De taal is een levend organisme

De taal is een levend organisme, een systematisch stelsel van verschillende onderdelen met een bepaald doel. Het menselijk lichaam is eveneens een levend organisme, maar dat is niet de enige overeenkomst die ons lichaam met de taal heeft. In de lijst hieronder staan 1.292 spreekwoorden, gezegden en uitdrukkingen waarin een lichaamsdeel voorkomt. Bij het samenstellen van de lijst heb ik in tal van woordenboeken en spreekwoordenboeken uitsluitend op de lichaamsdelen gelet. Dat leverde soms wat verwarring op, omdat bepaalde woorden meerdere betekenissen hebben. Een bot is behalve een lichaamsdeel ook een vissoort. Arm is ‘niet rijk’ én natuurlijk ook een lichaamsdeel. Deze woorden heb ik wel opgenomen in de lijst maar enkel met de betekenis van een  lichaamsdeel. De uitdrukking ‘Heel wat voeten in de aarde hebben’ staat wel in het boekje, terwijl de voet hier niet als lichaamsdeel, maar als oude lengtemaat wordt gebruikt. Die lengtemaat is echter afgeleid van het lichaamsdeel en dus heb ik de uitdrukking om die reden opgenomen. Het blijft echter lastig om dit soort grenzen te trekken. Dat geldt ook voor de hoeveelheid spreekwoorden en uitdrukkingen. Ik heb me bij het zoeken beperkt tot de belangrijkste standaardwerken op het gebied van spreekwoorden en gezegdes.

De geraadpleegde bronnen
Bij het zoeken maakte ik veel gebruik van de spreekwoordenboeken van F.A. Stoett, Huizinga en Harrebomée. Dit zijn de grote namen in de Nederlandse Letterkunde als het om spreekwoorden en uitdrukkingen gaat. Naast deze wetenschappelijke boeken zijn er talloze andere boekjes met spreekwoorden en uitdrukkingen op de markt zoals bijvoorbeeld boekjes met Friese uitdrukkingen, Groningse, Amsterdamse, Brabantse, etc. etc.

Behalve de spreekwoordenboeken heb ik ook het W.N.T. (Woordenboek der Nederlandse Taal) geraadpleegd. Daarin wordt vaak verwezen naar Stoett en Harrebommée, die meer uitleg geven bij een spreekwoord dan ik doe in mijn opsomming. Zo las ik bijvoorbeeld iets over het woord ‘leveren’. In de 17e eeuw was het zeer gebruikelijk dat men bij vrolijke maaltijden een stukje lever rondgaf, waarbij iedere aanzittende een rijmpje moest maken waarin het woord lever voorkwam: dit spel heette leveren. Niet zelden werden daarbij obscene toespelingen en woordspelingen gemaakt.

ACHTERHOOFD
1. In zijn achterhoofd dacht hij…
* Op de achtergrond van zijn gedachten.
2. Niet op zijn achterhoofd gevallen zijn.
* Slim, goed zijn.

ACHTERSTE
3. Met zijn achterste in het botervat vallen.
* Iemand die door een rijk huwelijk uit zijn geldelijke moeilijkheden raakt.
4. Zijn achterste met boter smeren.
* Vaak met toevoeging ‘en droog brood eten’: iemand die veel geld aan kleding, maar weinig aan voeding besteedt.
5. Zijn achterste tegen de krib zetten.
* Zich stijfhoofdig tegen iets verzetten.

ACHILLESHIEL
6. Achilleshiel.
* Het zwakke punt van iemands karakter of zedelijkheid.

ARM
7. Een lange arm hebben.
* Verregaande macht bezitten.
8. Met open armen ontvangen.
* Zeer hartelijk.
9. De sterke arm.
* De feitelijke macht van de overheid, de politie.
10. Iemand een arm geven.
* Hem aan de arm nemen om hem te geleiden.
11. Iemand in de armen vallen.
* Hem omhelzen.
12. Iemand in de arm nemen.
* Zijn hulp inroepen.
13. In iemands armen rusten.
* Door hem omhelsd.
14. Een slag om de arm houden.
* Spreken of handelen onder voorbehoud.
15. Met zijn ziel onder zijn arm lopen.
* Doelloos en zich vervelend.
16. Met de armen over elkaar zitten.
* Ze gekruist over de borst hebben.
17. Mijn arm is geen uithangbord.
* Pak aan alsjeblieft.
18. De arm der gerechtigheid.
* Het apparaat van justitie.
19. Wat hij brengt in de arm – neemt hij mee – in de darm.
Wat hij aan de ene kant geeft, neemt hij op een andere manier dubbel en dwars terug.
20. In Morpheus’ armen liggen.
* Slapen.
21. Weinig armslag hebben.
Weinig mogelijkheden hebben (vooral wat geld betreft).
22. Alles op den arm, Niets in den darm.
* Vlaams rijmpje op mensen, die alles over hebben voor mooie kleren, doch nauwelijks het geld voor eten er af nemen.

BAARD
23. Onze Lieve Heer een vlassen baard maken.
* Schijnheilig zijn.
24. Zijn baard laten staan.
* Laten groeien.
25. Die heeft al zo’n baard.
* Dat is al een oude mop.
26. Een baardje zetten.
* Plagend met de hand of de stoppelbaard langs de kin van een kind wrijven.
27. Een baard krijgen van iets.
* Ergens genoeg van krijgen.
28. De baard in de keel krijgen.
* De overgang doormaken van de kinderstem tot de mannenstem.
29. Als de baard het teken van wijsheid was, zou de bok het wijste zijn.
* Het zit hem niet in de uiterlijke tekenen van waardigheid.
30. Die tegen de wind spuwt, krijgt een vuile baard.
* Die anderen wil bekladden, bevuilt (vaak) zichzelf.
31. Een baard hebben als een ouwe Jood.
* Iemand die zich sinds enige dagen niet geschoren heeft.
32. Een vrijer zonder baard – is geen duit waard.
* Wie nog geen baard heeft, wordt niet voor vol aangezien.
33. Iemand iets in de baard wrijven.
* Iemand iets inpeperen, het hem in zijn gezicht zeggen.
34. Iemand in de baard vliegen.
* Onenigheid met iemand krijgen en hem aanvliegen. De baard biedt in dergelijke gevallen een gemakkelijk houvast.
35. Zijn baard likken.
* Slaat op iemand die iets heerlijks ziet en daarover in gedachten staat te smullen.
36. Hij wil aan mijn baard leren scheren.
* Hij wil het op mij of op mijn kosten uit gaan proberen, gaan ondervinden.
37. Rode baard, duivelse aard.
* Een rode baard wordt gezien als een teken van valsheid. Vandaar dat roodharigen niet te vertrouwen zouden zijn.
38. Een kus zonder baard is een ei zonder zout.
* De vrijer moet wat ouder zijn dan de vrijster. Ook: Men moet niet zo jong trouwen.
39. Spelen om ’s keizers baard.
* Ruzie maken over iets dat geen van beide partijen bezit of ooit krijgen zal. Ook: Over iets, waarover in ’t geheel geen twist nodig is.

BEEN
40. Geen been om op te staan.
* Geen steekhoudende argumenten meer hebben om je op te beroepen.
41. Op zijn achterste benen gaan staan.
* Zich fel tegen iets verzetten.
42. Zijn beste beentje voorzetten.
* Zijn best doen.
43. Op eigen benen staan.
* Zelfstandig zijn.
44. Jonge benen hebben.
* Nog jong zijn en dus goed kunnen lopen.
45. Dat is tegen het zere been.
* Dat is een opmerking die verkeerd valt.
46. Iemand beentje lichten.
* Doen struikelen.
47. De benen nemen.
* Vluchten.
48. Al lang op de been zijn.
* Lang gelopen hebben.
49. Ergens geen been in zien.
* Er niet voor terugschrikken.
50. Met een been in het graf staan.
* Niet meer lang te leven hebben.
51. Hij kan niet meer op zijn benen staan.
* Doodmoe zijn.
52. Hij is goed ter been.
* Goed kunnen lopen.
53. Het been stijf houden.
* Niet toegeven.
54. De benen strekken.
* Een eindje gaan wandelen.
55. Met beide benen op de grond staan.
* Heel nuchter zijn.
56. Dat gaat door merg en been.
* Dat gaat overal doorheen.
57. Met het verkeerde been uit bed stappen.
* Slecht gehumeurd zijn.
58. Op het verkeerde been gezet worden.
* Door een schijnbeweging van de tegenstander misleid worden.
59. Alsmaar op een been knagen.
* Geregeld zeuren en zaniken over hetzelfde onderwerp.
60. Iemand een been te kluiven geven.
* Hem zwarigheden in de weg leggen, moeilijkheden veroorzaken.
61. Iemands been afknagen.
* Zich op zeer hinderlijke, vooral voor de ander nadelige wijze, met andermans zaken bemoeien.
62. Dat been is weer in het gelid gezet.
* Die zaak is weer in orde, voor elkaar.
63. Iemand op de been helpen.
* Van een herstelde zieke zegt men, dat hij ‘weer op de been is’.
64. Op de been blijven.
* Niet zo ziek zijn, dat men naar bed moet.
65. Op de been brengen.
* Wordt gezegd van het vormen van een leger; een leger op de been brengen.
66. Vlug ter been zijn.
* Vlug, kwiek lopen.
67. Zich niet op de been kunnen houden.
* Gezegd wanneer het slecht met de zaken gaat.
68. Iemand bij het been krijgen.
* Iemand afzetten, bedriegen, te veel laten betalen.
69. Op zijn zeer been krijgen.
* Iets dat voor zijn rekening komt.
70. Het derde beentje.
* Penis.
71.  Met twee benen in een kous.
* In moeilijkheden.
72. Op één been kan men niet lopen.
* Als je één glaasje drinkt, moet je ook een tweede nemen.
73. Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen.
* Als iemand rijk wordt, geeft hij zijn geld gemakkelijk aan verkeerde dingen uit.
74. Als twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen.
* Als twee mensen ruzie maken om iets, krijgt een derde het meestal.
75. Van kindsbeen af.
* Sedert de vroegste kinderjaren.
76. De beentjes gingen van de vloer.
* Er werd gedanst.
77. Steen en been klagen.
* Voortdurend klagen.
78. Vel over been zijn.
* Broodmager.
79. In de benen zijn.
* Opgestaan zijn.
80. Je benen onder een andere tafel steken.
* Bij vreemden zijn.
81. Op zijn laatste benen lopen.
* Het niet lang meer kunnen volhouden.
82. De appels lopen op gouden benen.
* Als in een bepaald seizoen er geen appels meer te krijgen zijn, worden zij heel duur. Ze lopen dan op gouden benen.
83. Een buitenbeentje.
* Iemand die zich duidelijk van de anderen onderscheidt.
84. Een blok aan het been hebben.
* Niet vrij zijn in zijn handelingen; getrouwd zijn.
85.  Een brekebeen.
* Een sukkel, een knoeier; beunhaas.

BILLEN
86. Zien wie de blankste billen heeft.
* Zien op wie de minste kritiek te leveren valt.
87. Hij moet met de billen bloot.
* Zijn zaak wordt tot op de bodem uitgezocht.
88. Van bil gaan.
* Geslachtsgemeenschap hebben.
89. In zijn billen gebeten zijn.
* Beledigd zijn. Hetzelfde als ‘op zijn teentjes getrapt zijn’.
90. Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten.
* Als je iets verkeerd doet, moet je de gevolgen daarvan dragen.
91. Kermisgaan is een bilslag waard.
* Voor een mooi feest moet men wel wat over hebben.
92. Voor de billen krijgen.
* Een standje krijgen.
93. Hij heeft het lood al in de bil.
* Hij heeft de slag al beet; hij moet zich gewonnen geven.
94. Kinderen die willen, krijgen voor de billen.
* Dreigement van moeder, als de kinderen zeuren om hun zin te krijgen.

BLAAS
95. Aan de haal gaan voor een blaas met bonen.
* Erg snel bang zijn, weggaan voordat er ook maar iets aan de hand is.

BORST
96. Een hoge borst opzetten.
* Hoogmoedig, trots zijn.
97. Uit volle borst zingen.
* Luidkeels.
98. Maak je borst maar nat.
* Bereid je voor op een zware inspanning.
99. De borst geven.
* Borstvoeding geven.
100. Iemand aan de borst drukken.
* Iemand omarmen.
101. Zichzelf op de borst slaan, kloppen.
* Zich op iets beroemen.
102. Het op de borst hebben.
* Zwaar verkouden zijn.
103. Tegen de borst stuiten.
* Een afkeer hebben van.
104. Een adder aan zijn borst koesteren.
* Iemand met weldaden overladen en daardoor beloond worden met giftige ondankbaarheid (‘stank voor dank’).
105. Zich met de borst op iets toeleggen.
* Zich ijverig met iets bezighouden.

BOT
106. Een botje zonder gal.
* Een onnozel, goedaardig mens.
107. Bot vangen.
* Niet slagen in een poging.
108. Men kan zijn botten tellen.
* Hij is zeer mager.
109. Tot op het bot verkleumd zijn.
Door en door verkleumd.
110. Iets dat iemand nog in de botten zit.
* Van onaangename ervaringen gezegd.
111. Botje bij botje leggen.
* Gezamenlijk de kosten dragen.
112. Wie zich voor hond verhuurt, moet de botten kluiven.
* Als je je voor iets of iemand uitgeeft, moet je ook de (nadelige) consequenties daarvan dragen.
113. Ik zal met jouw botten nog noten knuppelen.
* Ruwe uitdrukking: als jij al lang dood bent, dan ben ik nog flink en sterk.

BUIK
114. Er de buik van vol hebben.
* Er niets meer mee te maken willen hebben.
115. Zijn buik rammelt.
* Namelijk van de honger.
116. Met het mes in de buik rondlopen.
* Bezorgd zijn.
117. Schrijf het maar op je buik.
* Daar komt niets van in.
118. Hij heeft een buikje.
* Door vetzucht veroorzaakte dikke buik.
119. De buik met benen (beenderen) hebben.
* Wordt gezegd van ongehuwd meisje, dat bevallen moet.
120. Een hongerige buik (maag) heeft geen oren.
* Aan een behoeftige is het moeilijk raad geven.
121. Een volle buik kan gemakkelijk het vasten aanprijzen.
* Wie zichzelf goed redden kan, kan gemakkelijk aan iemand die het niet breed heeft de soberheid aanbevelen.
122. Een volle buik studeert niet graag.
* Een al te weelderig leven doodt de energie.
123. Voor zijn buik een god (of afgod) maken.
* Alleen leven voor lekker eten en drinken.
124. Als het buikje vol is, dan is het hoofdje blij.
* Als de honger gestild is, is alles weer in orde.
125. Het zijn twee handen op één buik.
* Ze zijn het volkomen eens.
126. Vlinders in je buik hebben.
* Onrustig zijn, b.v. door verliefdheid.
127. Baas in eigen buik zijn.
* Zelf willen bepalen wanneer je zwanger wilt worden.
128. Dat zal me de buik niet rimpelen.
* Dat kan me niets schelen.
129. Buikske vol, harteke rust.
* Als men maar eerst goed gegeten heeft, dan voelt men zich plezierig en is men tevreden.

