademloos alles deed wat hun spiritueel leider ze opdroeg. Ik vroeg of hij koffie wilde. Een bijna overbodige vraag, want hij was net zo dol op koffie als ik. En op roken. Dat had hij nooit opgegeven. Dat vond ik dan wel weer “cool”, omdat het niet typisch ‘des Bhagwans’ was om dagelijks zoveel sigaretten weg te paffen.
Met onze jassen aan stonden we op het balkon van mijn woning in de Amsterdamse Indische buurt en genoten van de koffie en sigaretten. Ik vertelde hem dat ik een week eerder in het Oosterpark door een soort hartaanval werd getroffen en dat ik sindsdien min of meer aan het einde van mijn Latijn was. Die plotselinge aanval op mijn hart dwong mij om bijna gehurkt met enorme pijnscheuten naar huis te lopen, hoewel je het nauwelijks lopen kon noemen. De pijn was niet uit te houden. Er volgden bezoeken aan psychiaters, aan artsen en alternatieve genezers die hypnose aanboden. Niets hielp. Ik was niet meer te helpen. Dat vertelde ik hem.
“Goed,” zei hij. “Dan gaan we maar beginnen.”
Hij trok een grote rol tekenpapier uit zijn plunjezak en rolde het uit over de grijsblauwe vloerbedekking. Ik was te verbaasd om iets te zeggen. Wat was dit nou weer?
“Hier lig jij zo meteen op. Heb je iets om op de hoeken te leggen, zodat het niet wegrolt?”
Ik pakte een paar boeken.
“Ik maak een Körperbild en dat neem ik dan mee naar München,” legde hij uit. Hij was erg rustig en praatte met vriendelijke stem. Ik kende hem meer van de altijd zogenaamd wijze belerende opmerkingen, de one liners die hij rechtstreeks uit de mond van zijn goeroe kopieerde. Als je dat niet aannam, dan deugde je niet echt.
“Een Körperbild?”
“Een lichaamstekening, een scan. Mijn therapeut in München kan aan de hand van de tekening zien hoe ze je het beste kan behandelen.”
Ik stemde in. Wat had ik te verliezen? Die vraag had ik mezelf al gesteld vóór hij kwam. Dit was het allerlaatste middel, de noodrem. Die therapeut waar hij over sprak was iemand die mij wel aansprak. Ik kende haar dan wel niet persoonlijk, maar volgens mijn vader was het een vrouw die alles bij zijn naam noemt, met beide voeten op de grond staat. Eentje met ballen. “Ze zou ook op de Albert Cuyp kunnen staan als marktkoopvrouw”. Dat zei hij en dat sprak mij wel aan. Geen zweverige flierefluiter.
“Gelukkig ziet niemand dit,” dacht ik, terwijl ik hier in mijn eigen kamer met mijn armen langs mijn lichaam op een blad papier lag. Mijn vader maakte met een zwarte Edding stift een omtrek van mijn lichaam.
“Zo, nu kan je hier komen zitten,” zei hij na de laatste lichaamslijnen vastgelegd te hebben. Daar zaten we dan, samen op de grond naast een door hem getekend lichaam van mij.
“Diep ademhalen en ontspannen.”
Ik keek hem verbaasd aan. “Dat maak ik zelf wel uit,” wilde ik zeggen maar ik zei niets. Nu geen ruzie, dat had geen zin.

Dit was niet de behandeling die je van een huisarts zou verwachten. Sterker nog, dit grensde aan de waanzin. Ik had me echter voorgenomen dat ik alles zou doen om weer enigszins normaal te kunnen functioneren in het maatschappelijk leven, zoals dat zo mooi heet. Eén hartaanval is meer dan genoeg.
“Probeer je nu goed te herinneren waar je gewond bent geweest of operaties hebt gehad.”
Ik keek hem een beetje lacherig aan met een blik van ‘en voor de rest gaat alles goed met je?’ Daarna benam ik me weer. Zo te zien was hij serieus bezig om als spiritueel geneesheer een diagnose te stellen. De stethoscoop ontbrak. Daarvoor in de plaats werkte hij nu met papier en viltstiften.
“M’n enkel heb ik wel eens verzwikt,”  zei ik. Hij keek verrast op.
“Het begin is er,” riep hij verheugd.
“Links of rechts,” wilde hij nog weten.
Ik dacht even na.
“Links”.
Met een rode stift zette hij op mijn getekende lichaam wat strepen bij de linkerenkel.
“Angst,” zei hij erbij en keek me opeens doordringend aan, alsof hij een thema aansprak waar hij zelf ook het nodige mee van doen had.
“En mijn rechterknie,” zei ik. En zo schoten mij allerlei ongelukken en ziektes uit het verleden te binnen. De tekening werd kleurrijker en kleurrijker, voorzien van allerlei Duitse kreten als ‘Hass, Angst en Wut’.
“Klaar,” zei hij en rolde het blad op, deed er een paar elastiekjes omheen en borg het op in zijn tas. We dronken nog koffie, rookten een sigaret en daarna moest hij weer verder. Hij beloofde te bellen, want we hadden afgesproken dat ik een paar dagen naar München zou komen om met zijn therapeut te werken. Over geld hoefde ik me geen zorgen te maken, de vlucht en alle andere kosten waren voor zijn rekening. Ik wist dat zijn vriendin dit alles financierde maar dat was mij om het even. Mijn leven stond hier op het spel.

