Uitzendkracht in Berlijn

blaumannIn 2011 vertrok ik naar Berlijn om als freelance journalist en vertaler aan de slag te gaan. De eerste maanden spijkerde ik mijn inkomen bij als uitzendkracht. Mijn werkgever zorgde voor passende bedrijfskleding in de vorm van een blauwe overall die hier ook wel Blaumann wordt genoemd. Het is een kledingstuk voor mensen die hun handen uit de mouwen steken. Uitzendbureau Manpower heeft op zijn website zelfs een stukje aan de geschiedenis van de Blaumann gewijd.

Mijn eerste ervaring als uitzendkracht in een Blaumann deed ik op als bijrijder in een brouwerijwagen van Berliner Kindl aan de Indira-Gandhi-Straße in stadsdeel Alt-Hohenschönhausen. Onder mijn overall droeg ik werkschoenen. Loop je met werkschoenen om je voeten en een Blaumann om je lijf door Berlijn, dan begeef je je in een andere wereld, in de wereld der arbeiders en niet in de wereld der journalisten en vertalers. Op weg naar de brouwerij voelde ik me dan ook verwant met de Berlijnse werkman in zijn blauwe overall. Mijn bloed stroomde sneller bij de gedachte dat ik nu werd gezien als iemand die flink zijn handen uit de mouwen stak om de kost te verdienen. De blauwe overall staat voor noeste, zware arbeid. Hand in hand, kameraden, dat gevoel. Zoals met het uitzendbureau afgesproken meldde ik me bij de receptie. Ik herinner me nog dat de receptionist geen Blaumann droeg, maar een blauwe blazer met een embleem van de beveiligingsdienst. Hij kauwde kauwgum, nam slokjes koffie en speelde met zijn mobilofoon. Het viel me op dat hij een tatoeage van een vlinder in zijn nek had en een gouden ketting om zijn dikke nek. Deze beveiligingsman had ook als kaartjesverkoper bij de botsautootjes op de kermis kunnen werken.

De receptionist wees in de richting van het terrein dat vol stond met vrachtwagens, gevuld met kratten drank en fusten bier. Op de zijkant van de trucks las ik de bierreclame. Hier stonden dus al die wagens die ik zo vaak door de stad zag rijden. Met zware stappen, dat kon met de werkschoenen niet anders, liep ik naar het kantoortje. Het bleek een omgebouwde bouwkeet te zijn. Ik was voorbereid op mijn rol als arbeider voor noest werk. Dat hield in dat ik me net als in Woody Allen’s Zelig direct aanpaste aan de omstandigheden om als échte drager van een Blaumann over te komen. Ik kauwde kauwgum, stak mijn borst iets meer naar voren dan normaal, keek stoer om me heen en beeldde me in dat ik al jaren als arbeider in een haven werkte. Op mijn ‘Morgen’ reageerden twee van de zes chauffeurs. Het was nog niet duidelijk dat ik een buitenlander was. Ik besloot maar meteen open kaart te spelen.
‘Ik kom uit Nederland en spreek nog niet zo goed Duits’, zei ik in mijn beste Duits. Zo, het ijs was gebroken. Er werden handen geschud en de chauffeur met wie ik op pad moest bood mij zelfs een bakje automatenkoffie aan. Ik voelde me nu al thuis in de wereld der Blaumannen.

Een kwartier na de eerste kennismaking op de brouwerij zat ik in een warme, comfortabele vrachtwagencabine. Van hieruit zag ik hoe de stad heel langzaam ontwaakte. Het was voor een metropool als Berlijn nog uitermate rustig op straat. De chauffeur naast mij was niet zo gespierd zoals ik me een chauffeur van zo’n immense vrachtwagen had voorgesteld. Eigenlijk was het een normale man, iemand die op straat niet opvalt. Hij deed me denken aan George uit de Britse serie George & Mildred, alleen iets minder onnozel. Dit was dus een eerlijke, harde werker met vrouw en kinderen. Hij had zijn thermoskan met koffie bij zich en schonk zichzelf tijdens het rijden een bakkie in. De koffiegeur deed me goed.
‘Vanavond een thermoskan kopen’, dacht ik. En ik dacht ook dat ik nu iets moest zeggen, want we zouden de hele dag samen op pad zijn. Hoe langer je niets zegt, des moeilijker het wordt een gesprek te beginnen.
‘Het is de eerste keer dat ik dit werk doe’, vertelde ik. Het was niet gelogen en ik had me hiermee tevens ingedekt tegen mogelijke blunders. Hij reageerde niet echt enthousiast. Dat komt wel goed, zoiets zei hij. Of de vaste bijrijder ziek is, wilde ik weten. Ja, de man was ziek. Aan de toon van het antwoord merkte ik op dat zijn vaste bijrijder wel vaker ziek was. Goede vrienden leken hij en zijn vaste bijrijder in ieder geval niet te zijn. Opnieuw stelde ik een vraag, omdat zijn antwoorden nogal kort waren. De man was duidelijk geen grote prater.
‘Hoeveel supermarkten bezoeken we vandaag?,  vroeg ik.
‘Vandaag zijn het hoofdzakelijk cafés en restaurants in Tegel’, zei hij en nam een slok uit zijn koffiemok met daarop een strippende vrouw. Cafés en restaurants, zijn die om dit tijdstip dan al open? Dat vroeg ik niet. Niet te veel vragen direct achter elkaar afvuren, dat lijkt  eerder op een interview of zelfs een verhoor. Misschien had de man wel slechte ervaringen met verhoren, we waren immers in Berlijn.

