Laatste nieuwjaarstoespraak Angela Merkel

Dit jaar zijn er parlementsverkiezingen in Duitsland. Angela Merkel zal niet meer als partijleider beschikbaar zijn. Daarom is dit hoogstwaarschijnlijk haar laatste nieuwjaartoespraak als Duitse bondskanselier:

Beste landgenoten,

wat voor een jaar hebben we achter de rug!

In 2020 kwam er iets op ons af waar de wereld geen rekening mee had gehouden. Een tot dan toe onbekend virus dringt onze lichamen en onze levens binnen. Het raakt ons waar we het meest menselijk zijn: in nauw contact, in de omarming, in gesprek, bij het feestvieren. Het virus maakt van normaal gedrag een risico – en bijzonder ongebruikelijke beschermingsmaatregelen normaal.

2020, dit jaar van de pandemie, was een jaar van leren. We moesten in het voorjaar reageren op een virus waarover nauwelijks feitelijke kennis en informatie voorhanden was. We moesten beslissingen nemen waarvan we alleen maar konden hopen dat ze juist zouden blijken te zijn.

De coronaviruspandemie was dé politieke, sociale en economische uitdaging van de eeuw. Het is een historische crisis die iedereen tot veel verplichtte en sommigen tot te veel. Ik weet dat het enorm veel vertrouwen en geduld van u heeft gevergd, en nog steeds vergt om zich met deze historische krachtprestatie in te laten. Daarvoor dank ik u uit de grond van mijn hart.

Aan het einde van dit ademloze jaar is het ook belangrijk om even te pauzeren – en bedroefd te zijn. Als samenleving mogen we niet vergeten hoeveel mensen een geliefde persoon hebben verloren waar ze niet dichtbij konden zijn. Ik kan hun pijn niet verzachten. Maar ik denk aan hen, vooral ook vanavond.

Ik kan alleen maar gissen hoe bitter het moet voelen voor degenen die door corona om het verlies van een geliefde persoon rouwen of die sterk worstelen met de nawerking van een ziekte, wanneer door enkele reddeloze personen het virus wordt ontkend en weggewuifd. Samenzweringstheorieën zijn niet alleen onwaar en gevaarlijk, ze zijn ook cynisch en wreed voor deze mensen.

2020 werd bepaald door zorgen en onzekerheid. Tegelijkertijd was het ook een jaar waarin zoveel mensen boven zichzelf uitstegen zonder dit aan de grote klok te hangen. Dat bewijzen de artsen en verpleegkundigen in ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere zorgcentra. Dat zien we bij de medewerkers van de GGD’s, die plotseling in het centrum van de strijd tegen het virus terechtkwamen. We zien het in de toewijding van onze strijdkrachten die ons op alle mogelijke plekken ondersteunen.

Talloze mensen hebben ertoe bijdragen dat ons leven ondanks de pandemie verder mogelijk is gebleven: in supermarkten en in het goederenvervoer, in postkantoren, op bussen en treinen, op politiebureaus, in scholen en kinderdagverblijven, in kerken, in redactiekantoren.

Ik ben ook altijd weer dankbaar voor de discipline waarmee de overgrote meerderheid van de mensen hun mondkapjes dragen, hoe ze hun best doen afstand te houden. Dit drukt voor mij uit wat het leven in een humane samenleving in de eerste plaats mogelijk maakt: rekening houden met anderen, het inzicht zelf een stapje terug te doen, het bewustzijn van gemeenschapszin.
Deze houding van miljoenen landgenoten heeft ons op tot nu toe veel bespaard op onze weg door de pandemie. Het zal ook in het komende jaar nodig zijn.

Wat geeft me hoop?

Sinds enkele dagen heeft de hoop gezichten: de gezichten van de eerste gevaccineerde mensen, van de zeer oude en hun verzorgers, van het medisch personeel op de intensive care – niet alleen in ons land, maar in alle Europese en vele andere landen. Elke dag zullen meer en meer mensen gevaccineerd worden, en geleidelijk aan zullen andere leeftijds- en beroepsgroepen erbij komen en iedereen die gevaccineerd wil worden. Ook ik zal gevaccineerd worden als ik aan de beurt ben.

De wetenschappers geven mij ook hoop – wereldwijd, maar vooral hier in Duitsland. De eerste betrouwbare coronatest werd hier ontwikkeld – en nu ook het eerste in Europa en vele andere landen in de wereld goedgekeurde vaccin. Het kwam voort uit onderzoekswerk van een Duits bedrijf en wordt nu als Duits-Amerikaanse coproductie vervaardigd.

De oprichters Ugur Sahin en Özlem Türeci uit Mainz vertelden me dat mensen uit 60 landen in hun bedrijf werken. Niets kan beter aantonen dat het de Europese en internationale samenwerking, dat het de kracht van de diversiteit is, die vooruitgang brengt.