DARM
130. Een holle darm.
* Een gulzigaard.
131. Een snijder heeft maar een darm.
* Spotternij van boeren, die veel meer eten dan de kleermaker.

DIJ
132. Op zijn dijen slaan.
* Dolle pret hebben.
133. Een dijenkletser.
* Grap die een uitbundige reactie verwekt.

DUIM
134. Een dikke duim hebben.
* Een rijke fantasie hebben.
135. De duimen leggen.
* Het onderspit delven, zich overgeven.
136. Geen duim gronds wijken, afstaan.
* Helemaal niets afstaan.
137. Onder de duim houden.
* Bedwingen, beheersen.
138. Iets uit zijn duim zuigen.
* Het verzinnen.
139. Iets op zijn duimpje weten, kennen.
* Zeer goed.
140. Geen duimbreed wijken.
* Pal staan.
141. De duim in de hand hebben.
* Iets in zijn macht hebben, kunnen handelen naar eigen goeddunken.
142. De duim in de hand houden.
* Iets geheim houden, niets vertellen, alles voor zich houden.
143. Zijn duim ergens aan af (kunnen) likken.
* Begerig zijn naar iets, doch er niet bij of aan kunnen komen.
144. Op zijn duim kunnen fluiten.
* Hij heeft het nakijken, het zal aan hem voorbij gaan.
145. Iemand iets instampen met duim en vinger.
* Iemand van iets doordringen, iets inprenten, aan zijn verstand brengen.
146. De duim op het zundgat houden.
* Een ruzie voorkomen, een explosieve situatie onder controle houden of hebben.
147. Met de duimen draaien.
* Niets uitvoeren.
148. Voor iemand duimen.
* Aan iemand denken die niet aanwezig is; dit zal hem geluk brengen.

EELT
149. Eelt op zijn ziel hebben.
* Ongevoelig zijn voor leed.

ELLEBOOG
150. Met de ellebogen werken.
* Anderen opzij dringen.
151. Het achter de ellebogen hebben.
* Niet te vertrouwen zijn.

GAT
152. Een zittend gat kan veel bedenken.
* Wetenschap en kunst vorderen rust.
153. Iemand in zijn gat kruipen.
* Zie ‘Iemand in zijn kont kruipen’.
154. Zijn gat aan iemand afvegen.
* Iemand met de diepste minachting geringschatten, er volstrekt niet om geven.
155. Geen rust in zijn gat hebben.
* Zeer onrustig zijn.
156. Op zijn gat liggen.
* In kwijnende toestand verkeren; voorgoed mislukt.
157. Met zijn gat in de boter vallen.
* Veel geluk hebben.
158. Op zijn (luie) gat zitten.
* Niets uitvoeren.
159. Geen hemd, broek, aan zijn gat hebben.
* Doodarm zijn.
160. Iemand z’n gat likken.
* Vleien.
161. Hij heeft zijn gat er netjes ingedraaid.
* Hij heeft daar een mooi plaatsje weten te krijgen.
162. Hij nam zijn gat onder de arm.
* Hij ging er hard van door.
163. Wie zijn gat uitleent, moet zelf door de ribben schijten.
* Al te goed is buurmans gek.
164. Hij zit met zijn (blote) gat in de brandnetels.
* Hij bevindt zich in ‘netelige’ omstandigheden.
165. Die een dik gat heeft, moet ook een wijde broek hebben.
* Wie een groot bedrijf heeft (of wie een grote staat voert) heeft veel nodig.

GEHEMELTE
166. Het gehemelte strelen.
* De smaak aangenaam prikkelen.

GEZICHT
167. Vreemde gezichten.
* Onbekende personen.
168. Een braaf gezicht zetten.
* Schijnheilig kijken.
169. Iemand met een dubbel gezicht.
* Met een vals gezicht.
170. Een lang, zuur gezicht zetten.
* Blijk geven van teleurstelling of ergernis.
171. Een open gezicht.
* Dat vertrouwen wekt.
172. Dat geeft scheve gezichten.
* Dat maakt anderen jaloers.
173. Een stalen gezicht.
* Zonder emotie.
174. Zijn ware gezicht tonen.
* Zijn ware aard.
175. Een organisatie een ander gezicht geven.
* Een organisatie een ander aanzien geven.
176. Ergens zijn gezicht laten zien.
* Een kort bezoek afleggen.
177. Zijn gezicht staat op onweer.
* Hij trekt een boos gezicht.
178. Gezichten trekken.
* Er allerlei uitdrukkingen aan geven
179. Het gezicht verliezen.
* Blind worden.
180. Hou je gezicht.
* Zwijg.
181. Zijn gezicht redden.
* Voorkomen dat men afgaat.
182. Zijn gezicht verliezen.
* Zijn prestige kwijtraken, een figuur slaan.
183. Liefde op het eerste gezicht.
* Vanaf de eerste ontmoeting.
184. Op het eerste gezicht.
* Bij een eerste beschouwing.
185. Een klap in ’t gezicht.
* Een belediging of iets onverwacht negatiefs.
186. Iets in iemands gezicht zeggen.
* Ronduit zeggen.
187. Iemand op zijn gezicht geven (slaan, timmeren).
* Hem afranselen.
188. Iemand van gezicht kennen.
* Van uiterlijk.
189. Iemand met twee gezichten.
* Een valsaard, schijnheilige.
190. Iemand uit het gezicht verliezen.
* Hem niet meer kunnen zien (gaandeweg onbekend raken met zijn lot).
191. Iets uit het gezicht leggen.
* Ergens waar het niet te zien is.
192. Dat is geen gezicht!
* Dat is niet om aan te zien.
193. Het tweede gezicht.
* De gave van de helderziendheid.
194. Een gezicht als een donderwolk.
* Een zeer boos gelaat.
195. Een gezicht als een oorworm.
* Een boos, ontevreden gelaat.
196. Een begrafenisgezicht zetten.
* Een treurig, bedrukt gezicht; alsof men een beminde dode ter aarde bestelt.
197. Een blote-billengezicht.
* Een rond en glad gezicht.
198. Een doodbidders-gezicht zetten.
* Zie begrafenisgezicht. Hier met de bedoeling van : geforceerd, gemaakt ernstig.
199. Een geleerd gezicht zetten.
* Wanneer men ons oordeel vraagt voor een zaak van gewicht.
200. Een gelegenheidsgezicht zetten.
* een gezicht zetten dat zich aanpast aan vreugdevolle, bedroefde, benauwde of verbazingwekkende omstandigheden.
201. Een gezicht hebben als een boer die kiespijn heeft.
* Een pijnlijke trek op het gezicht; ook ‘treurig kijken’. Meestal ironisch bedoeld.
202. Een gezicht hebben van drie dagen onweer.
* Een zeer onvriendelijk gezicht.
203.  Een betrokken gezicht.
* Zie ‘een gezicht hebben van drie dagen onweer’.
204. Een gezicht hebben van oude lappen.
* Een zuur, ontevreden, huilerig gezicht.
205. Een goed gezicht zetten bij een kwaad spel.
* Zich goed en vriendelijk houden ondanks het feit dat men het spel verloren heeft.
206. Een meewarig gezicht zetten.
* Vriendelijk, medelijdend gezicht.
207. Een stoïcijns gezicht.
* Een kalm, onverstoorbaar, koel, bedaard gezicht.
208. Een uitgestreken gezicht.
* Een effen, plechtig gezicht.
209. Een vollemaansgezicht.
* Een rond, bol, glad gezicht (als blotebillengezicht).
210. Een vriendelijk gezicht.
* ‘geeft overal licht’: Een vriendelijk gezicht geeft vrolijkheid aan de omgeving.
211. Een zondags gezicht zetten.
* Schertsend voor een vroom, een uitgestreken gezicht.
212. Je had dat gezicht eens moeten zien.
* Wordt gezegd van iemand die erg verwonderd keek over hetgeen hij zag of hoorde.
213. Met een effen gezicht.
* Gezicht waaruit geen enkele gemoedsaandoening spreekt.
214. Met een zoetsappig gezicht.
* Een laf, flauw, overdreven vriendelijk gezicht.
215. Met zijn gezicht in de erwten vallen.
* Een door pokken geschonden gezicht.
216. Op iemands gezicht afgaan.
* Zijn oordeel omtrent iemand vormen naar diens gelaatsuitdrukking.
217. Op je gezicht!
* Een van de bedreigingen in de volkstaal. ; dat kun je denken, daar komt niets van, morgen brengen.
218. Uit iemands gezicht gesneden zijn.
* Sprekend op iemand lijken.

HAAR
219. Met huid en haar.
* Helemaal.
220. Iemand van haar noch pluimen kennen.
* Iemand helemaal niet kennen.
221. Het haar op zolder dragen.
* Van achteren opgestoken.
222. Haar op de tanden hebben.
* Van zich af durven spreken.
223. Met de handen in het haar zitten.
* Geen raad meer weten.
224. Pijn in het haar hebben.
* Katterig zijn.
225. Grijze haren van iets krijgen.
* Zich er veel zorgen over maken.
226. Zijn wilde haren kwijtraken.
* Zijn jeugdige lichtzinnigheid laten varen.
227. Ik ben me daar een haartje betoeterd.
* Zo dom ben ik niet.
228. Dat is met het haar getrokken.
* Overdreven, onjuist voorgesteld.
229. Zich de haren uit het hoofd trekken.
* Van spijt, berouw, enz.
230. Een haar in de boter zoeken.
* Redenen om ruzie te maken.
231. Op een haar na.
* Net niet, bijna.
232. Elkaar in de haren vliegen.
* Ruzie maken.
233. Iets met de haren erbij slepen.
* Het bij iets te pas brengen  waar het niets mee te maken heeft.
234. Iemand tegen de haren instrijken.
* Hem met onaangenaamheden prikkelen.
235. Alles op haren en snaren zetten.
* Zijn uiterste best doen om zijn doel te bereiken.
236. Geen haar op m’n hoofd die eraan denkt.
* Ik pieker er niet over.
237. Iemand geen haar krenken.
* Hem volstrekt geen leed of schade doen.
238. Geen haar beter zijn.
* Even slecht zijn.
239. M’n haren rezen te berge.
* Van schrik, angst, enz.
240. Door zijn haar groeien.
* Gekscherend van iemand die aanleg heeft voor kaalheid.
241. Ergens een haar in gevonden hebben.
* Niet werken (eten) willen.
242. Geen haar goed aan iemand zijn.
* Helemaal niet deugen.
243. Geen kwaad (verkeerd) haar hebben.
* Een goedige natuur hebben, alle mogelijke goede eigenschappen in zich verenigen.
244. Geen haar van iemands hoofd krenken.
* Iemand geen leed doen.
245. Haar of geen haar – kammen moet je maar.
* Gekscherende gezegde wanneer men zijn haren – hoe weinig talrijk deze ook mogen zijn – kamt.
246. Rood haar en elzehout – zijn op geen goede grond gebouwd.
* Roodharigen staan in een weinig goede reuk.
247. Zijn haar is afgezakt.
* Gekscherend gezegd van iemand met een kaal hoofd en een baard.
248. Het haar van de hond erop.
* Wat de kwaal veroorzaakt heeft, zal het ook genezen.
249. Ze zijn aan ’t haar kloven.
* Ze pluizen de zaak helemaal uit.
250. Dat is hem niet naar ’t haar.
* Dat bevalt hem allerminst.
251. Hij heeft er haar gelaten.
* Hij heeft er geld bij verspeeld.
252. Hij wil zijn haar weerhalen.
* Hij wil wraak nemen, schadevergoeding.
253. Dat heeft maar aan een haar gehangen.
* Dat scheelde niet veel.
254. Ik moet er haar of pluimen (veren) van hebben.
* Ik moet weten waar ik aan toe ben.
255. Grijs haar, wijs haar.
* Oudere mensen beschikken over veel levenswijsheid.
256. Zijn haren krullen.
* Wordt gekscherend gezegd van iemand die geprezen wordt, een pluimpje krijgt.
257. Grijze haren zijn kerkhofsbloemen.
* Grijs haar betekent dat de dood nabij is.
258. Gekrulde haren, gekrulde zinnen.
* Iemand die gekruld haar heeft is wispelturig.
259. Een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken.
* Een slecht mens is nooit te vertrouwen.
260. Hij draagt zijn muts op drie haartjes.
* Hij is een beetje losbandig.
261. Het scheelde maar een haartje.
* Het was bijna gelukt.
262. Spijt hebben als haren op je hoofd.
* Veel spijt hebben.
263. Een haarklever.
* Een muggezifter, een vitter, een gortenteller.

HALS
264. De hals breken.
* Sterven.
265. Dat kost u de hals.
* Dat betekent uw einde.
266. Zijn hals eraan wagen.
* Zijn leven eraan wagen.
267. Iemand aan de hals krijgen.
* Last met hem krijgen.
268. Iemand op de hals vallen, vliegen.
* Omarmen.
269. Iemand om hals brengen.
* Ter dood brengen.
270. Iemand iets op de hals schuiven.
* Hem er de last van bezorgen.
271. Zich iets op de hals halen.
* Zichzelf met iets opschepen.
272. Zich van de hals houden.
* Niet dichtbij laten komen.
273. Uit zijn hals praten.
* Geaffecteerd spreken.
274. Hals over kop.
* In allerijl.
275. De hals kosten.
* Van zaken: verlies lijden. Overdrachtelijk: er het leven bij inschieten.
276. Een onnozele hals.
* Een simpele, eenvoudige ziel, iemand die niet erg verstandelijk ontwikkeld is.