Gewapend in mijn zwarte leren jas en mijn zwarte strakke spijkerbroek liep ik voor de eerste keer van mijn leven op Schiphol. Mijn zwarte puntschoenen verraadden verzet, rockmuziek, anarchie en actie. Aan dat laatste onderdeel ontbrak het mij en daarom was ik op weg naar de therapeute, die zich al over mijn getekende lichaam had gebogen. Bij de douane in München werd ik nog even binnenstebuiten gekeerd. Ik weet dat aan mijn uiterlijk. Mijn woede tegenover de geüniformeerde Duitsers liet ik blijken door ze heel boos aan te kijken. Dat had echter geen enkel effect. Ze hadden mij er alleen maar uitgepakt, omdat ik de enige passagier was die niet zakelijk gekleed was. Deze relatief dure KLM vlucht bood dagelijks de gelegenheid aan zakenmensen om naar München te vliegen. Zo’n rare in het zwart gehulde vogel hadden ze zelden aan boord.

München airport, daar was ik gisteren dus. Mijn vader haalde me op. Eerst dronken we samen een kop koffie en pompten onze longen vol met de nodige nicotine. Daarna stonden we schouder aan schouder in de S-Bahn richting het centraal station van München. We reden met de S6 verder naar Gauting, een Duits dorpje in de periferie van de Beierse metropool. Hij woonde op de eerste verdieping van een wit vrijstaand huis nabij het centrum van dit dorp. Onder zijn woning bevond zich een winkel in sanitaire benodigdheden. De etalage was gevuld met luxe badkuipen, douches en wastafels. Boven hem woonde een jonge, Duitse zakenvrouw die ik ooit nog eens op een feestje zou ontmoeten. In dit huis zou ik de komende zeven dagen wonen. Het eerste wat me aan de woning opviel was dat er nauwelijks meubels in stonden. Een enorm lege woonkamer met spierwitte wanden, een beige vloerbedekking, een matras op de grond en enkele foto’s van zijn ‘meester’ op de vensterbank. Dat was het dan zo’n beetje. Ja, er stond nog een cassetterecorder op de grond. De keuken verraadde zijn desinteresse in koken. In de oven lagen tientallen cassettes met meditaties en voordrachten van zijn meester. De meeste keukenkastjes waren volgestopt met papieren en boeken. In de keuken werd niet gekookt, alleen koffie gezet, een ei gebakken en brood gesneden. Daarentegen was de badkamer van een ongekende luxe. Een groot bad, veel marmer en veel ruimte. Dat de eigenaar van dit huis iets met sanitair van doen had, dat stond buiten kijf.
Mijn eerste avond in München oefende ik samen met hem in de woonkamer de Dynamische meditatie. Ik snapte er weinig van. Hij legde me uit dat je verschillende fases hebt.
“Het begint hiermee,” zei hij en hij begon luid door zijn neus te ademen. Daarbij maakte hij een soort pompende bewegingen met zijn armen. Hij leek wel een grote, proestende big uit een Disney film.
“Je begint rustig en dan bouw je het langzaam op,” legde hij uit en blies krachtiger en krachtiger de zuurstof door zijn neus. Ik vond het maar een raar gezicht.
“Dan komt in de 2e fase de catharsis,” zei hij. “Dan doe je gewoon wat je lichaam wil. Niet denken, alles eruit gooien. Je kan schreeuwen, stampen, op een kussen slaan, het maakt niet uit. Dan komt de gong en begint het derde deel.” Hij sprong nu als een trampolinespringer met beide armen omhoog en riep steeds ‘hoe’.
“Telkens als je neerkomt, roep je ‘hoe’. Ik sprong een paar keer omhoog en riep ‘hoe’. Dat leek me niet zo moeilijk.
