Alarm

Eén keer in je leven moet je eraan geloven. Vandaag was ik aan de beurt. Het gebeurde een paar uur geleden in de Edeka-supermarkt in de Berlijnse Bergmanstrasse.
Lees verder

Advertenties

Kort verhaal

Dit korte verhaal uit 1993 verschijnt nu voor het eerst digitaal. Het stond op een oude floppydisk met veel korte verhalen en interviews uit de tijd dat ik in Amsterdam woonde. Dat was van 1989 tot 1996.

rvb  WISSELSTROOM 

Hij keek naar de rondvaartboot die vandaag weer afgeladen met toeristen door de Amsterdamse grachten voer. De dag voor Koninginnedag was het altijd al druk in de stad. Bernard kon vanaf het bankje de jonge reisleidster haar werk zien doen. Even voelde hij een koude rilling door zijn lichaam lopen. De stem van het jonge meisje in de rondvaartboot schalde over het water. ‘Cela est un vagabond d’Amsterdam; that’s a real wande­rer from Amsterdam; das ist ein Vagabund aus Amster­dam.’

‘En?’, vroeg de man die naast Bernard op het bankje was neergestreken. ‘Ga je morgen nog verhuizen?’
Bernard herkende direct het stemgeluid van zijn buurman. Het was Plato, de zwerver die hij vorige week zomaar had aangesproken. Zomaar, omdat hij dacht een lotgenoot te hebben ontmoet. Hij bleek al vijftien jaar te zwerven en zich bij voorkeur in warenhuizen en postkantoren op te houden.
‘De plaatsen waar mensen geld halen en besteden.’
De warenhuizen waren huizen, vertelde hij vorige week aan Bernard.

‘Ga je nog verhuizen?’, vroeg hij weer.
Bernard wist direct wat hij bedoelde. Toch dacht hij een moment lang dat de zwerver niet echt was. Dat het een man was die zich alleen naar hém toe als een geest openbaarde. In het spiegelend water zag hij de ontmoeting van vorige week oplichten.

‘Heb je ook een naam?’, vroeg Bernard. Hij was naast de zwerver in het portiek  gaan zitten. Hij vond het een belachelijke vraag, maar hij had ‘m al gesteld. Dat overkwam hem wel vaker. Als hij bij de bakker om een heel brood vroeg was het hem direct daarna duidelijk dat het een half brood moest zijn. Maar ja, de vraag was gesteld, het commando was reeds gegeven. Hij was er niet de man naar zijn eigen commando’s te herroe­pen.

‘Plato’.
Bernard schrok. Hij was helemaal niet voorbereid op een zwerver die sprak.
‘Plato, al vijftien jaar Plato.’
De zwerver zweeg weer. In de glazen deur van het warenhuis zag Bernard niet alleen de rug van de zwerver, maar zijn hele postuur, zijn zo herkenbare voorkomen. En daarnaast zat de man die om vergiffenis vroeg. Althans, zo leek het in de weerspiegeling van de deur.
‘Waarom, uh..Plato?’
Bernard wist niet dat hij op vijfenveer­tigjarige leeftijd nog zo onzeker kon zijn. Plato antwoordde kalm.
‘Voorspelbaarheid. Alles was me veel te voorspel­baar.’
Bernard knikte instemmend en sprak.
‘Het kostte mij meer dan veertig jaar van m’n leven. Ik bedoel, om daarachter te komen. Maar het klopt. Ik zit ver­domme de godganse dag te wachten! En waarop? Ja, op de dood. Ik ben niet somber hoor, maar het is gewoon zo. Mijn kamer is een dodencel.’

De oude zwerver glimlachte. Een passerende Heilsoldaat lachte terug. En ook een jong echtpaar leek Plato’s lach te beantwoorden door onopvallend te knikken.
Bernard vervolgde: ‘Een dodencel, een vluchthuis, een blijf-van-mijn-lijf-en-geest-huis. Maar ja, ik stop er binnenkort mee.’
Plato draaide z’n gezicht in de richting van Bernard om te zien wat hij uit z’n jaszak haalde.
‘Borreltje, Plato?’
Hij schroefde de dop van de flacon met whisky en bood Plato een slok aan. De donkere ogen van de stokstijf zittende Plato schitterden als kristallen in het zondagse zonlicht.
‘Oei, wat een zin’, leek iemand te zeggen.
‘Ben ook kunstenaar geweest’, vertelde Bernard opgewonden en spoelde zijn woorden weg met een flinke teug uit de flacon. Twee passerende politieagenten keken met een strenge, beroeps­matige blik naar het drinkende duo op de trap van het postkan­toor.
‘Who cares?’, sprak één van hen.
‘Engels?’, vroeg de andere agent.
‘Of course!’
Ze sloegen op elkaars handen, lachten en liepen verder.