HAND
277. Zich met handen en voeten verweren.
* Met alle macht.
278. Iets handen en voeten geven.
* Het duidelijk en concreet maken, het realiseren.
279. Handen en voeten roeren.
* Alle mogelijke moeite voor iets doen.
280. Het recht in eigen hand nemen.
* Zelf voor rechter spelen.
281. Met lege handen staan.
* Zijn doel niet bereikt hebben.
282. De handen vol hebben.
* Het druk hebben.
283. De vrije hand hebben.
* Vrij zijn om te beslissen.
284. De hand in iets hebben.
* Er deel aan hebben.
285. Iemand de helpende hand bieden.
* Hem helpen.
286. In andere handen komen.
* Van eigenaar verwisselen.
287. In goede handen zijn.
* Onder goede invloed, goed verzorgd.
288. Gouden handen hebben.
* Erg handig zijn.
289. Met harde hand.
* Streng.
290. Als men hem één vinger geeft, neemt hij de hele hand.
* Door een kleine gunst veroorlooft hij zich te veel.
291. Van hoger hand.
* Van overheidswege.
292. De laatste hand aan iets leggen.
* Het voltooien.
293. Niet met lege handen komen.
* Iets meebrengen.
294. Uit de losse hand.
* Geïmproviseerd.
295. Met vaste hand.
* Beheerst, zonder beven.
296. Met losse handen.
* Zonder zich vast te houden.
297. Met krachtige hand regeren.
* Met gezag.
298. Een hand vol vliegen.
* Iets zeer onzekers.
299. De handen vrij hebben.
* Zich ongehinderd aan iets kunnen wijden.
300. Met de warme hand schenken.
* Terwijl men nog leeft.
301. Met zachte hand.
* Tactisch.
302. Aan de beterende hand zijn.
* Herstellende.
303. De handen van iets, iemand aftrekken.
* Hem aan zijn lot overlaten, resp. zich er niet meer mee bemoeien.
304. Iemand de handen binden.
* Hem in zijn vrijheid beperken.
305. Zijn handen branden(aan iets).
* Een zaak niet tot een goed einde brengen.
306. Bang zijn zijn handen aan koud water te branden.
* Overdreven voorzichtig zijn.
307. Iemand, elkaar de hand drukken of schudden.
* Bij een begroeting of afscheid.
308. De hand in iets hebben.
* Er deel aan hebben.
309. Iemand de hand boven het hoofd houden.
* Hem verdedigen.
310. De hand op de knip houden.
* Het budget bewaken, zuinig zijn.
311. De handen ineenslaan.
* De krachten bundelen.
312. Mijn handen jeuken.
* Ik heb veel zin (hem) een pak slaag te geven.
313. Handen te kort komen.
* Zeer veel te doen hebben.
314. Zijn handen niet thuis kunnen houden.
* Zich niet kunnen weerhouden te slaan; de neiging hebben iemand te betasten; de neiging hebben te stelen.
315. Zijn handen laten wapperen.
* Iets doen, werken.
316. De handen in de schoot leggen.
* Zich in het onvermijdelijke schikken.
317. De hand op iets leggen.
* Het zich weten te verwerven.
318. Iemands hand lezen.
* Om daaruit zijn karakter of toekomst te leren kennen.
319. De hand met iets lichten
* Het met iets niet zo nauw nemen.
320. Ergens zijn hand niet voor omdraaien.
* Het in het geheel niet moeilijk vinden.
321. De handen tegen iemand opheffen.
* Verzet tonen.
322. De handen ophouden.
* Bedelen.
323. Zijn handen overspelen.
* In onderhandelingen te veel eisen.
324. Elkaar de hand reiken.
* Zich met elkaar verzoenen, elkaar helpen.
325. De handen reppen.
* Druk bezig zijn.
326. De hand aan de ploeg slaan.
* Het werk aanvatten.
327. De hand aan zichzelf slaan.
* Zelfmoord plegen.
328. Iemand de hand smeren.
* Hem omkopen.
329. Zijn handen staan verkeerd.
* Hij is onhandig.
330. De hand in eigen boezem steken.
* Eigen schuld erkennen.
331. Ergens zijn hand voor in het vuur durven steken.
* Er een eend op durven doen.
332. Iemand de handen stoppen.
* Hem omkopen.
333. Met de hand over het hart strijken.
* Minder streng zijn.
334. De toegestoken hand weigeren.
* Zich niet willen verzoenen.
335. Een hand toesteken.
* Hulp verlenen.
336. Zijn handen uit de mouwen steken.
* Flink aanpakken.
337. Zijn hand uitsteken.
* Om richting aan te geven bij het afslaan, als fietser.
338. De handen vouwen.
* De palmen tegen elkaar leggen en eventueel de vingers door elkaar strengelen.
339. De hand van een meisje vragen.
* Haar ten huwelijk vragen.
340. Zijn handen aan iets vuil maken.
* Zich met een smerige zaak inlaten.
341. Zijn handen in onschuld wassen.
* Zich onschuldig verklaren.
342. Zich in de handen wrijven.
* Als teken van voldoening.
343. De handen wringen.
* Ze ineengeslagen heen en weer bewegen, als teken van smart of wanhoop.
344. Iemands handen zalven.
* Hem omkopen.
345. Zijn handen zitten los.
* Hij slaat gauw.
346. Een handje van iets hebben.
* De hinderlijke gewoonte hebben het genoemde te doen.
347. Een handje helpen.
* Meehelpen.
348. Hand erop.
* Ter bekrachtiging van iets.
349. Ergens streng de hand aan houden.
* Er niet van afwijken.
350. Handen thuis.
* Niet aankomen.
351. Aan de hand van.
* Geleid door.
352. Iets aan de hand hebben.
* Met iets bezig zijn; in iets betrokken zijn.
353. Aan iemands handje lopen.
* Van hem afhankelijk zijn.
354. Aan handen en voeten gebonden zijn.
* Door verplichtingen geen enkele vrijheid van handelen hebben.
355. Iemand iets aan de hand doen.
* Bezorgen, verschaffen.
356. Hand in hand gaan.
* Samen gaan, gepaard gaan.
357. Aan de hand lopen.
* Slaafs volgen.
358. Iets achter de hand hebben.
* In reserve.
359. Water in de ene en vuur in de andere hand dragen.
* Dubbelhartig zijn.
360. Iets bij de hand hebben.
* Beschikbaar hebben.
361. Schoon in het handje.
* Contant.
362. Iemand in handen vallen.
* In zijn macht komen.
363. Het kan in en uit de hand vallen.
* Mee- of tegenvallen.
364. Iemand iets in de hand duwen.
* Hem met enig geweld dwingen het aan te nemen.
365. Iemand iets in handen geven.
* Toevertrouwen.
366. Iemand iets in handen spelen.
* Weten te bezorgen.
367. Het heft in handen nemen, houden.
* Het gezag, de macht.
368. Een gat in de hand hebben.
* Teveel geld uitgeven.
369. In de handen knijpen.
* Veel geluk hebben.
370. Iets in de handen hebben.
* De zaak meester zijn.
371. Iets zelf in de hand hebben.
* Er zelf over kunnen beslissen.
372. Iets met beide handen aangrijpen/aannemen.
* Zeer gaarne.
373. Zich met hand en tand verzetten.
* Met alle kracht.
374. Met de hand op het hart.
* Oprecht, naar waarheid.
375. Zeg maar dag met je handje.
* Dat ben je kwijt, dat gaat niet door.
376. Iemand naar zijn hand zetten.
* Zich naar zijn wil doen voegen.
377. Dat is een kolfje naar zijn hand.
* Dat bevalt hem helemaal.
378. Iets om handen hebben.
* Iets te doen hebben.
379. Iemand onder handen nemen.
* Hem berispen.
380. Iemand op de handen kijken.
* Kritisch toekijken, terwijl hij ergens mee bezig is.
381. Hand over hand toenemen.
* Geleidelijk, steeds.
382. Iemand iets ter hand stellen.
* Overhandigen.
383. Uit de hand eten.
* Grote makheid vertonen.
384. Uit de hand lopen.
* Niet meer beheerst worden.
385. Informatie uit eerste hand hebben.
* Van de meest direct betrokkene(n).
386. Iets van de hand doen.
* Het verkopen, opruimen.
387. Van hand tot hand gaan.
* Rondgegeven worden.
388. Op iemands handen zijn.
* Hem welgezind zijn.
389. Wat is er daar aan de hand?
* Wat gebeurt daar?
390. Iets in de hand werken.
* Het bevorderen.
391. Zwaar op de hand zijn.
* Erg serieus.
392. Op handen zijn.
* Aanstaande.
393. Van de hand in de tand leven.
* Het verdiende terstond verteren.
394. Iets van de hand wijzen.
* Afwijzen.
395. Geen hand voor iemand/iets uitsteken.
* Niets doen om hem te helpen, de zaak te bevorderen.
396. Geen hand voor ogen kunnen zien.
* Helemaal niets.
397. Handen als kolenschoppen.
* Zeer grote, sterke handen.
398. De handen op elkaar krijgen.
* Een applaus weten uit te lokken.
399. Aan de winnende hand zijn.
* Aan de kant staan, waar gewonnen wordt.
400. De hand op de mond leggen.
* Zichzelf het zwijgen opleggen.
401. Iemand de hand op de mond leggen.
* Iemand het zwijgen opleggen.
402. De reddende hand toesteken.
* Iemand redden uit moeilijkheden.
403. Ergens de hand aan houden.
* Aan een goede gewoonte, een regelmatig gebruik.
404. Iemand de vrije hand laten.
* Hem zijn gang laten gaan.
405. Iemand op zijn hand hebben.
* Iemand aan zijn kant hebben, een geestverwant hebben.
406. Iets ter hand nemen.
* Een bezigheid gaan verrichten
407. Iets uit de hand vervaardigen.
* Iets vervaardigen zonder mechanische hulpmiddelen.
408. De hand op het hart leggen.
* Bij zichzelf nagaan of men alles op de juiste wijze gedaan heeft.
409. Onder de hand.
* Niet openlijk, in het geheim.
410. Van goeder hand.
* Uit goede bron, van betrouwbare zijde.
411. Dat ligt voor de hand.
* Gemakkelijk voor het grijpen zijn.
412. Zonder hand kan men geen vuist maken.
* Men kan niet het onmogelijke verlangen.
413. De winnende hand is mild.
* Wie geld heeft, heeft wel iets over voor de ander.
414. In de dode hand zijn.
* Wordt gezegd van goederen die niet door anderen kunnen worden geërfd.
415. Iemand in de hand hebben.
* Macht over iemand hebben.
416. Van iemands hand vliegen.
* Bereid zijn onmiddellijk te doen wat de ander verlangt.
417. Zijn hand is tegen ieder.
* Hij heeft alleen maar vijanden, geen vrienden.
418. Steek je hand nooit tussen de schors en de boom.
* Bemoei je niet met de ruzie tussen man en vrouw.
419. De kwade hand op iemand leggen.
* Iemands ziekte, ongeval of zelfs dood veroorzaken.
420. De hand van de vlijtige maakt rijk.
* Iemand die hard werkt wordt rijk.
421. Een naarstige hand, een sparende tand, koopt anders land.
* Hard werken en sober leven leidt tot rijkdom.
422. Wie zijn hand in het vuur steekt, zal gewis zijn vingers branden.
* Wie gevaarlijk doet zal daarvan de nadelige gevolgen ondervinden.
423. Vlug met de hand, vlug met de tand.
* Wie snel werkt, eet ook snel.
424. Rap in de hand, rap in de tand.
* Dezelfde betekenis ‘rap in de hand, vlug met de tand’.
425. Handen aan zijn lijf hebben.
* Flink, rap, weerbaar zijn.
426. Handen vol werk geven.
* Zeer veel te doen geven.
427. Iemand in de handen vallen.
* Overmeesterd worden, gevangengenomen worden.
428. Iemand op de handen dragen.
* Op de meest liefdevolle wijze voor iemand bezorgd zijn.
429. Maar twee handen hebben.
* Doen al wat in zijn macht ligt.
430. Met de handen over elkaar zitten.
* Ledig zitten, niets uitvoeren.
431. Ophanden zijn.
* Aanstaande zijn, te verwachten zijn.
432. Hij mag zijn handen wel dichtknijpen.
* Hij mag wel blij zijn, hij heeft geluk gehad.
433. Zijn handen van iemand aftrekken.
* Zich niet meer met hem bemoeien, hem aan zijn lot overlaten.
434. Zijn handen van iets afwassen.
* Verklaren dat men niet aansprakelijk is voor een (slechte of verkeerde) handeling.
435. Handen in de schoot, dat geeft geen brood.
* Wie niet werkt, kan niet in zijn levensonderhoud voorzien.
436. Handen stil, tanden stil.
* Zie ‘Handen in de schoot, dat geeft geen brood’.
437. Lege handen, lege tanden.
* Zie ‘Handen in de schoot, dat geeft geen brood’.
438. Hij heeft zijn handen zaligheid beloofd.
* Hij wil niet werken.
439. Als de ene hand wast, worden ze beide schoon.
* Als je elkaar helpt, heb je er beide voordeel aan.
440. Veel handen maken licht werk.
* Samenwerking maakt de arbeid minder zwaar.
441. Eén vogel in de hand is beter dan tien in de lucht.
* Je kunt beter zeker zijn van kleine dingen dan hopen op grote dingen die je waarschijnlijk nooit krijgt.
442. Laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet.
* Als je geeft voor een goed doe, doe dat dan onopvallend.
443. Iemands rechterhand zijn.
* Een persoon die in enig opzicht de steun, hulp of toeverlaat van een ander is.
444. Een kinderhand is gauw gevuld.
* Gezegd als iemand niet veeleisend is.
445. Veel troeven in handen hebben.
* Veel doorslaggevende argumenten.
446. Met de hoed in de hand komt men door het ganse land.
* Met beleefdheid brengt men het het verste.
447. Men kan geen ijzer met handen breken.
* Het onmogelijke is niet te doen.
448. De teugels in handen hebben.
* De baas zijn.
449. Twee linkerhanden hebben.
* Onhandig zijn.
450. Men moet met handen en niet met manden zaaien.
* Men moet altijd zuinig zijn.
451. Handje contantje.
* Contant betalen.
452. Zich met handen en voeten tegen iets verzetten.
* Zich met alle kracht tegen iets verzetten.
453. Dat heeft handen en voeten.
* Daar kun je wel iets mee beginnen, dat is een werkbaar geheel.
454. Wat zijn ogen zien, maken zijn handen.
* Hij is bijzonder handig.
455. Op zijn eigen handje.
* Eigenmachtig, op eigen gezag.