“Dan komt Freeze! Je bevriest, doet niets meer. Het is doodstil. Tot slot begint de laatste fase met muziek om de dag te vieren. Dan kun je gewoon rustig genieten van alles en dansen als je wil.”
Ik knikte. Het zal allemaal wel.
Om 05:00 uur stonden we in de sneeuw op het balkon van zijn woning. We dronken biologische eikeltjeskoffie, maar goed, beter dan niets. Ik stelde me voor dat het de beste koffie van de wereld was en rookte er twee sigaretten bij. Daarna was het rennen naar de S-Bahn, op weg naar München Hauptbahnhof. Van daaruit renden we naar een U-Bahn, die ons naar het meditatiecentrum bracht. Bij de halte Frauendorferstrasse stapten we uit. Ik volgde mijn vader naar boven, naar het TAO Center.
“Morgen,” zei hij en begroette de mensen in de kleedkamer. Zo te zien waren dit ‘zo maar’ mensen, want er werd niet gehugd. Net als bij een voetbalwedstrijd was het nu een kwestie van omkleden om vervolgens het strijdtoneel te betreden. Het strijdtoneel was een grote ruimte met zitkussens op een lemen vloer die mij herinnerde aan de sportzaal uit mijn lagere school tijd. Mijn vader stelde me voor aan de meditatieleider en legde in het Duits uit dat ik hier voor het eerst was. Ik had me voorgenomen om gewoon dat te doen wat de anderen ook deden, ook al moest je je ogen gesloten houden.
De muziek startte en daar begon iedereen om me heen te snuiven en te briesen, precies zoals mijn vader het gisteravond deed. Ik merkte mijn tegenzin maar besloot me toch over te geven aan de waanzin van deze ochtend. Bong, daar klonk de gong. Ik was totaal vergeten welk onderdeel nu aan de beurt was. Ik zag hoe mijn vader op de grond stampte en kleine rondjes liep. Daarna ging hij zitten en legde een kussen voor zich neer. “Godverdomme. Kut hoer!” schreeuwde hij en sloeg gelijktijdig op de kussens. Ik was verward. Achter mij was iemand in het Duits aan het schreeuwen, in de hoek zat iemand die huilde en zo nu en dan Scheisse riep. De dwepende muziek leek ervoor te zorgen dat iedereen steeds gekker werd. Ik liep rondjes en deed net of ik mijn ogen dicht had. In de tussentijd hield ik alles nauwlettend in de gaten. Na vijf minuten sloeg ik ook maar een paar keer op een kussen. What the fuck, voegde ik er nog aan toe. Gelukkig bevrijdde de gong me van deze merkwaardige fase. Nu kwam de gymnastiekoefening en was het springen geblazen. Ik sprong alsof mijn leven ervan af hing, ik zweette als een otter maar op de een of andere manier voelde ik me aardig opgelucht. Of het door die oefening kwam? Wordt vervolgd.

Advertenties

3 thoughts on “De sprong

  1. http://www.leveninnieuwvennep.nl/dagelijks-leven/de-huisarts/69-dokter-gerrit-van-gent
    dag Allard, ik woon in Nieuw Vennep, las je blog en besloot je vader te googelen. Aantal mensen genoemd in dit artikel ken ik vaag, zijn wat ouder uiteraard. Tennisclub ben ik lid van geweest als ook mijn echtgenoot en ik woon vlakbij de Westerdreef.
    Groene Kruisgebouw bestaat niet meer, heb het zelf nog wel bezocht aangezien het consultatiebureau daar was gevestigd groet,Mariette Sedee

  2. Dag Mariette,
    wat is een toeval dat je via mijn blog op het artikel van leveninnieuwvennep.nl terechtkomt. In bovenstaand verhaal ‘De sprong’ is de ik-persoon weliswaar fictief, maar het artikel verraadt natuurlijk wel dat fictie en non-fictie hier behoorlijk door elkaar heen lopen.

    Groeten,
    Allard van Gent

  3. Pingback: Op koers – Blog Allard van Gent

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s