De chauffeur sprak in zijn mobiele telefoon. Uit zijn gesprek begreep ik dat er iemand ergens een hek moest openen, zodat wij ons werk konden doen. We stopten langs de kant van een brede weg in de wijk Tegel. Ik zag nergens een café of restaurant, alleen de ingang van een soort park met volkstuintjes. Eenmaal buiten liet hij me zien hoe je de laadklep naar beneden doet. Ik knikte en onthield welke knoppen ik bij de volgende klant moest indrukken om de klep te laten zakken. Met een lang formulier in zijn hand zette hij een tiental kratten frisdrank en vier fusten bier op een pallet, nam de elektrische palletwagen en trok het geheel op de laadklep. Hij drukte met zijn voet twee keer op een knop, waardoor de laadklep naar beneden zakte. Ik voelde me nogal overbodig. Samen liepen we over de stoep, op weg naar de ingang van het complex. We stonden voor een slagboom. De palletwagen met kratten en fusten kon er net onderdoor. Links en rechts van het geasfalteerde paadje stonden kleine huisjes met een tuintje. Het was inderdaad een complex met volkstuintjes die je meestal in de buurt van het treinspoor tegenkomt. In één van de tuinen wapperde zelfs een Nederlandse vlag. Dat gaf mij aanleiding weer eens iets te zeggen.
‘Holländische Flagge’,  zei ik en wees naar de driekleur.
Mijn chauffeur zei niks.

‘Morgen!!’
Dat was de vrouw van het telefoongesprek. Ze stond achter een metalen hek met spijlen, stak een sleutel in het slot en liet ons binnen. Ze leek op een zangeres van het levenslied of iemand die graag naar een piratenzender met volksmuziek luistert. Een vrouw die geen blad voor de mond neemt en goudeerlijk is. Ik schatte haar rond de vijftig. Ze had rood haar en ondanks haar spontane lach zag ik ook tekenen van verdriet in haar gezicht. De wallen onder de ogen, de hangende schouders, ze oogde als iemand die het in het leven niet allemaal is komen aanwaaien. Toch was het een vrouw die zich er niet onder liet krijgen en vol verve de kantine op dit complex runde. Of we zin hadden in een kop koffie, vroeg ze. Ik zei meteen ja, maar voegde er snel aan toe dat we natuurlijk eerst ‘arbeiten’ moesten.
‘Drink rustig een kop koffie’,  zei mijn chauffeur.
Ik keek hem aan. Het was gelukkig niet cynisch bedoeld, want dan was de sfeer voor de rest van de dag nu al verpest. Ik protesteerde nog lichtjes, want voor mijn gevoel kon ik niet nu al aan de bar zitten en koffie drinken, terwijl hij met bierfusten in de weer was. Hij klopte op mijn schouder en zei dat ik gewoon lekker van mijn koffie moest genieten. Nou ja, dacht ik, beter kan deze werkdag niet beginnen.
‘Broodje mét erbij?’, vroeg de vriendelijke kantinedame met een zwaar Berlijns accent. Ze paste in deze ruimte met voetbalvaantjes, foto’s van klaverjasavonden, nepgouden kroonluchters en tafeltjes met plastic kleedjes in een rood ruitjespatroon. Een Berlijnse volksvrouw die voor mij een ‘Mettbrötchen’ maakte. De chauffeur lachte.
‘Geniet ervan’, zei hij.
Ik vroeg voor de zoveelste keer of ik niet moest helpen, want ik had tot nu toe nog geen krat aangeraakt.
‘Nee, we hebben alle tijd. Geen probleem, geniet eerst lekker van je ontbijt.’
Ik genoot van de twee halve broodjes met een soort gehakt, uitjes, peper en zout. Het was niet het ontbijt wat ik zelf zou uitzoeken. Of ik nog een cola wilde. Mijn chauffeur liep weer langs met twee fusten in zijn hand en knikte van ‘toe dan, neem dan die cola’. Ik liet me uit beleefdheid een glas cola inschenken. Ik kon ook nog naar de wc. Mijn darmen waren namelijk niet voorbereid op zoveel lekkers op deze vroege ochtend. Het was wel een heel geklungel om de befaamde Blaumann te openen en vervolgens mijn spijkerbroek te laten zakken en dan ook nog proberen te zitten. Ik stootte een paar keer tegen de deur, riep luid ‘scheiss Blaumann’ en hoorde hoe de vrouw en mijn chauffeur dubbel lagen van het lachen.

De eerste twee werkuren zaten erop en ik voelde me goed. Onderweg naar de tweede klant vroeg ik me af wat me nu te wachten stond. Op straat was het duidelijk drukker geworden. Ik genoot van de opkomende drukte, van de volle trams met de beslagen ruiten, de geïrriteerde automobilisten en de gehaaste fietsers. Een heerlijke sfeer van een vroege ochtend in een grote stad. Ik zat hier hoog en droog in de vrachtwagencabine en door mijn Blaumann wekte ik de indruk ook nog eens hard te werken.
‘Hier moeten we dan tot negen uur wachten’, zei mijn chauffeur. Ik keek op mijn horloge. Het was half acht. Had ik hem niet goed begrepen? Ik vroeg hem of dat inderdaad anderhalf uur wachten betekende. Ja, knikte hij.

Advertenties

One thought on “Uitzendkracht in Berlijn

  1. Pingback: Arnon Grunberg in Marzahn – Blog Allard van Gent

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s