HART
456. Iets in hart en nieren zijn.
* Een hartstochtelijk liefhebber van het genoemde.
457. Met hart en ziel.
* Met alle kracht en toewijding.
458. In het hartje van de winter.
* Midden in de winter.
459. Met bloedend hart.
* Ongaarne.
460. Het Heilig Hart.
* Jezus’ hart als voorwerp van verering.
461. Met kloppend hart.
* Vol angstige spanning; vol verwachting.
462. Een gebroken hart.
* Een ongelukkige liefde.
463. Een goed hart hebben.
* Vriendelijk van aard zijn.
464. Uit een goed hart komen.
* Welgemeend zijn.
465. Een groot hart hebben.
* Grootmoedig zijn.
466. Iemand een goed, kwaad hart toedragen.
* Hem gunstig, ongunstig gezind zijn.
467. Iets een warm hart toedragen.
* Het toegedaan zijn.
468. Hij heeft een grote mond, maar een klein hartje.
* Hij doet zich ruw voor, maar is in feite gauw bang of gauw ontroerd.
469. Mijn hart draait om, keert me om in mijn lijf.
* Ik walg ervan tot brakens toe.
470. Heb het hart eens (in je lijf).
* Waag het eens.
471. Het hart hoog dragen.
* Trots zijn.
472. Het hart op de rechte plaats hebben.
* Rechtschapen zijn.
473. Een, geen hart in zijn lijf hebben.
* Moedig, resp. laf zijn.
474. Iemand een hart onder de riem, gordel steken.
* Hem moed inspreken.
475. Zijn hart vasthouden.
* In angst verkeren voor de afloop van iets.
476. Dat doet uw hart eer aan.
* Dat bewijst dat u edele gevoelens hebt.
477. Het hart op de tong hebben.
* Alles zeggen wat men denkt.
478. Het hart tot God heffen.
* Bidden.
479. Zijn hart aan iets ophalen.
* Er volop van genieten.
480. Z’n hart uitstorten.
* Anderen deelgenoot maken van datgene waarvan men vol is.
481. Zijn hart verliezen (aan).
* Verliefd worden (op).
482. Harten veroveren.
* Genegenheid opwekken.
483. Zijn hart aan iets verpanden.
* Zich er geheel aan overgeven.
484. Hart voor iets hebben.
* Iets toegedaan zijn.
485. Iemands hart stelen, winnen.
* Zijn liefde winnen, zich bij iemand bemind maken.
486. Het hart hebben.
* Iets durven of wagen.
487. Het hart zonk hem in de schoenen.
* Hij verloor alle moed.
488. Dat is een steek in mijn hart.
* Een oorzaak van lijden of verdriet.
489. Een kind onder het hart dragen.
* Zwanger zijn.
490. Iemand op het hart trappen.
* Diep beledigen, kwetsen.
491. Iemand aan het hart drukken.
* Omhelzen.
492. Het gaat mij aan het hart.
* Dat is me zeer dierbaar, daar voel ik me sterk bij betrokken.
493. Het ligt mij na aan het hart.
* Zie ‘Het gaat mij aan het hart’.
494. Dat is mij aan het hart gebakken.
* Zie ‘Het gaat mij aan het hart’.
495. Met de dood in het hart.
* Angstig.
496. In zijn hart hield hij nog veel van haar.
* Inwendig, zonder er iets van te laten blijken.
497. In de grond van mijn hart.
* In feite, eigenlijk.
498. Het wordt mij wee, bang enz. om het hart.
* Ik begin verdriet, angst, enz. te voelen.
499. Iets op zijn hart hebben.
* Behoefte voelen over iets te spreken.
500. Iemand iets op het hart drukken.
* Het hem met nadruk aanbevelen.
501. Uit de grond van mijn hart.
* Uit het diepste van mijn gemoed.
502. Van zijn hart geen moordkuil maken.
* Ronduit zeggen wat men denkt en voelt.
503. Een hart van steen hebben.
* Hardvochtig zijn.
504. Een hart van goud hebben.
* Zachtmoedig zijn.
505. Het is iemand naar mijn hart.
* Geheel naar mijn zin.
506. Iets niet over het hart kunnen verkrijgen.
* Er niet toe kunnen besluiten.
507. Iets ter harte nemen.
* Het in zich opnemen, zich ernaar richten.
508. Dat is mij uit het hart gegrepen.
* Daar ben ik het helemaal mee eens.
509. Van harte.
* Oprecht gemend.
510. Alle harten naar het zijne beoordelen.
* Menen dat anderen hetzelfde voelen.
511. Als je toch het hart (in je lijf) hebt!
* Als je toch de moed hebt om dit of dat te doen.
512. Dat kun je aan je hart voelen.
* Je gevoel zegt het je.
513. De weg naar het hart weten.
* Weten hoe men iemand voor zich moet winnen.
514. De weg naar het hart gaat door de maag.
* Om iemand met kans van slagen voor zich te winnen, moet men hem tevoren onthalen op lekker eten en drinken.
515. Waar het hart vol van is, vloeit de mond van over.
* Men spreekt lichtelijk over datgene waarvan men vervuld is.
516. Dat is een pak van mijn hart.
* Wanneer men een geruststellende mededeling ontvangt of de zwarigheid achter de rug heeft, is dit een pak van iemands hart.
517. Het hart klopt hem in de keel.
* Het benauwd hebben, door angsten of aandoeningen gekweld en gehinderd worden.
518. Hij heeft alles wat zijn hartje begeert.
* Hij heeft alles wat hij verlangt.
519. Heb het hart niet!
* Waag het niet.
520. Dat moet me van het hart.
* Dat moet ik even zeggen.
521. Zijn hart luchten.
* Zeggen wat je dwars zit.
522. Blote harten sliepen nooit bij schone vrouwen.
* Men moet zich door het eerste ‘nee’ van een meisje niet direct laten afschrikken.
523. Zijn (eigen)hart opeten.
* Door kommer, vooral ook door nijd of spijt verteerd worden.
524. Zijn hart ophalen.
* Zich vervrolijken, volop genieten.
525. Alle harten bij je eigen (rekenen).
* Denken, rekenen dat alle harten op dezelfde wijze zullen voelen.

HARTADER
526. (iets)de hartader afsnijden.
* Te gronde richten

HERSENS
527. Goede hersens hebben.
* Goed kunnen leren.
528. Zijn hersens afpijnigen, pijnigen.
* Zijn uiterste best doen om iets te bedenken of zich iets te herinneren.
529. Zijn hersens gebruiken.
* Nadenken.
530. De hersens inspannen, laten werken.
* Diep nadenken.
531. Hoe haal je het in je hersens!
* Hoe verzin je het, hoe kun je zo stom zijn.
532. Hersens als een garnaal.
* Een zeer klein verstand.
533. Iemands hersens op hol brengen.
* Iemand meeslepen, gek maken van iets.
534. Een kronkel in de hersens hebben.
* Onbevattelijk zijn, niet veel begrijpen, malle dingen doen.
535. Waar zitten je hersens?
* Vraag gesteld als iemand een stomme streek heeft uitgehaald, iets waarbij hij zijn verstand niet gebruikte.
536. Iemand op zijn hersens geven.
* Een pak slaag geven; een standje geven.

HEUP
537. Hij heeft, krijgt het op zijn heupen.
*Een aanval hebben, krijgen van grilligheid of humeurigheid; fanatiek bezig zijn, gaan.

HIEL
538. De hielen lichten.
* Zich verwijderen, ervandoor gaan.
539. Iemands hielen likken.
*Iemand vleien.
540. De hielen laten zien.
* Op de vlucht gaan.
541. Van iemand liever zijn hielen dan zijn tenen zien.
* Iemand liever zien gaan, dan komen.
542. Iemand op de hielen zitten.
* Hem dicht achterna zitten.
543. Dat is zijn Achilleshiel.
* Dat is zijn zwakke plek.

HOOFD
544. Het hoofd van de tafel.
* Waar de ereplaats is.
545. Hoofd van dienst.
* Titel van hoge ambtenaren op de departementen en elders.
546. Een hoofd groter.
*Zoveel als een hoofd hoog is.
547. Het hoofd koel houden.
* Rustig blijven, niet in paniek raken.
548. Het hoofd kwijt zijn.
* In de war zijn, niet weten wat te doen.
549. Het moede hoofd neerleggen.
* Sterven na een leven of periode vol zorgen.
550. Het moede hoofd ergens bij neerleggen.
* Erin in berusten.
551. Met opgeheven hoofd.
* Vol zelfvertrouwen, fier.
552. Een rood hoofd krijgen.
* Blozen.
553. Een zwaar/hard hoofd in iets hebben.
* Het somber inzien.
554. Een goed/helder hoofd hebben.
* Een scherp verstand.
555. Een gekroond hoofd.
* Een vorst.
556. Iets het hoofd bieden.
* Weerstand bieden aan iets.
557. Het hoofd buigen.
* Zich onderwerpen.
558. Het hoofd boven water houden.
* Niet te gronde gaan, niet door de omstandigheden bezwijken.
559. Het hoofd laten hangen.
* Neerslachtig zijn, de moed verliezen.
560. Het hoofd in de schoot leggen.
* Zich bij iets neerleggen, onderwerpen.
561. Het hoofd ontbloten.
* Zijn hoofddeksel afnemen.
562. Het hoofd van de romp scheiden.
* Iemand onthoofden.
563. Het hoofd schudden.
* Als teken van afkeuring of ontkenning.
564. Iemand naar het hoofd stijgen.
* Hem hoogmoedig maken.
565. Zijn hoofd stoten.
* In zijn pogingen niet slagen.
566. Zich het hoofd over iets breken.
* Er over tobben.
567. Zijn hoofd er niet bij hebben.
* Zijn gedachten er niet bij hebben.
568. Het hoofd loopt mij om.
* De beslommeringen overstelpen mij.
569. Mijn hoofd staat er niet naar.
* Ik ben daarvoor niet in de stemming.
570. Wie zijn hoofd vergeet, moet zijn benen gebruiken.
* Wie iets vergeet, moet twee keer lopen.
571. Het hoofd verliezen.
* In wanhoop, paniek gekke dingen doen.
572. Er hangt hem iets boven het hoofd.
* Er dreigt iets voor hem.
573. Een dak boven het hoofd hebben.
* Een onderkomen, woning.
574. Iemand boven het hoofd groeien.
* Groter worden dan hij is.
575. Met het hoofd in de nek.
* Met een verwaande houding, arrogant.
576. Met het hoofd tegen de muur lopen.
* Door te sterke tegenwerking niet kunnen bereiken wat men nastreeft.
577. Met het hoofd in de wolken lopen.
* Zijn gedachten niet bij praktische zaken hebben, b.v. van blijdschap.
578. Iemand iets naar het hoofd slingeren.
* Het hem verwijten.
579. Men kon er wel over de hoofden lopen.
* De mensen stonden dicht opeengepakt.
580. Iets over het hoofd zien.
* Het vergeten, er niet op letten.
581. Iemand van het hoofd tot de voeten opnemen.
* Hem aandachtig, kritisch bekijken.
582. Zich voor het hoofd slaan.
* Uit spijt, ergernis.
583. Iemand voor het hoofd stoten.
* Hem beledigen, kwetsen.
584. Niet goed bij het hoofd zijn.
* Niet bij zijn verstand zijn.
585. Dat is mij geheel door het hoofd geschoten(gegaan).
* Ik heb er volstrekt niet aan gedacht.
586. Iemand in het hoofd komen.
* Bij hem opkomen.
587. Zich iets in het hoofd halen.
* Zich dat inbeelden.
588. Hoe haalt hij het in zijn hoofd?
* Hoe komt het bij hem op?
589. Dat verlies is hem in het hoofd geslagen.
* Heeft hem zijn verstand doen verliezen.
590. Iets in zijn hoofd stampen.
* Met moeite in het geheugen krijgen.
591. Iets uit het hoofd leren, kennen.
* Van buiten kennen.
592. Uit het hoofd rekenen.
* Zonder de getallen op te schrijven.
593. Iets uit zijn hoofd laten.
* Niet zo dwaas zijn dat te doen.
594. Dat zou ik maar uit mijn hoofd zetten.
* Daarop zou ik maar niet hopen.
595. Aan het hoofd staan.
* De leiding hebben.
596. Uit dien hoofde.
* Om die reden, deswege.
597. Uit hoofde van.
* Wegens, op grond van.
598. Zoveel hoofden, zoveel zinnen.
* Zoveel mensen, zoveel meningen.
599. Een hoofd hebben als een boei.
* Een rood gezicht.
600. Een hoofd als een ijzeren pot.
* Een zeer sterk geheugen.
601. Iemand het hoofd op hol brengen.
* Hem enthousiast, opgewonden maken.
602. Wie boter op zijn hoofd heeft, moet niet in de zon lopen.
* Wie aan ’t zelfde gebrek lijdt, wie ’t zelfde heeft uitgehaald, moet dat aan een ander niet verwijten.
603. Waar je niet bij bent, wordt je ’t hoofd niet gewassen.
* Als men zelf niet op zijn zaken past, dan worden ze maar half of niet goed gedaan. Ook: Als men niet aanwezig is geweest, dan heeft men ook geen last of schade.
604. Vurige kolen op iemands hoofd stapelen.
* Weldaden bewijzen aan degenen die u haten, zodat ze beschaamd worden en hun vijandschap betreuren.
605. Een leven hebben als een luis op een zeer hoofd.
* Hij krijgt alles wat hij wenst.
606. Ergens een punthoofd van krijgen.
* Er erg vermoeid of geïrriteerd door worden.
607. Het hoofd staat hem verkeerd.
* Hij is in een slechte bui.
608. Een schurftig hoofd vreest de kam.
* Iemand die geen zuiver geweten heeft, is bang dat men een onderzoek naar bepaalde zaken zal instellen.
609. Iemands hoofd eisen.
* Eisen dat hij aftreedt.
610. De hoofden bij elkaar steken.
* Samen overleggen.
611. Ergens zijn hoofd onder verwedden.
* Zo zeker van een zaak zijn, dat men bij het aangaan van een weddenschap over de uitslag zelfs wel zijn hoofd als inzet durft te geven.
612. Iemand maalt me door het hoofd.
* Het komt me steeds weer ingedachten, ik kan het niet kwijtraken.
613. Hoofd koel, voeten warm.
* Hou je hersens erbij en zorg goed voor jezelf.
614. Iemand zijn voorhoofd (of neus) tussen twee oren zetten.
* Gekscherende bedreiging, die men wel eens tegen ondeugende  kinderen zegt.
615. Het hoofd opsteken.
* Zich verzetten, in opstand komen.
616. Het hoofd loopt me om.
* Uitdrukking van het gevoel van vermoeienis bij overgrote drukte van allerlei zaken.
617. Voor het hoofd geslagen staan.
* Bedremmeld, net alsof hij een zware slag tegen het hoofd gekregen had.
618. Iemand de kroon van het hoofd nemen.
* Hem van zijn eer beroven (door laster), zijn goede naam bezwalken.

HUID
619.Met huid en haar opeten.
* Helemaal opeten.
620. Een harde, dikke huid hebben
* Veel kunnen incasseren.
621. In een slechte huid steen.
* Niet goed gezond zijn.
622. Iemand de huid over de oren halen.
* Hem afzetten.
623. Zijn huid duur verkopen.
* Zich tot het uiterste verdedigen.
624. Iemand de huid vol schelden.
* Hem met scheldwoorden overladen.
625. In iemands huid kruipen.
* Zich indenken in zijn plaats te zijn.
626. In zijn huid niet deugen.
* Door en door slecht zijn.
627. Iemand op zijn huid geven, komen.
* Hem afrossen.
628. Iemand op zijn huid zitten.
* Hem hinderlijk volgen.
629. Nat tot op de huid.
* Door en door.
630. Bang zijn voor zijn huid.
* Voor zijn leven.
631. Je moet de huid niet verkopen voor je de beer geschoten hebt.
* Je moet geen toezeggingen doen over iets waar je nog niet over beschikt.
632. Een olifantshuid hebben.
* Een huid hebben waarop alles afketst, ongenaakbaar, niet te raken zijn.
633. Een rinoceroshuid hebben.
* Bijzonder ongevoelig zijn. Geen fijngevoelig mens zijn.
634. Zijn huid redden.
* Zich in veiligheid trachten te brengen door een goed georganiseerde terugtocht.
635. Ergens zijn huid bij inschieten.
* Bij bepaalde onderneming zijn leven verliezen.
636. Met zijn huid betalen.
* Het leven verliezen.
637. Iemand door de huid heen zien.
* Wordt gezegd van iemand die ontzettend tenger is.

