Tag Archives: Martinus Nijhoff

De zon op mijn hand

In onderstaande opname dansen schrijfster Marga Minco en haar echtgenoot Bert Voeten (dichter/vertaler) op het boekenbal in 1959. Ook zien we de dichter Herman van den Bergh en de destijds 29-jarige Remco Campert. Daarnaast komen de graficus en kunstschilder Metten Koornstra én de cartoonist Opland (Robert Wout) in beeld. De avond werd bijgewoond door koningin Juliana.

Dit fragment kwam ik tegen tijdens mijn onderzoek naar de dichter Bert Voeten. Zijn gedicht “De zon op mijn hand” deed mij denken aan “Het kind ik” van Martinus Nijhoff en dat is reden genoeg op onderzoek uit te gaan.

DE ZON OP MIJN HAND

Schrijvend met de zon op mijn hand
ademend tussen blote woorden
op de strandwei van het papier
zie ik een kind door de regen lopen,
zorgeloos, met ogen die alles
drinken tot op de bodem. Alles.

Als ik het roep bij mijn eigen naam
blijft het even tussen twee zinnen
wachten, kijkt mij verwachtend aan,
ledigt mij en laat mij achter:
dorstend boven een zee van taal.

Gedicht van Bert Voeten (1918-1992) uit 1956
Uit: Dichters van deze tijd (bloemlezing), tweeëntwintigste druk door Paul Rodenko, 1969

HET KIND EN IK

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.

Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.

Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel,
herkende ik, was van mij.

En toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.

Gedicht van Martinus Nijhoff (1894 – 1953) uit 1934
Uit: Dichters van deze tijd (bloemlezing), tweeëntwintigste druk door Paul Rodenko, 1969

De idioot in de lente

Na de winter van 2020 volgt de lente van 2021. Dat is een voldongen feit. Daarop vooruitlopend dit gedicht van Martinus Nijhoff.

De idioot in de lente

Er vielen woorden van de zon
Diep in mijn hart naar binnen
En verdronken in me
Als in de steile schaduw van een bron.

Gaat iemand met mij mee
Om luisterend te zwijgen

Gaat iemand met mij mee
Leg dan zacht en heel dicht
’t Gezicht aan mijn gezicht –
De lange groenen golven stijgen

En stijgen dansend uit de grot:
Het wordt een zee waarin we drijven

Het wordt een zee tot aan den horizon
Het wordt een wijd en stil en zilveren licht

St! ’t Is de vloed van God

Bron
Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren

Tijd om te ademen

Recycling
Woorden kunnen enkel gevormd worden met de verbruikte lucht die men uitademt. Dat was ooit een gedachte van Martinus Nijhoff die hij aan het papier toevertrouwde. “Wonderbaarlijke economie der natuur, die evenals dat hier en daar in de techniek gebeurde, afval produktief maakt”, schreef hij. Een interessant stukje. Nijhoff merkt op dat de mens pure oneindigheid inademde, daar inwendig zijn voordeel mee deed, en dat hij daarin precies was als de dieren. Verder schrijft hij dat de mensen met de grootste oplettendheid zijn aandacht binnenwaarts moest richten, ‘want daar lag zijn heil, zijn gevaar en zijn grootste kans”.

Pandemie
Ook in het huidige tijdperk van de pandemie ligt de grote kans van de mens om naar binnen te gaan. Daarmee bedoel ik niet in quarantaine in de woning, maar om naar het hart te gaan om o.a. zijn gaven te ontdekken en – zoals Nijhoff schrijft – “de verplichting zijn grote gaven na te komen”. De actuele situatie biedt de mens de kans om te ontdekken wat er met hem is gebeurd sinds zijn allereerste ademhaling. Leeft hij of overleeft hij? Op een later tijdstip meer over dit onderwerp van mijn hand.

Nu eerst de passage van Nijhoff over dit interessante thema, waarbij de schrijver ook het verschil tussen proza en poëzie onder de loep neemt. Een taalgevoelig mens voelt zich bij het lezen van proza in de mensenwereld. Bij een roman is hij in de maatschappij. Maar bij poëzie voelt hij zich niet bij een ander mens. Poëzie houdt rekening met de inademing. “Hij is terstond in het heelal. Elk goed gedicht bevat deze confrontatie van puur heelal en inwendigheid, of liever, een gedicht is slechts goed in zover het aan deze zijn bestemming voldoet; en slechts als zodanig heeft het nut.”