‘Créer automatique! Onderbewustzijn!’, vertelde Bernard. ‘Dat dacht ik.’
Plato zweeg en luisterde geduldig naar de man naast hem.
‘Expositie gehou­den! Uitnodigingen verstuurd. De kranten, de bladen, de hele wereld. Allemaal voor mijn werk. Mijn eigen “face the faces”. Mooi hè, face the faces.’
Plato knikte langzaam.
‘Maar dan echt face the faces’, ratelde Bernard verder. ‘Sche­ten in flesjes. Lange, korte, milde, exotische, zachte, harde en natte scheten. Echt! En ook drollen. Weet je, ik heb al die drollen in zelfgemaakte kijkdozen gezet.’
De sirene van een voorbij scheurende ambulance deed Bernard zwijgen. Hij voelde de warmte van de zon en wist dat hij op het goede pad was.
‘Volgende week stop ik. M’n kamer, televisie, radio, platen, boeken, alles gaat op straat. Alles, hoor je Plato. Ik ook. Alle houvast laat ik los.’

‘Morgen”, antwoordde Bernard.
Plato zweeg. Is That All There Is? Beide leken te luisteren naar het veelzeggende nummer van Peggy Lee dat luid uit de radio van een geparkeerde auto opsteeg.
‘Gelukswijn’, sprak de zwerver en toonde een grote fles met wijn. Het kostte hem moeite de fles precies op z’n mond te zetten zodat veel van het vocht in zijn grove baard verdween.
‘Op naar huis’, zei Bernard en nam de fles over.
‘Op naar huis’, mompelde Plato. Z trokken elkaar overeind. Op straat nam de drukte toe. Iedereen leek bezig te zijn met de voorbe­reidingen voor de dag van morgen, Koninginnedag.
‘Hier heb ik altijd gewoond’.
Plato zat uitgezakt op een met schimmel bedekte driezitsbank en staarde gefascineerd naar buiten. Het uitzicht van deze souterrainwoning maakte grote indruk op hem.
‘Je kan hier vannacht wel blijven’, zei Bernard en haalde een fles jenever uit de koelkast. ‘Deze luxe heb ik niet meer nodig.’
Plato knikte. Een fles en een uur later lagen beide heren in diepe slaap.

Al vroeg in de ochtend, om kwart voor acht om precies te zijn, drong het straatrumoer Bernards woning binnen. Koningin­nedag was begonnen en Bernard realiseerde zich dat hij de deadline had bereikt. Hij was blij dat ie z’n kleren had aangehouden.
‘Honderd gulden, eten, drank en een deken’, dacht hij hardop.
Tien minuten later, vijf voor acht, stond hij met al deze spullen bij de voordeur van zijn woning.
‘Ik zie je nog wel, Plato’, zei hij en keek naar de in diepe slaap verkerende zwerver.

‘Een nieuw bestaan.’ Die gedachte hield hij vast tijdens zijn wandeling naar het Vondelpark. Traag baande hij zich een weg over het al drukke Leidseplein en weldra stond hij voor de ingang van het park. Na enkele meters lopen vond hij een boom. Hij legde z’n spullen neer en ging zitten.
Op dat moment haalde op ruim anderhalve kilometer afstand iemand driehonderd gulden uit zijn sok.
‘De huur’, sprak de slaperige zwerver tegen een verbaasde huisbaas.
‘Maar bent u niet.., bent..u uh’
‘Wat maakt het uit’, zei Plato. ‘Het gaat toch immers om het geld. Warenhuizen kunnen huizen zijn, maar dit voldoet ook.’

De tunnel

ecoDe  schemering accentueert de prachtige herfstkleuren in dit stukje bos op de Veluwezoom. Alles ademt ontspanning. Op een plek die geen mens kent, zelfs de boswachter is hier nog nooit geweest, houdt Gerben zijn betoog over de aanleg van een ecoduct. Zijn toehoorders luisteren aandachtig.

“Op het ecoduct wordt een laag gewone bosgrond aangebracht. De inrichting is afgestemd op het aangrenzende gebied zodat de dieren het ‘gewoon’ vinden om over het ecoduct te gaan. Het gaat hier om edelherten, reeën, dassen, boommarters, eekhoorns, zandhagedissen, levendbarende hagedissen, ringslangen en verschillende soorten kevers. Ook voor vlinders, vleermuizen en vogels is met het ecoduct een oversteek gemakkelijker.”

“En wij dan”, roept Henk de haas. “Mogen wij niet naar de overkant?”
Het edelhert Gerben schuift zijn leesbril iets naar beneden en kijkt naar de groep dieren voor hem. Door de komst van het ecoduct trekt de wekelijkse bijeenkomst dit keer veel meer bezoekers dan normaal. De dassen, edelherten en reeën waren er altijd al, maar hij ziet nu ook veel vogels, kevers en vleermuizen die de tijd hebben genomen om deze meeting bij te wonen.