HUIG
638. Iemand van de huig lichten.
* Door bedriegen het zijne bij iemand afhandig maken

KEEL
639. Een droge keel hebben.
* Dorst, een schraal gevoel in de keel hebben.
640. De keel schrapen.
* Slijm weghoesten voor het spreken.
641. De keel smeren.
* Drinken.
642. Iemand de keel uithangen.
* Hem vervelen.
643. Een (grote) keel opzetten.
* Hard gaan schreeuwen
644. Iemand de keel afsnijden.
* Iemand ombrengen.
645. Iemand het mes op de keel zetten.
* Hem tot iets dwingen.
646. Een kikker in de keel hebben.
* Niet goed kunnen spreken, hees zijn.
647. Een brok in de keel krijgen.
* Een ontroering waardoor het spreken belemmerd wordt.
648. Iemand naar de keel vliegen.
* Hem te lijf gaan.
649. Met een aardappel in de keel spreken.
* Bekakt spreken.
650. De woorden bleven me in de keel steken.
* Ik kon bijna niet praten.
651. De keel toesnoeren.
*Bij het horen van groot leed zet de schildklier op, waardoor men de bekende ‘prop’ in de keel krijgt, alsof de keel wordt afgesloten.
652. Door de keel jagen.
* Geld aan drank verspillen.
653. De keel kost veel.
* Er wordt veel geld uitgegeven aan eten en drinken.
654. Er sterven er meer van te veel dan van te weinig door de keel.
* Het is schadelijk voor de gezondheid veel te eten en veel alcohol te drinken.

KIES
655. Dat kan ik wel in mijn holle kies stoppen.
* Dat is erg weinig.
656. Iets achter de kiezen hebben.
* Net gegeten.
657. Kiezen op elkaar.
* Even doorzetten.
658. Iets voor zijn kiezen krijgen.
* Te verwerken, verduren krijgen.
659. Dan heb je geen last van je kiezen meer.
* Dan ben je dood. Meestal over iets dat in de verre toekomst plaats zal hebben.

KIN
660. Een dubbele kin.
* Onderkin.
661. Op zijn kin mogen kloppen.
* Niets te eten krijgen.
662. Iemand onder de kin strijken.
* Iemand vleien.
663. Een kale kin is gauw geschoren.
* Waar niets te halen valt, is men snel klaar.

KLOOT
664. Dat kan me geen kloot schelen.
* Helemaal niets.
665. Naar de kloten zijn.
* Kapot, vernield.

KNIE
666. God danken op zijn blote knieën.
* Heel erg dankbaar zijn.
667. Met knikkende knieën.
* Angstig.
668. Door de knieën gaan.
* Het opgeven.
669. Iets onder de knie hebben/krijgen.
* Het zich eigen gemaakt hebben.
670. Op de knieën liggen.
* Onderworpen zijn.
671. Iemand over de knie leggen.
* Hem zo slaag geven.
672. Iemands evenknie zijn.
* Hem evenaren.

KONT
673. Een houten kont krijgen.
* een pijnlijk zitvlak door het lange zitten.
674. De kont tegen de krib gooien, keren.
* Een koppige houding aannemen.
675. Zijn kont ergens indraaien.
* Zich erin werken.
676. Je kont niet kunnen keren.
* Je niet kunnen omdraaien.
677. Iemand in zijn kont kruipen.
* Hem op overdreven wijze vleien.
678. Onder zijn kont vandaan verkopen.
* Buiten hem om.
679. Op zijn kont blijven zitten.
* Geen hand uitsteken.
680. Het bedrijf ligt op zijn kont.
* Er wordt niet gewerkt; het is failliet.
681. Iemand een veer in de kont steken.
* Iemand loven, prijzen.
682. (Iemand) een pak voor de kont krijgen (geven).
* Iemand een pak slaag geven of dit krijgen.
683. Je kontje zal kermis houden.
* Bedekte bedreiging tegenover kind; het zal een pak slaag op zijn achterste krijgen.

KOP
684. Er zit kop noch staart aan.
* Geen begin of einde; het is een warrig verhaal.
685. De kop van Jut.
* Krachtmachine op kermissen.
686. Iemand een kopje kleiner maken.
* Iemand doden.
687. Iets doen met een dronken kop.
* Iets doen alsof je dronken bent.
688. Een knappe kop.
* Een intelligent, geleerd persoon.
689. Met een kwaaie kop weglopen.
* Boos weglopen.
690. Hij heeft een stijve, harde kop.
* Is zeer eigenzinnig.
691. De kop opsteken.
* Zich vertonen.
692. Dat zal me de kop niet kosten.
* Dat is geen grote uitgave of risico.
693. Op zijn kop krijgen.
* Een flinke uitbrander krijgen.
694. Iets in zijn kop stampen.
* Met moeite in het geheugen krijgen.
695. De koppen bij elkaar steken.
* Samen een plan maken.
696. De kop in het zand steken.
* Iets niet willen zien.
697. Iets de kop indrukken.
* Onderdrukken.
698. Mijn kop eraf als het niet waar is.
* Gezegd als men overtuigd is van het gezegde.
699. Kop op!
* Hou goede moed.
700. Met de kop tegen de muur lopen.
* Op gebrek aan medewerking, onwil stuiten.
701. Iemand op zijn kop geven.
* Flink de les lezen.
702. Met kop en schouders uitsteken boven.
* Veel beter zijn dan.
703. Zich niet op zijn kop laten zitten.
* Zich niet alles laten welgevallen.
704. Al ga je op je kop staan.
* Wat je ook probeert.
705. Zich over de kop werken.
* Te hard werken.
706. Van kop tot teen.
* Van top tot teen.
707. Iemand aan zijn kop zeuren.
* Hem voortdurend met iets lastig vallen.
708. Wat hij in zijn kop heeft, heeft hij niet in zijn kont (gat).
* Wat hij zich eenmaal heeft voorgenomen, geeft hij niet gauw op.
709. Iets bij de kop vatten.
* Eraan beginnen.
710. Spijkers met koppen slaan.
* Doortastend optreden.
711. Op kop liggen.
*Voorop lopen, rijden.
712. Op zijn kop staan.
* Een grote warboel zijn.
713. Over de kop gaan.
* Failliet gaan.
714. Op de kop af.
* Precies.
715. Iets op de kop tikken.
* Erin slagen iets dat moeilijk te krijgen is, te verwerven.
716. Zij kreeg een kop als vuur, als een biet.
* Zij werd vuurrood.
717. De kop moet het gat verkopen.
* Een meisje zonder geld komt wel aan de man, als ze heel mooi is.
718. Hij heeft snot in de kop.
* Hij is bijdehand.
719. De kous op de kop krijgen.
* Een blauwtje lopen.
720. Een bord voor zijn kop hebben.
* Niet gevoelig zijn voor geuite kritiek, stille wenken, etc.
721. De kolder in zijn kop krijgen.
* Onhandelbaar worden.
722. De kop is eraf.
* Het ergste is achter de rug

KRUIS
723. Zich in zijn kruis getast voelen.
* Zwaar gekrenkt zijn.

LEVER
724. Een droge lever hebben.
* Van alcohol houden.
725. Iets op zijn lever hebben.
* Iets willen vragen of zeggen, ergens mee zitten.
726. Fris, vers van de lever vertellen.
* Spontaan.
727. De lever laten schudden.
* Zeer hartelijk lachen.
728. Iemand om de lever gaan.
* Het iemand heel aangenaam maken.
729. Hij heeft de lever gegeten.
* Hij wordt verdacht, de schuldige te zijn.
730. ’t Komt hem niet aan de lever.
* Het helpt hem niet, het baat niet.
731. Er zit geen beste lever in.
* Die man heeft geen goed karakter.
732. Hij loopt met warme lever en long.
* Schertsend antwoord op de vraag, wat iemand doet; vooral als men geen antwoord kan of wil geven.
733. ’t Is een man met een witte lever.
* Dit wordt gezegd, als hij telkens weduwnaar wordt.

LIJF
734. In levenden lijve.
* In persoon, in werkelijkheid.
735. Het vege lijf redden.
* Het is (doods)gevaar verkerende lichaam.
736. Iemand van het lijf houden.
* Zich tegen hem verweren.
737. Iemand de stuipen op het lijf jagen.
* Hem geweldig bang maken of laten schrikken.
738. Iemand te lijf gaan.
* Hem slaan, aanvliegen.
739. Iemand tegen het lijf lopen.
* Hem onverwachts ontmoeten.
740. Blijf van mijn lijf.
* Raak me niet aan.
741. Zich iets van het lijf houden.
* Ervoor zorgen dat het niet te dichtbij komt.
742. Iemand het hemd van het lijf vragen.
* Helemaal uithoren; verschrikkelijk afdingen.
743. Aan mijn lijf geen polonaise.
* Ik moet er niets van hebben.
744. Niets om het lijf hebben.
* Niets te betekenen hebben.
745. Dat is hem op het lijf geschreven.
* Past precies bij hem.
746. Iets (wel) uit zijn lijf laten.
* Zo verstandig zijn dat niet te doen.
747. Aan het lijf gegoten zitten.
* Hierbij gaat het om kleding die buitengewoon goed om het lichaam sluit.
748. Die een wijf trouwt om het schoon lijf, verliest het lijf en houdt het wijf.
* Wanneer je een vrouw trouwt alleen om haar uiterlijk kom je bedrogen uit.

LIPPEN
749. Tussen neus en lippen door.
* Even tussendoor.
750. Zijn lippen ergens bij aflikken.
* Smullen, genieten.
751. Aan iemands lippen hangen.
* Uiterst aandachtig volgen wat hij zegt.
752. Het brandt hem op de lippen.
* Hij staat op het punt het te zeggen.
753. Iemand op de lippen zitten.
* Zeer dichtbij hem zitten; hem voortdurend opjagen, in de gaten houden.
754. Op aller lippen zijn.
* Voorwerp van algemene bespreking zijn.
755. Zich op de lippen bijten.
* Moeite doen zich in te houden.
756. Het water staat me tot de lippen.
* De nood is hoog gestegen.
757. Op iemands lip zitten.
*Te dicht bij iemand in de buurt komen.
758. De lip op het derde knoopsgat laten hangen.
* Een ontevreden of treurig gezicht zetten.
759. Een lip trekken.
* Neiging tot huilen vertonen.
760. Een wacht van de lippen hebben.
* Een waarschuwing aan hen, die alles zeggen wat hun voor de mond komt.
761. Het lag me op de lippen.
* Wanneer men voornemens was een opmerking te maken, maar deze om de een of andere reden achterwege liet.
762. Op zijn lippen bijten.
* Zich inhouden. Zijn boosheid of lachen bedwingen.
763. Dat zweefde hem op de lippen.
* Dat wilde hij juist naar voren brengen.

LONG
764. Long en lever verteren.
* Alles opmaken.
765. Zich de longen uit het lijf hoesten.
* Hevige hoestaanvallen hebben.
766. Ijzeren long.
* Toestel voor kunstmatige ademhaling.
767. Sterke longen hebben.
* Niet gauw buiten adem raken.
768. Over de longen roken.
* Inhaleren.
769. Zijn eerste longen nog hebben.
* Wordt gezegd bij het doordringend huilen van een kind.

MAAG
770. Een bedorven maag hebben.
* Ziek zijn door te veel of verkeerd eten.
771. Zijn maag begon te protesteren.
* Hij kon het voedsel niet opeten of niet binnenhouden.
772. De maag overladen.
* Te veel eten.
773. Iemand iets in de maag splitsen.
* Ergens mee opschepen; iets duur verkopen.
774. Ergens mee in de maag zitten.
* Tegen opzien.
775. Dat staat in mijn maag.
* Is stevige kost.
776. Zwaar op de maag liggen.
* Moeilijk te verteren zijn.
777. Dat ligt (zwaar) op zijn maag.
* Daar is hij mee verlegen.
778. De maag begint me te jeuken.
* Honger krijgen, kenbaar aan een kriebelend gevoel in de maag.
779. De poes zal met je lege maag niet weglopen.
* Stevig gegeten hebben.
780. Een gat in zijn maag hebben.
* Gekscherend gezegd van iemand die abnormaal veel of dikwijls eet.
781. Zijn maag wel aan de kapstok kunnen hangen.
* In moeilijke financiële omstandigheden verkeren waardoor men weinig eten kan kopen.
782. Een volle maag studeert niet graag.
* Met een volle maag voel je je loom en traag.
783. Een hongerige maag luistert niet naar rede.
* Wanneer iemand honger heeft, doet men onverstandige dingen.
784. Een volle maag gelooft aan geen honger.
* Wanneer men altijd voldoende te eten heeft, kan men zich moeilijk inbeelden hoe het is om honger te lijden.

