De idioot in de lente

Na de winter van 2020 volgt de lente van 2021. Dat is een voldongen feit. Daarop vooruitlopend dit gedicht van Martinus Nijhoff.

De idioot in de lente

Er vielen woorden van de zon
Diep in mijn hart naar binnen
En verdronken in me
Als in de steile schaduw van een bron.

Gaat iemand met mij mee
Om luisterend te zwijgen

Gaat iemand met mij mee
Leg dan zacht en heel dicht
’t Gezicht aan mijn gezicht –
De lange groenen golven stijgen

En stijgen dansend uit de grot:
Het wordt een zee waarin we drijven

Het wordt een zee tot aan den horizon
Het wordt een wijd en stil en zilveren licht

St! ’t Is de vloed van God

Bron
Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren

Tijd om te ademen

Recycling
Woorden kunnen enkel gevormd worden met de verbruikte lucht die men uitademt. Dat was ooit een gedachte van Martinus Nijhoff die hij aan het papier toevertrouwde. “Wonderbaarlijke economie der natuur, die evenals dat hier en daar in de techniek gebeurde, afval produktief maakt”, schreef hij. Een interessant stukje. Nijhoff merkt op dat de mens pure oneindigheid inademde, daar inwendig zijn voordeel mee deed, en dat hij daarin precies was als de dieren. Verder schrijft hij dat de mensen met de grootste oplettendheid zijn aandacht binnenwaarts moest richten, ‘want daar lag zijn heil, zijn gevaar en zijn grootste kans”.

Pandemie
Ook in het huidige tijdperk van de pandemie ligt de grote kans van de mens om naar binnen te gaan. Daarmee bedoel ik niet in quarantaine in de woning, maar om naar het hart te gaan om o.a. zijn gaven te ontdekken en – zoals Nijhoff schrijft – “de verplichting zijn grote gaven na te komen”. De actuele situatie biedt de mens de kans om te ontdekken wat er met hem is gebeurd sinds zijn allereerste ademhaling. Leeft hij of overleeft hij? Op een later tijdstip meer over dit onderwerp van mijn hand.

Nu eerst de passage van Nijhoff over dit interessante thema, waarbij de schrijver ook het verschil tussen proza en poëzie onder de loep neemt. Een taalgevoelig mens voelt zich bij het lezen van proza in de mensenwereld. Bij een roman is hij in de maatschappij. Maar bij poëzie voelt hij zich niet bij een ander mens. Poëzie houdt rekening met de inademing. “Hij is terstond in het heelal. Elk goed gedicht bevat deze confrontatie van puur heelal en inwendigheid, of liever, een gedicht is slechts goed in zover het aan deze zijn bestemming voldoet; en slechts als zodanig heeft het nut.”

Hieronder de passage uit het verzameld werk II. Kritisch en verhalend proza:
“Vreemd, dat woorden enkel gevormd konden worden met de verbruikte lucht die men uitademt. Wonderbaarlijke economie der natuur, die evenals dat hier en daar in de techniek gebeurde, afval produktief maakt. De mens ademde pure oneindigheid in, deed daar inwendig zijn voordeel mee, en hierin was hij precies als de dieren. Met de uitademing was het anders gesteld. In het een of ander steentijdperk had zich in het menselijk strottenhoofd een klein, maar uiterst verfijnd instrument ingericht, dat men de adamsappel noemt; en terecht, want het is het orgaan bij uitstek van de mens gebleken, en hiermee was hij in staat aan de uitademing een bijzondere betekenis te verlenen. Niet wat tot de mens ingaat, had Jezus gezegd, maar wat uit de mens uitgaat verontreinigt de mens. Alweer een aanwijzing, dat de pure oneindigheid, die men inademde, evenals de natuur en het voedsel dat zij opleverde, volstrekt in orde en goed was, maar dat de mens zich verontreinigen zou, als hij daar geen goed gebruik van maakte. De taal was ontstaan uit het kort ogenblik tussen aandrift en bevrediging, maar deze taal kon macht zijn of verontreiniging. De mens was in staat een dankzegging, een gebed, een nieuwe begeerte, een bevel, een herinnering te formuleren. Zijn rede was geboren, zijn bewustheid; hij moest met de grootste oplettendheid binnenwaarts zijn aandacht richten, want daar lag zijn heil, zijn gevaar en zijn grootste kans. Hij moest de verplichtingen van zijn grote gaven nakomen.

