Ooit

“Vroeg of laat gaan we er allemaal aan”, zei hij en keek recht vooruit, in de richting van de bruisende fontein met het waterbassin er omheen, de grindpaadjes en de op het gazon liggende zonaanbidders. Ik geniet ervan op dit terras midden in de bedrijvige stad tot rust te komen.

“Zo is het”, zeik ik en keek naar de man aan het tafeltje naast me. Hij droeg een wit linnen overhemd, nonchalant open bij de hals, onder een donkerblauwe blazer die iets te warm leek voor de dag maar hem precies het soort elegantie gaf dat je zelden nog ziet. Zijn broek was lichtbeige, van soepel katoen, en zijn schoenen – bruin leer, goed onderhouden – verraadden aandacht voor detail. Zijn gezicht was gebruind door de zon, met fijne rimpels rond zijn ogen die eerder van het lachen leken te komen dan van zorgen. Kortgeknipt grijs haar, een zilveren horloge aan zijn pols, en een zonnebril die hij nonchalant op tafel had gelegd. Ik schatte hem een jaar of zeventig. Hij glimlachte, alsof hij het een aangename verrassing vond dat een onbekende zijn opmerking waardeerde. En ik was het met hem eens, want hoe hij het zei, was niet zwaarmoedig. Eerder opgewekt melancholisch. Alsof hij de dood niet vreesde, maar ook niet vergat. We gaan er allemaal aan, vroeg of laat – ja. Maar vandaag zitten we op dit terras, midden in de stad, met het licht op onze huid en leven om ons heen. Dat is wat telt.

“Salut”, proostte hij vriendelijk en hief zijn glas witte wijn.

“Salut”, antwoordde ik.

We namen gelijktijdig een slok en keken naar de vrolijke fontein. Vroeg of laat gaan we er allemaal aan, gonsde het nog door mijn hoofd en ik keek naar de jonge moeder die met strohoed en donkere zonnebril statig haar kinderwagen voortduwde. Mijn buurman zag het ook. Zou hij ook denken, wat ik dacht? Dat ook de moeder ooit gaat, dat ook het kind ooit gaat, dat ook ik ooit ga

“Ooit”, zei ik en keek recht vooruit.

“Ooit”, sprak de man aan het tafeltje naast me.

Deze column staat ook op metronieuws.nl