MOND
785. Mondje dicht!
* Zwijg erover!
786. Ik heb het uit zijn eigen mond.
* Van hemzelf vernomen.
787. Een grote mond opzetten tegen iemand.
* Brutaal toespreken.
788. Hij heeft een grote mond, maar een klein hartje.
* Hij doet zich ruw voor, maar is in feite gauw bang of gauw ontroerd.
789. Dat is een hele mond vol.
* Een lang woord, een lange zin, naam.
790. Met open mond.
* Vol verbazing.
791. Zijn mond vol hebben.
* Met eten.
792. Ergens de mond van vol hebben.
* Er voortdurend over spreken.
793. Ga je mond maar spoelen.
* Gezegd tegen iemand die vloekt of smerige taal uitslaat.
794. Zijn mond houden.
* Zwijgen.
795. Zijn mondje roeren.
* Veel babbelen.
796. Iemand de mond snoeren.
* Hem het zwijgen opleggen.
797. Zijn mond staat er naar.
* Gezegd als iemand altijd hetzelfde zegt.
798. Zijn mond voorbij praten.
* Meer zeggen dan men mag.
799. Bij monde van.
* Verwoord, gezegd door.
800. Bepaalde woorden in de mond nemen.
* Die zeggen.
801. Het water loopt mij in de mond.
* Ik watertand; verlang sterk naar iets.
802. Los in de mond zijn.
* Onfatsoenlijk in zijn manier van spreken.
803. Dat ligt hem in de mond bestorven.
* Dat zegt hij steeds.
804. Iemand iets in de mond leggen.
* Beweren dat hij dat gezegd heeft.
805. De gebraden duiven vliegen niemand in de mond.
* Zonder werken komt men er niet.
806. Iets met de mond belijden.
* Iets beweren zonder ernaar te handelen.
807. Met de mond vol tanden staan.
* Geen antwoord weten te geven.
808. Iemand naar de mond praten.
* Zeggen wat hij graag hoort.
809. Niet op zijn mondje gevallen zijn.
* Van zich af durven bijten.
810. Iemand de woorden uit de mond nemen.
* Zeggen wat hij juist wilde gaan zeggen
811. Iemand het eten uit de mond kijken.
* Begerig toekijken terwijl hij eet.
812. Iemand het brood uit de mond stoten.
* hem zijn broodwinning ontnemen.
813. Iets uit zijn mond sparen.
* Bezuinigen op wat men eet en drinkt.
814. Als uit één mond.
* Eenstemmig
815. Uit de mond vallen.
* Onverwacht, onbedoeld gezegd worden.
816. Van mond tot mond gaan.
* Rondverteld worden.
817. Geen blad voor de mond nemen.
* Ronduit, openhartig spreken.
818. Alles zeggen, wat je voor de mond komt.
* Zonder terughoudendheid.
819. Geen mond open doen.
* Zwijgen.
820. Een mond als een hooischuur hebben.
* Brutaal zijn.
821. Bitter in de mond maakt het hart gezond.
* Als een drankje vies smaakt, helpt het vaak het best om weer beter te worden.
822. Wie te wijd gaapt, verstuikt de mond.
* Wanneer iemand te veel tegelijk wil, kan het voor die persoon nog wel eens verkeerd aflopen.
823. Beter hard geblazen dan de mond gebrand.
* Voorzichtigheid voorkomt ellende.
824. De morgenstond heeft goud in de mond.
* Door vroeg aan de arbeid te gaan wordt men welvarend.
825. Heet en koud uit één mond blazen.
* Dubbelzinnig zijn in zijn redeneringen.
826. Mondig zijn.
* Verantwoordelijkheid voor zichzelf kunnen dragen.
827. Met een pruimemondje (iets zeggen).
* Als iemand gemaakt spreekt, als hij (of zij te deftig is om gewoon te praten.
828. Geen veer van de mond kunnen blazen.
* Hij is doodarm; heeft geen kracht (meer).
829. Al wat men spaart uit de mond is voor de kat of voor de hond.
* Men moet ten bate van een ander nooit minder eten of drinken.
830. Iemand honing om de mond smeren.
* Hem vertellen wat hij graag hoort, hem vleien.
831. Iemand de brokken in de mond tellen.
* Iemand niets gunnen.
832. Hij heeft een mond als een oven.
* Hij heeft heel veel praats.
833. Dat is tergen van de mond.
* Dat is heel lekker.
834. Met twee monden spreken.
* Iemand die oprecht is, en bij verschillende personen, verschillende dingen zegt om ze beiden te behagen.
835. Zijn mond gaat als een lazarusklep.
* Hij praat steeds maar door.
836. Iemand iets in de mond geven.
* Zo tot hem spreken, dat hij wel nagaan kan, welk antwoord men van hem verwacht.
837. Niet op de mond gevallen zijn.
* Hij weet wel wat hij zeggen moet; hij kan zijn woord wel doen; hij bijt van zich af.
838. Het is mondjesmaat.
* Er is maar nauwelijks genoeg, vooral gezegd als er geen eten overblijft.

NAGEL
839. Geen nagel hebben om zijn gat te krabben.
* Erg arm zijn.
840. Iemand het bloed onder de nagels vandaan halen.
* Hem tot het uiterste treiteren.
841. Iets/iemand is een nagel aan mijn doodkist.
* Iets of iemand bezorgt mij veel moeilijkheden.
842. Op zijn nagels bijten.
* Zenuwachtig zijn.

NEK
843. Zijn stugge nek niet willen buigen.
* Niet toe willen geven, zich niet gewonnen geven.
844. Iemand de nek breken, omdraaien.
* Hem te gronde richten, zijn carrière breken.
845. Zijn nek breken over de rommel.
* Gehinderd worden door de rommel.
846. Zij nek breken (over iets).
* Mislukken (door iets).
847. Zijn nek uitsteken.
* Iets riskants doen.
848. Nek aan nek.
* Op gelijke hoogte naast elkaar voortsnellend.
849. Tot aan zijn nek in de schulden, zorgen zitten.
* Zeer veel schulden, zorgen hebben.
850. Wat haal je je op je nek.
* Waar begin je aan.
851. Op iemands nek zitten.
* Voortdurend iemand tot last zijn.
852. Over zijn nek gaan.
* Overgeven.
853. Uit zij nek praten, kletsen.
* Zwammen.
854. Iemand met de nek aanzien, aankijken.
* Met minachting behandelen.
855. Iemand de nek toekeren.
* Niets met hem te maken willen hebben.
856. De nek buigen.
* Zich onderwerpen.
857. Iemand in de nek aanzien.
* Iemand bedriegen; iets achter iemands rug doen.

NEUS
858. Tussen neus en lippen door.
* Even tussendoor.
859. Een frisse neus halen.
* Een luchtje scheppen.
860. Een lange neus maken.
* De hand met uitgespreide vingers met de duim tegen de neus zetten bij wijze van spot.
861. Een fijne neus voor iets hebben.
* Intuïtief iets merken of juist waarderen.
862. Het is een wassen neus.
* Iets dat weinig voorstelt.
863. Doen alsof zijn neus bloedt.
* Zich van de domme houden.
864. Zijn neus krult.
* Hij is trots of in zijn schik.
865. Loop je neus maar achterna.
* Schertsend gezegd als iemand de weg vraagt.
866. De neus voor iets of iemand ophalen.
*Iemand of iets niet de moeite waard achten, als minderwaardig beschouwen.
867. De neus ophalen.
* Snot in de neus opsnuiven.
868. Zijn neus overal insteken.
* Zich met alles bemoeien.
869. Zijn neus in de wind steken.
* Trots, hoogmoedig zijn.
870. Zijn neus stoten.
* Afgewezen of niet ontvangen worden.
871. Neuzen tellen.
* Tellen hoeveel personen aanwezig zijn.
872. Ik zal je neus tussen je oren zetten.
* Als grappig dreigement tegen kinderen gezegd.
873. Ja, m’n neus!
* Kom nou, dat kun je niet denken!
874. Iets aan iemands neus hangen.
* De nieuwsgierigheid van iemand bevredigen.
875. Iemand bij de neus nemen.
* Foppen.
876. Overal met zijn neus bij willen zijn.
* Alles wat er gebeurt willen weten of zien.
877. Met zijn neus kijken, zoeken.
* Niet goed kijken, zoeken.
878. Je staat er met je neus bovenop.
* Je staat er vlak voor.
879. Met zijn neus in de boeken zitten.
* Studeren
880. Iemand met zijn neus op de feiten drukken.
* Dwingen de feiten te zien.
881. Met zijn neus in de boter vallen.
* Het goed treffen.
882. Iemand iets onder zijn neus wrijven.
* Verwijtend wijzen op.
883. Iemand de pin op de neus zetten.
* Hem zo onder druk zetten dat hij gehoorzaamt.
884. Op zijn neus kijken.
* Teleurgesteld zijn.
885. Uit zijn neus eten.
* Zijn snot opeten.
886. Dat komt m’n neus uit.
* Ik ben het meer dan zat.
887. Het neusje van de zalm.
* Het fijnste, beste, lekkerste, mooiste.
888. Iemand iets voor de neus wegnemen, wegkapen.
* Hem er net mee voor zijn.
889. Dat ligt vlak voor je neus.
* Dat ligt vlak voor je.
890. Plotseling voor iemands neus staan.
* Plotseling komen, verschijnen.
891. De deur voor iemands neus dichtdoen.
* Terwijl hij er vlak voor staat.
892. Iemand iets door de neus boren.
Verhinderen dat hij het krijgt.
893. Niet verder zien, kijken dan zijn neus lang is.
* Niet ver vooruit kijken.
894. Geen knip voor de neus waard zijn.
* Niets waard zijn.
895. Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht.
* Wie slechte dingen over zijn familie vertelt, vertelt daarmee ook iets slechts over zichzelf.
896. Iets langs zijn neus weg zeggen.
* Het zo zeggen, dat het niet belangrijk lijkt.
897. Dat kan ik aan zijn neus niet zien.
* Wanneer iemand zich in iemand vergist heeft, wanneer men zich omtrent iemand geen goed denkbeeld heeft kunnen vormen.
898. De neus gaat te gast, maar de mond blijft thuis.
* Wanneer men ergens de geuren van een gereedgemaakte maaltijd inademt, maar zelf niet aan de maaltijd kan deelnemen.
899. Een warme neus halen.
* Zich na een langdurig verblijf in de koude buitenlucht naar de warmte van de brandende kachel begeven.
900.Je kunt de punt van zijn neus nog niet zien of het is weer zover.
* Gezegd van iemand die geregeld over hetzelfde praat.
901. Wie niet besnot is moet zijn neus niet vegen.
* Wie zich aan iets niet schuldig gemaakt heeft, hoeft niet bang te zijn, hoeft zich er niets van aan te trekken.
902. Zijn neus krult.
* Wordt gekscherend gezegd van iemand die geprezen wordt.
903. Zijn neus voorbijgaan.
* Iets niet krijgen, hoewel men erop gerekend had.

OKSEL
904. Het derde oksel.
* Het kruis.

OOG
905. De ogen zijn de spiegels van de ziel.
* De ogen openbaren wat in het gemoed omgaat.
906. Met andere ogen bekijken.
* Anders zien dan eerst, omdat men zijn mening heeft veranderd.
907. Iets met droge ogen aanzien.
* Zonder geroerd te zijn.
908. Met eigen ogen zien.
* een eigen mening hebben.
909. Een glazen oog.
* Kunstoog
910. Een lui oog.
* Afwijking waardoor een oog zich niet fixeert.
911. Een blauw oog.
* Zo gekleurd door een bloeduitstorting.
912. Grote ogen opzetten.
* Als teken van verbazing.
913. Het boze oog.
* Het teweegbrengen van schade en onheil door de blik.
914. Met een half oog iets zien.
* Iets zien zonder er zijn volle aandacht aan te schenken.
915. Met lede ogen aanzien.
* Met spijt of afgunst.
916. Met ongewapend oog.
* Zonder vergrootglas of verrekijker.
917. Schele ogen maken, geven.
* Afgunst verwekken.
918. Met een schuin oog kijken naar.
* Jaloers zijn op.
919. Hoge ogen gooien.
* Veel kans hebben.
920. Een oogje dichtknijpen.
* Een overtreding niet willen zien.
921. Zijn ogen gebruiken.
* Goed rondkijken om alles op te nemen.
922. Zijn ogen niet geloven.
* De juistheid van een waarneming niet vertrouwen.
923. Zijn ogen geloven.
* Voor waar houden wat men ziet.
924. Oog hebben voor.
* Aandacht voor, kijk hebben op.
925. Uit zijn ogen kijken.
* Uitkijken.
926. Iemand de ogen uitsteken.
* Iemand verblinden door zijn afgunst op te wekken.
927. Iemand met de ogen verslinden.
* Boos of begerig bekijken.
928. Zijn ogen zijn groter dan zijn maag.
* Hij neemt meer op zijn bord dan hij op kan.
929. Iemand recht in de ogen kijken.
* Niets te verbergen hebben.
930. Geen oog dicht doen.
* Niet slapen.
931. De ogen neerslaan.
* Naar beneden kijken uit verlegenheid of schaamte.
932. Iemand de ogen openen.
* Hem de waarheid doen zien.
933. De ogen openhouden.
* Goed toezien.
934. De ogen sluiten voor iets.
* Doen alsof men het niet ziet.
935. Zich de ogen uitwrijven.
* Zeer verwonderd zijn.
936. Iemand de ogen toedrukken.
* Een gestorvene de oogleden sluiten; bij iemands sterven aanwezig zijn.
937. Het oog laten vallen op iemand.
* Iemand, iets verkiezen voor iets.
938. Zich iets voor ogen houden.
* Er altijd aan denken.
939. Zo ver het oog reikt.
* Zover men zien kan.
940. Iemand zand in de ogen strooien.
* Hem misleiden.
941. Een doorn in het oog zijn.
* Een bron van grote ergernis.
942. Iemand het licht in de ogen niet gunnen.
* Totaal niets.
943. Ogen in zijn rug hebben.
* Overal tegelijk kunnen kijken.
944. Iemand iets onder vier ogen zeggen.
* Zonder de aanwezigheid van derden.
945. Zich de ogen uit het hoofd schamen.
* Enorme schaamte voelen.
946. Zijn ogen uit zijn hoofd kijken.
* Zich aan het gezicht van iets niet kunnen verzadigen.
947. De schellen vallen iemand van de ogen.
* Iemand gaat de zaak in het ware licht zien.
948. Het werd hem groen en geel voor de ogen.
* Hij werd duizelig.
949. Iets onder ogen zien.
* Het niet ontvluchten.
950. Onder iemands ogen komen.
* In zijn tegenwoordigheid.
951. Iets onder ogen hebben.
* Het zien
952. Op het oog.
* Op het voorkomen afgaand.
953. Het oog op iets hebben.
* De aandacht gevestigd houden op iets.
954. Iemand voor ogen staan.
* Voor de geest staan.
955. In het oog houden.
* Voortdurend met opmerkzaamheid gadeslaan.
956. In het oog krijgen.
* Opmerken.
957. In het oog lopen.
* Opvallen.
958. In het oog vallen.
* De aandacht trekken.
959. Iets uit het oog verliezen.
* Geen aandacht meer voor hebben.
960. Tegen elf ogen dobbelen.
* Zeer weinig kans hebben.
961. In hun ogen.
* Naar hun opvatting.
962. Met het oog op.
* Denkend aan.
963. Iemand naar de ogen zien.
* Afhankelijk zijn van iemand.
964. Iemand een rad voor de ogen draaien.
* Hem bedriegen.
965. Ogen als schoteltjes.
* Die groot zijn van verbazing.
966. Dat heeft haken en ogen.
* Dat is ingewikkeld.
967. Zijn ogen de kost geven.
* Goed toezien.
968. Het oog wil ook wat.
* Het uiterlijk speelt ook een rol.
969. Zijn ogen in zijn zak hebben.
* Ze niet gebruiken.
970. Aap wat het je mooie ogen.
* Geeft te kennen dat iemand een ander vleit, om wat van hem gedaan te krijgen.
971. Vreemde ogen dwingen.
* Kinderen gehoorzamen beter aan een vreemde dan aan hun eigen ouders.
972. Twee ogen zien meer dan een.
* Als men tezamen een zaak nog eens goed nagaat. Lett: Twee paar ogen.
973. Uit het oog, uit het hart.
* Als men iemand niet meer ziet, is men hem spoedig vergeten.
974. Het oog ziet altijd van zich af.
* De gebreken van een ander zijn meer opvallend dan die van zichzelf.
975. Het oog van de meester maakt het paard vet.
* Belangrijk dat de baas toezicht houdt op het werk, anders wordt het werk verwaarloosd door het personeel.
976. Oog om oog en tand om tand.
* Voor schrift Joodse wet: ‘..indien er een dodelijk verderf zal zijn, zo zult gij geven ziel voor ziel, oog voor oog, tand voor tand, hand voor voet, voet voor voet.’
977. Iemand liefhebben als de appel zijner ogen.
* Als het dierbaarste wat men bezit.
978. Iets met Argusogen gadeslaan.
* Met argwaan.
979. In het land der blinden is éénoog koning.
* Waar allen onwetend zijn, geldt degene die althans iets weet als een heel bijzondere man.
980. De splinter in een anders oog wel zien, maar niet de balk in zijn eigen.
* Hij bemerkt alle kleinigheden, die niet geheel in orde zijn, bij anderen, maar is zich niet bewust van zijn eigen veel grotere zonden.
981. Een kwaad oog op iemand of iets hebben.
* Een hekel aan iemand hebben.
982. Een waas voor de ogen krijgen.
* Wordt gezegd van iemand die vochtige ogen heeft door het horen of zien van leed.
983. In het oog springen.
* Zich duidelijk kenbaar maken.
984. Heb je geen ogen in je hoofd?
* Goed opletten, oplettend zijn.
985. Ogen van voren en van achteren hebben.
* Alles opmerken.
986. Wat zijn ogen zien, maken zijn handen.
* Hij is bijzonder handig.
987. Een open oog voor iets hebben.
* Ergens niet ongevoelig voor zijn, open staan voor invloeden van buitenaf.
988. Een oogje op iemand hebben.
* Verliefd op iemand zijn.
989. Alle ogen zijn gericht op Kwatta.
* Plagende uitdrukking, als in een gezelschap iedereen één bepaald persoon of voorwerp zit aan te staren.
990. Wat het oog niet ziet, het hart niet deert.
* Wat men niet weet, dat hindert, ergert niet.
991. Iemand met schele ogen aanzien.
* Jaloers zijn, iets graag willen hebben, maar het niet kunnen krijgen. Hetzelfde als ‘iets met lede ogen aanzien’.
992. Iemand zand in de ogen strooien.
* Hem bedriegen door listige kunstgrepen.