En iets van het diepe onderscheid tussen proza en poëzie viel nu meteen, dacht ik, want iemand denkt altijd met rukken en grote sprongen, vast te stellen. Proza, zoals wetten, geschiedschrijving, aanschouwelijke romankunst, was uit het verlangen van de mens geboren om de wereld buiten hem te verkennen; te bepalen, in hoever hij haar met zijn rede en bewustheid veroverd heeft en kenbaar gemaakt. Hoe ver zijn we nu met de menselijke bovenbouw, met onze structuur op deze planeet, dat was het waarvan proza rekenschap aflegde. Proza was een aanhoudend spreken, dus zozeer een geregeld uitademen, dat het noodzakelijk inademen op de dode plekken, op de interpunctie, moest plaats vinden.
Poëzie gaf antwoord op de vraag: hoe staat het met ons inwendig? Welke steeds dieper roerselen en gewaarwordingen zijn binnen ons tot bewustzijn geraakt? Waaraan dankte poëzie dit vermogen en deze zo speciale kracht? Zij moest dit danken aan een apart uitdrukkingsmiddel. – Aan het ritme dacht ik. Maar ik zag spoedig, dat dit kortzichtig was. Ook het proza, ook het in een gesprek gesproken woord, ook de improvisatie, ook de brief immers heeft ritme. Elk goed proza geeft toe aan dit het wezen der taal uitmakend ritme, dat wil zeggen, elke taaluiting bestaat tenslotte uit een opeenvolging van bundeltjes van 6 of 7, zoveel als de adem er bevatten kan, hoogstens 10 syllaben. Die lettergreepgroepen zijn in proza niet minder regelmatig dan in poëzie. Maar poëzie, en hier had ik een inval die mij nooit zo maar ingevallen zou zijn, maar niet anders dan een resultaat kon zijn van mijn vorige gedachten, een toewaaisel, een aanslibbing, – maar poëzie, viel mij in, houdt rekening met de inademing. Door de regelmaat, door het metrum, de woordrepetitie, de alliteratie, het rijm, door, in rijmloze en vrije verzen, de zogenaamde periode, het geheim van Shakespeares blank verse, reguleert zij deze inademing. Zij doet inademen op de levende plekken. Hierdoor ontstaat telkens een ondeelbaar moment een stilte, juist op die levende plekken, en in dit trillend oponthoud confronteren ziel en oneindigheid. Elk taalgevoelig mens voelt zich, proza lezend of horend, in de mensenwereld; bij een roman is hij in de maatschappij, bij een werk van wetenschap of geschiedenis voelt hij zich in gezelschap van een ander mens met dieper of wijder blik. Maar bij poëzie voelt hij zich niet bij een ander mens. Hij is terstond in het heelal. Elk goed gedicht bevat deze confrontatie van puur heelal en inwendigheid, of liever, een gedicht is slechts goed in zover het aan deze zijn bestemming voldoet; en slechts als zodanig heeft het nut.”

BRON: Verzameld werk II. Kritisch en verhalend proza(1961)–Martinus Nijhoff

Poëzie in crisistijd

Martinus Nijhoff (1894-1953). Foto: Wikipedia

Hoe staat het met de poëzie in crisistijd? Die vraag stelde Martinus Nijhoff zich ooit in een stuk over zijn eigen werk. Het is interessant om die tekst nog eens te lezen, omdat we momenteel ook in een crisistijd leven. “Wat voor belangstelling kon poëzie nog vergen in een tijd, dat de goederen produktie niet meer rendeert”, schreef Nijhoff letterlijk:

“Dat woord ‘crisis’ van de kelner liet me niet met rust. De poëzie in luxe-tijd mocht tekort geschoten zijn, in de mate dat zij meer zelfverheerlijking dan zelfverdieping gebracht had, – en aan iets dergelijks kon men geen enkel groot dichter schuldig verklaren -, maar hoe stond het met de poëzie in crisistijd? Wat voor belangstelling kon poëzie nog vergen in een tijd, dat de goederen produktie niet meer rendeert? De straatlantaarns, een voorbijratelende tram, een op post staand politieagent bewezen zeer duidelijk, dat de wereld doorging, dat de producerende organen voortgingen licht, kracht en energie af te zenden, dat de mensenwereld al een soort blinde methode bereikt had, en dat de onderdelen voortgingen te circuleren als de sterren in een sterrenbeeld. Welke omwenteling de wereldgeschiedenis ook in petto heeft, deze orde van treinen, stoomboten, vliegmachines, fabrieken, disciplinaire tucht, zal zij moeten overnemen. De mens heeft een technische structuur over de wereld aangelegd, en deze structuur werkt even perfect als de jaargetijden, als dag en nacht, als geboorte en dood in de natuur.”

Even verderop vindt hij, “verzen kunnen in crisistijd juist van groot belang zijn. De wereld ligt ondersteboven. De oude orde, dat is wel zeker, dat zegt iedereen min of meer vriendelijk of bedekt, komt nooit terug. Er zal een nieuwe orde komen, een nieuw niveau, waarbij de oude ruimte plaats zal maken voor een door de mensheid geconstrueerde ruimte. De menselijke ziel moet aangepast worden aan hetgeen de menselijke techniek schijnbaar argeloos tot stand heeft gebracht. De kunst kan bij dit aanpassingsproces een grote rol spelen. De poëzie moet voor de toekomst werken, d.w.z. zich de toekomst als reeds bestaand indenken en daar als het ware voor de menselijke ziel kwartier maken.”

Lees hier het hele stuk uit “Verzameld werk II. Kritisch en verhalend proza“: https://www.dbnl.org/tekst/nijh004verz02_01/nijh004verz02_01_0286.php