“Volgens welingelichte bronnen is het ecoduct voor iedereen bestemd”,  vervolgt Gerben zijn verhaal. “Maar zoals het er nu naar uitziet, bouwt men bij ons in de buurt een ecombiduct.”
De dieren kijken elkaar verbaasd aan.
” Een wat?!”,  roept een zwarte kraai vanuit een hoge beukenboom, “een ecombiduct?!”
Alle dieren lachen om de spontane opmerking van de brutale kraai die erom bekend staat dat hij geen blad voor de mond neemt.
“Ik heb dat woord ook niet verzonnen”,  legt Gerben uit. “Bij dit ecombiduct zal er een buis onder het pad komen te liggen, speciaal bedoeld voor degenen die schrikken van het lawaai en het licht van de voorbij razende auto’s.
“Angsthazen!”, roept de kraai.

Na afloop van de bijeenkomst praten de eekhoorns Joep en Eek nog even na. Egel Erik luistert mee.
“Maar ik ga bovenlangs”, zegt Erik. “Ik ga toch niet uren lang door zo’n tunnel kruipen.”
Joep kijkt zijn broer aan.
“En jij, Eek, ga jij door die tunnel?”
“Ik weet niet of ik wel naar de andere kant wil. Zoals je weet staan ze daar niet te wachten om ons welkom te heten. Vergeet niet wat Gerben net zei. Hij heeft contacten met de overkant. Ze willen daar speciale patrouilletroepen oprichten die in de gaten houden wie er uit de tunnel komt. Dat is toch niet normaal”, zegt Eek.
“Nee, normaal is het niet. Maar Gerben zei dat wij ook in de gaten moeten houden wie er híer na aanleg van dat ecombiduct allemaal op bezoek komen. Voor je het weet gaan ze niet meer terug en is het bos binnen no-time vol. “
“Nou, zo’n vaart zal het wel niet lopen, Joep. Er is genoeg plek. Alleen die reebok met dat vreemde gewei, die loopt de boel hier een beetje op te stoken. Als het aan hem ligt wordt de tunnel aan deze kant afgesloten en komt er niemand in.”
“Je bedoelt Ron. Ach, je kent die reebok toch. Dat is gewoon een schijtlaars. Dat beest kijkt 24 uur per dag angstig uit zijn ogen en vreest iedere seconde dat hij wordt aangevallen”, lacht de egel.
Eek knikt.
“En toch zit het me niet lekker dat die domme reebok probeert andere dieren op te hitsen en te waarschuwen tegen een invasie vanaf de andere kant. Hij krijgt wel met de dag meer aanhangers.”

De grote dag breekt aan. Volgens niet bevestigde berichten zullen vandaag de eerste dieren van de tunnel gebruikmaken. Gerben heeft iedereen gevraagd naar de tunnel te komen. Aan zijn oproep wordt gehoor gegeven. Het is een drukte van belang bij het net aangelegde ecombiduct. Iedereen wacht af op wat komen gaat. Alle blikken zijn op de tunnel gericht. Plotseling beweegt er iets. Iedereen kijkt op. Gerben begint te klappen als hij de eerste bevers uit de tunnel ziet lopen. Ze kijken verbaasd om zich heen. Ook de andere dieren klappen en juichten. Alleen Ron de reebok kijkt, samen met een paar kameraden van hem, argwanend toe.

“Dit is het begin van het einde”, mompelt hij. Ondanks de bokkige reebok is het een feestelijke middag. Ron loopt geïrriteerd terug het bos in, totdat hij opeens voelt dat er iemand achter hem loopt die hij niet kent. Hij blijft staan.
“Nou Ron, hoe gaat het dan met jou, lieverd.”
Ron draait zich langzaam om. Hij kijkt recht in de stralende ogen van Carla, de reebok waar hij in zijn jonge jaren smoorverliefd op was.
“Carla?!”, stamelt Ron. Hij is perplex. Rons kameraden kijken vanaf afstand naar de twee reebokken die elkaar nu nader komen.
“Ik ben zo blij dat ik nu hier kan zijn”, vertelt ze. ‘Ik ben over dat gevaarte gelopen, met onder mij die tunnel. Wat heerlijk dat we nu samen kunnen leven! “

Ron verkeert net niet in een shocktoestand. Samenleven, gaat het door zijn gedachten, dat kan natuurlijk ook. Hoezo heb ik daar nooit aan gedacht?”
“Dat is natuurlijk waar. Helemaal niet aan gedacht, we kunnen nu in één bos samenleven”, zegt Ron tot zijn eigen verbazing. Maar wat maak het uit. Hij is verliefd. Liefde staat boven alles, liefde doet soms gekke dingen met je.
Zijn kameraden kijken hem bevreemd aan. Wat is er met Ron gebeurd? Ron wilde de vijand toch te lijf, ze zouden toch ten strijde trekken en hun stuk bos verdedigen?
“Jongens , kijk niet zo dom”, roept Ron. “We leven nu samen, begrijpen jullie dat niet!”
Carla vleit zich tegen Ron aan en likt teder zijn gezicht. Verliefd trekt het liefdespaar het bos in, een gezamenlijke toekomst tegemoet.