OOR
993. Een open oor hebben voor iets.
* Er niet ongevoelig voor zijn.
994. Met rode oortjes in iets lezen.
* Als blijk dat de lectuur opwindend is.
995. Iemand de oren van het hoofd eten.
* Bijzonder veel eten.
996. Dat gaat het ene oor in, het andere uit.
* Dat maakt weinig indruk op de hoorder.
997. Zijn oren naar iets/iemand laten hangen.
* Daarnaar luisteren.
998. De muren hebben oren.
* Men kan hier afgeluisterd worden.
999. Oren hebben naar, voor iets.
* Er zin in hebben, er mee ingenomen zijn.
1000. Het oor hebben van iemand.
* Een welwillend gehoor bij hem vinden.
1001. Iemand vreemd in de oren klinken.
* Hem vreemd voorkomen.
1002. Zijn oren niet kunnen geloven.
* De juistheid van een waarneming niet vertrouwen.
1003. Een gunstig oor lenen.
* Welwillend luisteren.
1004. Het oor neigen tot, voor iemand.
* Naar hem luisteren.
1005. Mijn oren tuiten.
* Suizen door lawaai of druk spreken.
1006. Een en al oor zijn.
* Aandachtig luisteren.
1007. Met zijn oren klapperen.
* Zich zeer verbaasd tonen.
1008. De oren voor iets sluiten.
* Er niet naar willen luisteren.
1009. De oren spitsen.
* Ze overeind zetten om beter te kunnen luisteren.
1010. Iemand de oren wassen.
* Hem scherp berispen.
1011. Iemand een oor aannaaien.
* Hem voor de gek houden.
1012. Iemand de oren van zijn kop zagen.
* Hem vervelen door onophoudelijk vragen.
1013. Nat achter de oren/Nog niet droog achter de oren zijn.
* Nog zeer jong en onervaren.
1014. Iemand iets in het oor fluisteren.
* Het hem heimelijk zeggen.
1015. Zijn oor te luisteren leggen.
* Opnemen wat er gezegd wordt.
1016. Dat komt hem ter ore.
* Wordt hem bekend.
1017. Iets in de oren knopen.
* Het goed in zich opnemen.
1018. Op één oor liggen.
* Slapen.
1019. Tot over zijn oren in het werk zitten.
* Veel te doen hebben.
1020. Tot over de oren verliefd zijn.
* Zeer verliefd zijn.
1021. Hij heeft ze achter de oren.
* Hij is niet zo onnozel als hij schijnt.
1022. Dat is aan geen dovemans oren gezegd.
* Dat zal ik onthouden.
1023. Met een half oor meeluisteren.
* Een gesprek, waaraan men zelf niet deelneemt, min of meer volgen.
1024. Op een oor na gevild zijn.
* Nagenoeg voltooid zijn.
1025. Iemands oor hebben.
* Iemands volledige aandacht hebben.
1026. Kijken of je laatste oortje versnoept is.
* Hij staat er bedremmeld bij.
1027. Iemand iets in het oor bijten.
* Hem op een bitse wijze iets in ’t geheugen prenten.
1028. Ik kan oren schudden, dat ze klappen.
* Ik heb geen daad van oneer verricht; ik ben niet gemeen.
1029. De oren laten hangen.
* Moedeloos zijn; de strijd opgeven

PIK
1030. De pik op iemand hebben.
* Een wrok tegen iemand koesteren.
1031. Op zijn pik getrapt.
* Hij is gekwetst; beledigd.
1032. Pikbroek
* Matroos.

PINK
1033. Bij de pinken zijn.
* Pienter, bijdehand.

POLS
1034. Iemand de pols voelen.
* Zijn polsslag meten.
1035. Iets uit de losse pols doen.
* Met groot gemak.
1036. Men moet niet verder (willen) springen dan zijn pols lang is.
* Niet meer willen dan men kan.

POOT
1037. Op zijn achterste poten gaan staan.
* Driftig worden.
1038. Met hangende pootjes terugkeren.
* Verslagen, tot inkeer komen.
1039. Iemand pootje haken, lappen.
* Hem laten struikelen.
1040. Geen poot meer kunnen verzetten.
* Zeer vermoeid zijn.
1041. Zijn poot stijf houden.
* Niet toegeven.
1042. Opzitten en pootjes geven.
* Zich met lichte tegenzin beleefd gedragen bij bezoek e.d.
1043. Zijn poten thuishouden.
* Ergens niet aankomen.
1044. Geen poot uitsteken.
* Niets doen.
1045. De poten onder iemands stoel wegzagen.
* Iemands positie ondermijnen.
1046. Iemand een poot uitdraaien.
* Beetnemen; afzetten.
1047. Met zijn poten omhoog liggen.
* Dood zijn.
1048. Op zijn pootjes terechtkomen.
* Er goed afkomen; goed aflopen.
1049. Van de poot zijn.
* Homoseksueel zijn.
1050. In iemands poten zijn.
* Afhankelijk van hem zijn.
1051. Op zijn poten spelen.
* Hevig tekeergaan.
1052. Een brief op poten schrijven.
* Waarin eens flink de waarheid wordt gezegd.
1053. Iets op poten zetten.
* Organiseren; beginnen.
1054. Een schaap met vijf poten zoeken.
* Iemand zoeken met buitengewone kwaliteiten.
1055. Geen poot aan de grond krijgen.
* Geen enkele kans krijgen.
1056. Poot -aan spelen
* Flink aanpakken
1057. Iemand een poot geven.
* Plat voor; iemand een hand geven.
1058. Op hoge poten ergens heengaan.
* Ergens heengaan met een groot gevoel van eigen waarde; hij ging er op af om iemand eens goed de waarheid te zeggen.
1059. Het pootje hebben.
* Lijden aan podraga, dit is voetjicht.

REET
1060. Je kunt m’n reet likken.
* Bekijk het maar.
1061. Aan mijn reet.
* Uitroep om onwil, minachting uit te drukken.
1062. Het zal me aan mijn reet roesten.
* Het kan me niets schelen.
1063. Geen reet.
* Niets.

RIB
1064. Je kunt zijn ribben tellen.
* Hij is broodmager.
1065. Dat is een rib uit je lijf.
* Een flinke financiële aderlating.
1066. (Iemand) op zijn ribbenkast krijgen (geven).
* Slaag geven.
1067. Iemand een ribbestoot geven.
* Hem een stomp geven, meestal met de bedoeling om zijn aandacht ergens voor te trekken.
1068. Ribbemoos.
* Een stevige, sterke, onverschillige kerel.

RUG
1069. Een brede rug hebben.
* Veel kunnen verdragen.
1070. Iemand de rug toedraaien.
* Zich van hem verwijderen.
1071. Je kunt mijn rug op.
* Bekijk het maar.
1072. Achter de rug van iemand kwaadspreken.
* In zijn afwezigheid.
1073. Het is achter de rug.
* Voorbij.
1074. Door zijn rug gaan.
* Zich vertillen.
1075. Met de rug tegen de muur staan.
* Geen uitweg meer zien.
1076. Het geld groeit mij niet op de rug.
* Ik moet er hard genoeg voor werken.
1077. Over de rug van.
* Misbruik maken van.
1078. Daar waar de rug van naam verandert.
* Gekscherende aanduiding van het achterwerk.
1079. Heel wat achter de rug hebben.
* Heel veel meegemaakt hebben.
1080. Iemand de rug schuren.
* Hem lijfelijk onder handen nemen.
1081. Iemand de rug smeren.
* Hem een pak slaag geven.
1082. Ik kan het toch niet van mijn rug afsnijden?
* Gezegd wanneer iemand om geld komt en deze het niet heeft.
1083. Ruggegraat tonen.
* Innerlijke kracht, energie, pit tonen.
1084. Ruggespraak houden.
* Overleg met de achterban voordat men tot een besluit komt.

SCHEEN
1085. Iemand het vuur na aan de schenen leggen.
* Het hem moeilijk maken, hem scherp ondervragen.
1086. Iemand tegen de schenen schoppen.
* Kwetsen.
1087. Een blauwe scheen krijgen (een blauwtje lopen).
* Een huwelijksaanzoek is afgewezen, zijn meisje heeft hem de bons gegeven.

SCHOUDER
1088. Brede schouders hebben.
* Veel kunnen verdragen.
1089. De schouders ophalen.
* Blijk geven van onwetendheid, onverschilligheid enz.
1090. Zijn schouders onder iets zetten.
* Zich er geheel voor inzetten.
1091. Met kop en schouders uitsteken boven.
* Veel beter zijn dan.
1092. Iemand op zijn schouder kloppen.
* Als teken van goedkeuring, bemoediging.
1093. Op iemands schouders staan.
* Steunen op zijn werk.
1094. Iemand over de schouder aanzien.
* Hem met minachting behandelen.
1095. Iets op zijn schouders nemen.
* De verantwoording op zich nemen.
1096. Schouder aan schouder staan.
* Vlak naast elkaar staan. Gezamenlijk optrekken, iets tot stand brengen.
1097. Een zware last op zijn schouders nemen.
* Een zware klus op zich nemen.

SNOR
1098. Z’n snor drukken.
* Zich aan iets (trachten te) onttrekken.
1099. Dat zit wel snor.
* Dat is in orde.

SPIER
1100. De spieren losmaken.
* Bewegen, oefeningen doen.
1101. Spierwit.
* Uiterst wit, lijkbleek
1102. Zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken.
* Strak en onbeweeglijk blijven kijken.

TAND
1103. Met lange tanden eten.
* Met tegenzin.
1104. Zijn tanden laten zien.
* Een dreigende houding aannemen, van zich af bijten.
1105. Zijn tanden op iets stukbijten.
* Vergeefse moeite doen om het bedoelde te bereiken.
1106. Zijn tanden in iets zetten.
* Aan een zware klus beginnen.
1107. Iemand aan de tand voelen.
* D.m.v. een gesprek met hem grondig onderzoek doen naar zijn gedrag e.d.
1108. Op zijn tanden bijten.
* Boosheid, pijn, enz. niet tonen.
1109. De tand des tijds.
* De slijtage waaraan alle zaken op den duur bloot staan.
1110. Tot de tanden gewapend zijn.
* Geheel gewapend.
1111. Iets tussen de tanden zeggen.
* Met ingehouden woede.
1112. De tanden op elkaar zetten.
* Zich flink houden.
1113. Een lekkere tand hebben.
* Kieskeurig zijn, een lekkerbek zijn.
1114. Van de tand raken.
* Oud worden (zijn tanden verliezen).
1115. De tanden stoten.
* Hetzelfde als ‘het hoofd stoten’. Niet slagen in zijn aanval.
1116. De tanden zijn hem uitgebroken.
* Hij is getemd, ongevaarlijk.
1117. Iets op zijn tanden nemen.
* Het hardnekkig doorzetten.
1118. Zijn tanden doen hem geen zeer meer.
* Hij is gestorven.
1119. Het (ge)bit op de tanden nemen.
* Op hol slaan.
1120. Van de tand zijn.
* Oud zijn.

TANDVLEES
1121. Op zijn tandvlees lopen.
* Totaal uitgeput zijn.

TEEN
1122. Lange tenen hebben.
* Vlug beledigd zijn.
1123. Daar gaan mijn tenen van krullen.
* Dat vind ik gênant, ergerlijk.
1124. Iemand op de tenen trappen.
* Onaangenaam bejegenen.
1125. Gauw op zijn teentjes getrapt zijn.
* Snel gekwetst zijn.
1126. Van top tot teen.
* Geheel en al.
1127. Op je tenen lopen.
* Heel stilletjes.