De opgaven waar de pandemie ons mee opzadelt, blijven kolossaal. Bij veel ondernemers, werknemers, zelfstandigen en kunstenaars heerst onzekerheid, ja, angst om hun bestaan. De regering heeft ze in deze noodsituatie, waar niemand schuld aan heeft, niet alleen gelaten. Ondersteuning van de regering, in hoogtes die we niet eerder hadden, helpt. Verbeterde arbeidstijdverkortingsregelingen sorteren effect. Zo kunnen banen behouden blijven.

Is in het nieuwe jaar ook alles corona? Nee, en dat was het ook niet in het afgelopen jaar. Het is niet zo dat de wereld pas sinds het begin van de pandemie razendsnel en fundamenteel verandert.
Des te belangrijker is het dat Duitsland met al zijn kracht en creativiteit gedurfde ideeën voor de toekomst ontwikkelt. Dat onze economie, onze mobiliteit, ons leven klimaatvriendelijk wordt. Dat alle mensen in Duitsland kunnen profiteren van gelijke levensomstandigheden en echte gelijkheid bij onderwijs. Dat we ons ook samen met Europa beter kunnen laten gelden in de geglobaliseerde, gedigitaliseerde wereld.

Beste landgenoten,

deze dagen en weken, daar valt niets goed te praten, zijn zware tijden voor ons land. En dat zal nog geruime tijd zo blijven. Het zal nog een lange tijd aan ons allemaal liggen hoe we ons door deze pandemie heen slaan. De winter is en blijft zwaar.

We weten nu hoe we het virus tegenstand kunnen bieden. Het naast de vaccinatiestof werkzaamste middel hebben we zelf in de hand door ons aan de regels te houden, eenieder van ons. Wij allemaal samen.

Laat mij tot slot nog iets persoonlijks zeggen: over negen maanden zijn er parlementsverkiezingen, waarbij ik me niet meer kandidaat zal stellen. Dit is dus naar alle waarschijnlijkheid de laatste keer dat ik me als bondskanselier met een nieuwjaarstoespraak tot u richt. Ik denk niet dat ik overdrijf als ik zeg: nooit eerder in de laatste 15 jaar hebben we het oude jaar als zo zwaar ervaren – en nooit eerder hebben we ondanks alle zorgen en wat scepsis het nieuwe jaar met zoveel hoop tegemoetgezien.

En daarmee wens ik u en uw familie van harte gezondheid, vertrouwen en Gods zegen voor het nieuwe jaar 2021.

Wat is een column, wat is een columnist?

Vandaag besteedde ik mijn vrije tijd aan het opruimen van een flinke hoeveel cd’s met muziek en met oeroude tekstbestanden. Zo nu en dan keek ik even wat erop stond en onderstaand stukje vond ik wel aardig om op mijn blog te zetten. Ik vond de bijdrage op een schijf vol met teksten die ik tijdens mijn opleiding Tekstschrijven (1992-1996) schreef. Hier was het waarschijnlijk de bedoeling iets zinnigs over de column en de columnist op papier te zetten.

Hofland in NRC/Handelsblad (31 december 1982):
1. Het stukje moet kort zijn zijn, niet langer dan één kolom in de lengte. Het kan iets langer zijn als het over twee of drie-kolommen staat afgedrukt, maar, zegt Hofland, de moerassen van drukinkt over een halve pagina of meer zijn geen columns, het zijn ontboezemingen; een heel ander genre.
2. Het moet goed geschreven zijn. De zinnen moeten allemaal iets betekenen, mogen geen vulsel zijn en de schrijver moet er met zijn ‘muziekje’ in aanwezig zijn. Je moet onmiddellijk kunnen horen dat dit Blokker is, of Spaan, of Komrij.
3. Een column moet altijd een mening hebben die op één of andere manier verpakt is. Een opeenhoping van andermans meningen is geen column.
4. Het bevat nieuws, althans iets nieuws. Een feit door de schrijver persoonlijk opgediept of een waarneming vanuit een onverwachte hoek. De lezer moet verrast worden met iets wat hij nog niet wist.
5. De polemiek, iemand uitschelden, te lijf gaan, kabaal maken, schreeuwen etc., alhoewel dat niet noodzakelijk is. Te veel schelden is gevaarlijk, het wordt dan al gauw gekijf en dat is een ramp. Beter is iets bizars, een krankzinnige wending in een redenering, zoals Piet Grijs dat kan.
6. De beste stukjes moeten zo goed zijn dat ze gebundeld kunnen worden. Het moet de lezer dan duizelen van de variaties in onderwerpen en vondsten. Het boek moet propvol met stukjes zitten waardoor de lezer de ene keer ontroerd wordt, dan weer hard moet lachen. Zijn blik wordt verhelderd, op zo’n manier had hij het nog noot bekeken, en na lezing blijkt het boek opeens een klein universum te zijn.