Hieronder de passage uit het verzameld werk II. Kritisch en verhalend proza:
“Vreemd, dat woorden enkel gevormd konden worden met de verbruikte lucht die men uitademt. Wonderbaarlijke economie der natuur, die evenals dat hier en daar in de techniek gebeurde, afval produktief maakt. De mens ademde pure oneindigheid in, deed daar inwendig zijn voordeel mee, en hierin was hij precies als de dieren. Met de uitademing was het anders gesteld. In het een of ander steentijdperk had zich in het menselijk strottenhoofd een klein, maar uiterst verfijnd instrument ingericht, dat men de adamsappel noemt; en terecht, want het is het orgaan bij uitstek van de mens gebleken, en hiermee was hij in staat aan de uitademing een bijzondere betekenis te verlenen. Niet wat tot de mens ingaat, had Jezus gezegd, maar wat uit de mens uitgaat verontreinigt de mens. Alweer een aanwijzing, dat de pure oneindigheid, die men inademde, evenals de natuur en het voedsel dat zij opleverde, volstrekt in orde en goed was, maar dat de mens zich verontreinigen zou, als hij daar geen goed gebruik van maakte. De taal was ontstaan uit het kort ogenblik tussen aandrift en bevrediging, maar deze taal kon macht zijn of verontreiniging. De mens was in staat een dankzegging, een gebed, een nieuwe begeerte, een bevel, een herinnering te formuleren. Zijn rede was geboren, zijn bewustheid; hij moest met de grootste oplettendheid binnenwaarts zijn aandacht richten, want daar lag zijn heil, zijn gevaar en zijn grootste kans. Hij moest de verplichtingen van zijn grote gaven nakomen.

En iets van het diepe onderscheid tussen proza en poëzie viel nu meteen, dacht ik, want iemand denkt altijd met rukken en grote sprongen, vast te stellen. Proza, zoals wetten, geschiedschrijving, aanschouwelijke romankunst, was uit het verlangen van de mens geboren om de wereld buiten hem te verkennen; te bepalen, in hoever hij haar met zijn rede en bewustheid veroverd heeft en kenbaar gemaakt. Hoe ver zijn we nu met de menselijke bovenbouw, met onze structuur op deze planeet, dat was het waarvan proza rekenschap aflegde. Proza was een aanhoudend spreken, dus zozeer een geregeld uitademen, dat het noodzakelijk inademen op de dode plekken, op de interpunctie, moest plaats vinden.
Poëzie gaf antwoord op de vraag: hoe staat het met ons inwendig? Welke steeds dieper roerselen en gewaarwordingen zijn binnen ons tot bewustzijn geraakt? Waaraan dankte poëzie dit vermogen en deze zo speciale kracht? Zij moest dit danken aan een apart uitdrukkingsmiddel. – Aan het ritme dacht ik. Maar ik zag spoedig, dat dit kortzichtig was. Ook het proza, ook het in een gesprek gesproken woord, ook de improvisatie, ook de brief immers heeft ritme. Elk goed proza geeft toe aan dit het wezen der taal uitmakend ritme, dat wil zeggen, elke taaluiting bestaat tenslotte uit een opeenvolging van bundeltjes van 6 of 7, zoveel als de adem er bevatten kan, hoogstens 10 syllaben. Die lettergreepgroepen zijn in proza niet minder regelmatig dan in poëzie. Maar poëzie, en hier had ik een inval die mij nooit zo maar ingevallen zou zijn, maar niet anders dan een resultaat kon zijn van mijn vorige gedachten, een toewaaisel, een aanslibbing, – maar poëzie, viel mij in, houdt rekening met de inademing. Door de regelmaat, door het metrum, de woordrepetitie, de alliteratie, het rijm, door, in rijmloze en vrije verzen, de zogenaamde periode, het geheim van Shakespeares blank verse, reguleert zij deze inademing. Zij doet inademen op de levende plekken. Hierdoor ontstaat telkens een ondeelbaar moment een stilte, juist op die levende plekken, en in dit trillend oponthoud confronteren ziel en oneindigheid. Elk taalgevoelig mens voelt zich, proza lezend of horend, in de mensenwereld; bij een roman is hij in de maatschappij, bij een werk van wetenschap of geschiedenis voelt hij zich in gezelschap van een ander mens met dieper of wijder blik. Maar bij poëzie voelt hij zich niet bij een ander mens. Hij is terstond in het heelal. Elk goed gedicht bevat deze confrontatie van puur heelal en inwendigheid, of liever, een gedicht is slechts goed in zover het aan deze zijn bestemming voldoet; en slechts als zodanig heeft het nut.”

BRON: Verzameld werk II. Kritisch en verhalend proza(1961)–Martinus Nijhoff

« Oudere berichten