TONG
1128. Niet het achterste van zijn tong laten zien.
* Niet alles vertellen wat men weet.
1129. Zijn tong is niet van schapeleer.
* Hij weet best wat lekker is.
1130. Een dubbele tong hebben.
* Verraderlijk, vals spreken.
1131. Met een dubbele, dikke tong spreken.
* Moeilijk kunnen spreken (vooral door dronkenschap).
1132. Een fluwelen tong hebben.
* Mooi praten, vleien.
1133. Een gespleten tong.
* In de vorm van een tweetandige vork(kwaadsprekend).
1134. Een giftige tong.
* Een lasterend, kwaadsprekend iemand.
1135. Een gladde tong hebben.
* Goed kunnen praten.
1136. Een losse tong hebben.
* Een flapuit zijn.
1137. Boze, kwade tongen beweren.
* Lasteraars.
1138. De tongen komen los.
* Dat zet de mensen aan het praten.
1139. Zijn tong wel kunnen afbijten.
* Spijt hebben van wat men gezegd heeft.
1140. Dat maakt de tongen los.
* Dat zet de mensen aan het praten.
1141. Zijn tong roeren.
* (druk praten.
1142. Zijn tong slaat dubbel.
* Hij is zo dronken dat hij niet meer verstaanbaar kan spreken.
1143. De tong strelen.
* Lekker smaken.
1144. Over zijn tong struikelen.
* Niet in één keer uit zijn woorden kunnen komen, omdat men te snel wil praten.
1145. Zijn tong uitsteken tegen iemand.
* Om iemand te bespotten of te plagen.
1146. Zijn tong verloren hebben.
* Niets zeggen.
1147. Met de tong op de schoenen.
* Uitgeput.
1148. Niet op zijn tong gevallen zijn.
* Welbespraakt zijn.
1149. Op zijn tong bijten.
* Zich met geweld inhouden.
1150. Op de tong smelten.
* Zeer mals zijn.
1151. Iemand over de tong laten gaan.
* Over hem roddelen.
1152. Rad, rap van tong zijn.
* Snel en veel spreken.
1153. Het ligt vóór op mijn tong.
* Ik weet het bijna.
1154. Alsof er een engeltje op mijn tong piest.
* Het is zeer lekker.
1155. Iemand de tong schrapen.
* Hem uithoren, hem dwingen alles te zeggen wat hij weet.
1156. Hij is goed van de tongriem gesneden.
* Zijn woordje goed kunnen doen.
1157. De tongen in beweging brengen.
* Commentaar uitlokken.
1158. Bang zijn dat de tong slijt.
* Weinig zeggen. Wordt vooral tegen of over kinderen gezegd.
1159. De tong kleeft aan het gehemelte.
* Wordt gebruikt bij overmatige dorst.
1160. Een gebonden tong hebben.
* Voor iemand die een geheim heeft, maar hier geen ruchtbaarheid aan kan, mag of wil geven.
1161. Een geslepen tong hebben.
* Bijzonder slim of sluw bij zijn conversatie.
1162. Een lange tong trekken.
* Een manier om zijn minachting over iemand of iets uit te drukken.
1163. Een scherpe tong hebben.
* Zich op scherpe manier uitdrukken, vinnig zijn in zijn conversatie.
1164. Een tong hebben als een scheermes.
* Zie ‘een scherpe tong hebben’.
1165. Een valse tong hebben.
* Lelijke dingen over iemand of iets vertellen, onwaarheden verkondigen.
1166. Heb je je tong verloren?
* Gezegd tegen een kind dat geen antwoord geeft op gestelde vragen.
1167. Je zou je tong naslikken.
* Gekscherend gezegd wanneer iets lekker heeft gesmaakt.
1168. Op de tong rijden.
* Over iemand in negatieve zin spreken, terwijl deze niet aanwezig is. Roddelen.
1169. Over de tong gaan.
* Wanneer er in gezelschap over iemand wordt gesproken die niet aanwezig is. In dit geval in positieve zin.
1170. Zijn tong in toom houden.
* Zijn tong in bedwang houden, maar niet alles zeggen wat men wil.
1171. Zijn tong laten gaan.
* Maar raak spreken, het hoogste woord voeren.
1172. De tongen komen los.
* Na een lange tijd van slepende conversatie wil bij een bepaald onderwerp iedereen ineens het woord.
1173. Kwade tongen snijden scherper dan zwaarden.
* Mensen die kwaadspreken kunnen veel verdriet veroorzaken.

VEL
1174. Iemand het vel over de oren trekken.
* Extreem veel laten betalen.
1175. Ik zou niet graag in zijn vel steken.
* In zijn plaats zijn.
1176. Uit zijn vel springen.
* Razend worden.
1177. Vel over been zijn.
* Broodmager.
1178. Niet om het velletje, maar om het gelletje.
* Hij heeft die vrouw getrouwd, niet omdat ze mooi is, maar omdat ze geld heeft.
1179. Niet in een goed vel steken.
* Niet gezond zijn.

VINGER
1180. De vinger Gods.
* Een aanwijzing of waarschuwing van God.
1181. Groene vingers hebben.
* Succes bij het kweken van planten.
1182. Kromme vingers hebben.
* Diefachtig zijn.
1183. Lange vingers hebben.
* Diefachtig zijn.
1184. Iets met de natte vinger doen.
* Grofweg, zonder zich er echt in te verdiepen.
1185. Iemand met een natte vinger kunnen aanwijzen.
* Gemakkelijk.
1186. Met een natte vinger te lijmen zijn.
* Zeer makkelijk over te halen zijn.
1187. Een lange vinger.
* Bepaald langwerpig biscuitje.
1188. Om je vingers bij af te likken.
* Erg aantrekkelijk.
1189. Zich de vingers branden.
* Zich aan iets vergrijpen en daar nadeel van ondervinden.
1190. Als men hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand.
* Door een kleine gunst veroorlooft hij zich te veel.
1191. Hij hoeft maar met zijn vingers te knippen.
* Bij het minste of geringste teken worden zijn wensen vervuld.
1192. Ergens de vingers voor durven opsteken.
* Het als waarheid verklaren.
* 1193. Een vinger aan de pols houden.
* De ontwikkeling van nabij volgen.
1194. Zij heeft er aan elke vinger één!
* Zij zit niet om aanbidders verlegen.
1195. Een vinger achter iets krijgen.
* Er vat op krijgen.
1196. Iets door de vingers zien.
* Het oogluikend toelaten.
1197. Een vinger in de pap hebben.
* Invloed hebben.
1198. Zich in de vingers snijden.
* Zichzelf nadeel berokkenen.
1199. Iets in de, zijn vingers hebben.
* Het goed kunnen, er aanleg voor hebben.
1200. Spreken met of op de vingers.
* Met vingergebaren, zoals doven.
1201. Iets als met de vinger aanwijzen.
* Iets onstoffelijks zeer duidelijk voorstellen of kenbaar maken.
1202. Iemand met de vinger(s) nawijzen.
* Hem bespotten of verachting tonen.
1203. De vinger naast de duim zijn.
* Onmisbaar zijn.
1204. Iemand om de vinger winden.
* Kunnen laten doen wat men wil.
1205. Iets op zijn vingers kunnen natellen.
* Eenvoudig kunnen nagaan, inzien.
1206. Op de vingers van een hand te tellen zijn.
* Zeer gering in aantal zijn.
1207. De vinger op de wond leggen.
* Het gebrek juist aanwijzen.
1208. Iemand op de vingers tikken.
* Hem berispen wegens een fout of overtreding.
1209. Iemand op de vingers zien.
* Streng op hem letten.
1210. Geen vinger naar iets uitsteken.
* Er niets aan willen doen.
1211. Dat klopt als een zwerende vinger.
* Dat is geheel juist.
1212. Iemand geen vingerbreed in de weg leggen.
* Niet het geringste.
1213. Lekker is maar een vinger lang.
* Genieten duurt nooit lang.
1214. De vingers jeuken mij.
* Ik kan haast niet nalaten, hem een slag te geven.
1215. Hij zal er zijn vingers niet blauw aan tellen.
* Daar zal hij niet veel van krijgen, nl. van de te tellen geldstukken.
1216. De twee vingers opsteken.
* Een eed afleggen.
1217. Geen vinger in de as (of aarde) kunnen steken.
* Zelfs niet iets van de geringste betekenis kunnen doen.
1218. De vinger op de mond leggen.
* Zich voornemen te zwijgen. Ook: aan anderen een teken geven om te zwijgen.
1219. Hij likt er vinger en duim naar.
* Hij zou ’t zo graag willen hebben.
1220. Op zijn vingers kunnen narekenen.
* Iets heel gemakkelijk kunnen nagaan.
1221. Tussen boom en schors moet men geen vinger steken.
* Men moet zich niet bemoeien met zaken waarmee men niets te maken heeft.

VOET
1222. Op gelijke voet staan met iemand.
* Niet boven hem verheven zijn.
1223. Op gespannen, goede voet staan met.
* een slechte, goede verhouding hebben met.
1224. Op grote voet leven.
* Royaal leven.
1225. Op de oude voet verder gaan.
* Op dezelfde wijze als vroeger.
1226. Op staande voet.
* Onmiddellijk
1227. Iemand op vrije voeten stellen.
* De vrijheid geven.
1228. Een wit voetje bij iemand halen.
* Bij hem in de gunst proberen te komen.
1229. Ergens vaste voet krijgen.
* Zich er een plaats of stelling veroveren.
1230. Iemand de voeten lichten.
* Hem zijn positie laten verliezen.
1231. Iemand de voeten spoelen.
* Hem in zee verdrinken.
1232. Iemand de voet dwars zetten.
* Hem tegenwerken.
1233. Aan iemands voeten liggen.
* Als beeld van de hoogste verering of onderwerping.
1234. Voet aan wal zetten.
* Landen.
1235. Een voet in de stijgbeugel hebben.
* Uitzicht hebben op bevordering.
1236. Dat heeft heel wat voeten in de aarde.
* Het kost heel wat moeite.
1237. Iets met voeten treden.
* Ermee in strijd handelen.
1238. Met één voet in het graf staan.
* De dood nabij zijn.
1239. Onder de voet gelopen worden.
* In een grote menigte vallen of vertrapt worden.
1240. Iemand onder de voet houden.
* In bedwang.
1241. De grond wordt mij te heet onder de voeten.
* Het wordt mij te riskant.
1242. Iemand op de voet volgen.
* Van nabij.
1243. Iets op de voet volgen.
* Nauwgezet, punt voor punt.
1244. Te voet gaan.
* Lopen.
1245. Iemand te voet vallen.
* Voor hem knielen.
1246. Dat is hem ten voeten uit.
* Zo is hij precies.
1247. Zich uit de voeten maken.
* Vluchten.
1248. Uit de voeten kunnen.
* Zich goed kunnen bewegen.
1249. Met iets uit de voeten kunnen.
* Er mee overweg kunnen.
1250. Op voet van vrede/oorlog.
* In staat van vrede of oorlog.
1251. Op voet van gelijkheid.
* Als gelijkwaardigen.
1252. Voetje voor voetje.
* Heel langzaam.
1253. Iemand iets voor de voeten werpen.
* Het hem verwijten.
1254. Iemand het gras voor de voeten wegmaaien.
* Iemand met iets voor zijn.
1255. Iemand voor de voeten komen.
* Onverwachts binnen zijn blik of bereik komen.
1256. Voor de voeten weg.
* Zonder te keuren of uit te zoeken, voetstoots.
1257. Voor de voet jagen.
* Zonder drijvers jagen.
1258. Iemand voor de voeten lopen.
* In de weg lopen.
1259. Geen voet buiten de deur zetten.
* Niet uitgaan.
1260. Geen voet wijken, toegeven.
* In het geheel niet.
1261. Voet bij stuk houden.
* Niet wijken, niet loslaten.
1262. Jong te paard, oud te voet.
* Als je in je jeugd verkwistend bent, moet je zuinig zijn als je oud bent.
1263. Voet geven aan iemand.
* Hem steun geven. Ook: hem iets toegeven, zijn wensen inwilligen.
1264. Op geen voeten of vamen na.
* In de verste verte niet, in het geheel niet.
1265. Dat gaat zo ver als het voeten heeft.
* Dat gaat maar niet altijd door, er komt een eind aan; dat gaat zo ver als de omstandigheden veroorloven.
1266. Iets voetstoots verkopen/aannemen.
* Iets zonder mee aannemen, zonder bewijs.
1267. Ziekte komt te paard, maar gaat te voet weg.
* Ziekte en ongeluk komen vaak heel plotseling, maar ’t duurt lang, eer men hersteld is.
1268.  (Geen) voet aan de grond krijgen.
* (G)een kans krijgen, (n)iets kunnen bereiken.
1269. Iemand onder de voet halen.
* Met minachting behandelen.
1270. Onder de voet raken.
* Op de grond vallen, bezwijken.
1271. Wie op grote voet leeft, kan niet op de been blijven.
* Wie te weelderig leeft, loopt kans in armoede terug te vallen.
1272. Spaar uw voet van het huis van uw naaste.
* Kom niet te veel bij elkaar op visite, want dan krijgt men genoeg van elkaar.
1273. De voeten onder eens anders tafel steken.
* Leven op andermans kosten, teren op andermans zak.
1274. Last hebben van koude voeten.
* Gekscherende vraag tot iemand die met zijn hoed op ergens gaat zitten.
1275. Men moet zijn voeten niet verder strekken dan de deken lang is.
* Men moet zich naar het dek strekken.
1276. Niet verder lopen dan men voeten heeft.
* Niet het onmogelijke willen.

VOORHOOFD
1277. Dat staat op zijn voorhoofd te lezen.
* Is duidelijk aan hem te merken.
1278. Tegen zijn voorhoofd tikken/op zijn voorhoofd wijzen.
* Gebaar waarmee men te kennen geeft dat degene tot wie of over wie men spreekt niet goed wijs is.
1279. Een stalen voorhoofd hebben.
* Een voorhoofd waaruit geen enkele emotie blijkt.
1280. Zijn voorhoofd fronsen.
* In plooien trekken. Men doet het steeds als er bedenkelijke dingen gebeuren of gezegd worden.

WANG (KONEN)
1281. Rode konen krijgen.
* Zich schamen, in verlegenheid gebracht worden.
1282. Iemand de andere wang toekeren.
* Iemand beschamen door niet terug te vechten.
1283. Gebaarde wangen.
* Wangen met een baard. Gezegd van een volwassen man.

WENKBRAUWEN
1284. De wenkbrauwen fronsen.
* Teken van diep nadenken.
1285. De wenkbrauwen optrekken.
* Teken van verwondering.
1286. Op zijn wenkbrauwen lopen.
* Van vermoeidheid bijna niet meer kunnen.

ZENUW
1287. Stalen zenuwen hebben.
* Sterke, schokkende aandoeningen goed kunnen doorstaan.
1288. De zenuwen gieren door mijn keel.
* Ik ben zeer zenuwachtig.
1289. De zenuwen krijgen, hebben.
* De controle over zichzelf verliezen, rep. verloren hebben.
1290. Dat werkt op mijn zenuwen.
* Daar word ik zenuwachtig van.
1291. Het op zijn zenuwen krijgen.
* Nerveus worden

ZIJ(DE)
1292. Iemand in zijn zwakke zij(de) aanvallen.
* De plaats waar hij zich het minst verdedigen kan.

Advertenties

2 thoughts on “De taal is een levend organisme

  1. Amai…! Wat een monnikenwerk! Ik vroeg me laatst nog af hoe het komt dat er geen spreekwoorden bij gemaakt worden. Spreekwoorden waarin de huidige manier van (samen-)leven tot uitdrukking komt. Ik zeg maar iets: IT’er blijf bij je computer! Beter 1 like op je wall, dan 10 in the cloud. 🙂

    • “IT’er blijf bij je computer!” klinkt goed! De schoenmaker was natuurlijk wel de eerste die met die betekenis een spreekwoord vormde. Maar het opfrissen van spreekwoorden levert volgens mij vast en zeker leuke, nieuwe spreekwoorden op.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s