Gerrit Krol in de Haagse Post van 27 oktober 1979:
De columnist is de enige schrijver die nooit faalt. Nooit zal een columnist zich voor een slecht geschreven stukje verontschuldigen. Het belangrijkste is dat hij present is. Als op maandagochtend zijn huis afbrandt en hij heeft zijn stukje nog niet geschreven, dan schrijft hij eerst zijn stukje.
Niet weten waarover hij schrijven zal is voor een schrijver geen excuus, maar voor een columnist helemaal niet. Desnoods jat hij iets uit een onbekend buitenlands boek, maar zijn stukje zal op de afgesproken tijd op de redactie liggen.
Een columnist is nooit met vakantie. Columnisten die hun lezers laten weten dat ze ‘met vakantie’ zijn, tonen daarmee hun zwakke en al te menselijke kant; in mijn ogen zijn ze geen echte columnisten. Een columnist is een machine die, invariant onder de wisselingen van de seizoenen, de humeuren die hem omgeven of zijn eigen humeur, zijn stukjes schrijft. (Een echte columnist noemt zijn werk ‘stukjes’. ‘Ik moet mijn stukje nog schrijven.’)

Piet Grijs op de achterflap van Piet Grijs is gek:
Niets is eenvoudiger dan columnist te zijn van een weekblad. Je moet elke maandag een stukje inleveren. Je moet niet eerder dan die maandag aan dat stukje gaan denken. De tekst loopt van de duim die verzint naar de vinger die tikt, zonder hart of hersens te passeren. De enige vereiste is lef.

Komrij in speciaal polemiekennnummer van Maatstaf in 1983:
De pamflettist gaat uitbundig tekeer – uit wanhoop. Hij vernietigt – uit idealisme. Hij vloekt – bij wijze van preek. Redders en idealisten. En toch vindt men haast onder geen groep zo’n afkeer van boodschappen en zo’n verlangen naar ontnuchtering als onder polemisten. De boodschap is ze een gruwel, en ze vertellen ons dat in een genre dat bij uitstek een boodschap is. Want wat wil directer overtuigen dan de polemiek? Zèlfs didactisch, haat ze de steile, humorloze didactiek. De humor van de polemiek ligt niet zelden in het feit dat de vijand zo onverstoorbaar serieus wordt aangevallen.

Al lijkt de aanval serieus, bij het helse af, de eigenlijke vijand interesseert de polemist soms maar matig. Hij is voortdurend in de weer zijn tegenstander op te blazen om hem vervolgens leeg te laten lopen. Hij maakt zijn vijand groter om meer schietoppervlak te hebben. Wat hem belang inboezemt is de polemiek zelf. Hij lijkt bezeten van een heilig vuur omwille van een goeie zaak, maar wat hem uiteindelijk drijft is niets anders dan zijn polemische aard. Zijn tegenstander kleinerend streelt hij zichzelf. (…)
De kwaliteit van een polemiek is niet afhankelijk van de aanleiding: we behoren er niet aan af te lezen of die heel miniem is of berust op een obsessie. Gekwetste ijdelheid, een onwaardige zaak kan tot groter resultaten leiden dan een krankzinnige betrokkenheid. Wereldvraagstukken leiden vaak tot pijnlijke, infantiele discussies. Een ruzie om een knikker kan, eenmaal geformuleerd, de wereldbol verlichten.
De polemist doodt om in leven te blijven, ontkent uit zelfbehoud. Alles heel nobel. Meestal is het een kwestie van maagzuur.

Als columnist hanteert Nico Scheepmaker vijf onwrikbare principes:
1. Een columnist moet altijd bereikbaar zijn voor zijn lezer. Scheepmaker zegt dat hij de kranten altijd de opdracht geeft zijn adres en telefoonnummer door te geven. Een geheim nummer vindt hij in strijd met het wezen van de columnist. Wie bij honderden of duizenden thuis komt, kan niet aan de andere kant de deur dicht houden.
2. Elke ingezonden brief tegen een column moet in principe worden geplaatst. En zonder naschrift, behalve wanneer de briefschrijver met nog leugenachtiger beschuldigingen komt dan waarmee de schrijver zelf is gekomen. De columnist heeft zijn column en het is onjuist, aldus Scheepmaker, als hij zich ook nog eens de ingezonden brievenrubriek toe-eigent.
3. Alles wat in de column staat, moet waar zijn. Een columnist moet de werkelijkheid niet verdraaien, hij moet eerlijk blijven. Deze stelregel staat dus diametraal tegenover die van polemische columnisten. Scheepmaker zegt over zijn polemische vakbroeders dat die vaak dingen beweren die helemaal niet waar zijn; ze doen dat met opzet, ze verzinnen vaak iets om het effect te versterken. Zo zou Hugo Brandt Corstius, overigens zijn favoriete columnist, eens in een stukje hebben geschreven dat Renate Rubinstein, zoals bekend een aartsvijandin van Brandt Corstius, jaloers op hem was, omdat hij een baan in Amerika had aangeboden gekregen.

Silvester

Was fange ich Silvester an?
Geh ich in Frack und meinen kessen
Blausanen Strümpfen zu dem Essen,
Das Herrn Generaldirektor gibt?
Wo man heut nur beim Tanzen schiebt?
Die Hausfrau dehnt sich wild im Sessel –
Der Hausherr tut das sonst bei Dressel -,
Das junge Volk verdrückt sich bald.
Der Sekt ist warm. Der Kaffee kalt –
Prost Neujahr! Ach, ich armer Mann!
Was fange ich Silvester an?

Lees verder