Jarig

congNegen jaar geleden schreef ik deze column die destijds één dag na mijn verjaardag het daglicht zag. Ieder jaar denk ik er weer aan terug, vooral als de eerste felicitaties van de webshops mijn mailbox binnenstromen.

Als je wint, heb je vrienden. Rijen dik, echte vrienden. Het zijn de woorden uit het lied “Als je wint”, gezongen door de legendarische Herman Brood en Henny Vrienten. Gelijk hebben ze. Zojuist heb ik ontdekt dat je bovendien rijen dik echte vrienden hebt als je jarig bent. Ook al heb je vóór je verjaardag helemaal geen vrienden, ben je een einzelgänger en wil je familie al jaren niets meer met je te maken hebben. Dat maakt allemaal niet uit. De kans is namelijk groot dat je in de maand dat je jarig bent een bericht krijgt van iemand van wie je het helemaal niet verwacht. Van de bouwmarkt!

Je hebt je daar ooit een keer aangemeld voor een kortingspas. Een week voor je verjaardag staan ze al voor je digitale voordeur: “Beste mijnheer, omdat u deze maand jarig bent, krijgt u van ons 5 euro korting op uw volgende aankoop. Kom in de maand van uw verjaardag naar ons filiaal en u ontvangt een kortingscoupon ter waarde van vijf euro.” Als ik dat allemaal aan het verwerken ben, rinkelt de telefoon. “Goedemiddag! Met Neckermann spreekt u. U bent morgen jarig, alvast gefeliciteerd!” Ik heb nu al het gevoel dat mijn portemonnee wordt gerold. “Een kortingsbon?”, vraag ik. De dame aan de andere kant van de lijn luistert niet. Waarom ook? Ik praat door haar tekst heen en daardoor raakt ze in de war. Ze begint een verhaal over 300 nexpunten die ik cadeau krijg als ik iets koop. Een exclusieve aanbieding die zij alleen mag doen omdat ik jarig ben. Nou, wat ben ik toch een bevoorrecht mens.  Of ze volgende week terug mag bellen. “Natuurlijk wel geheel vrijblijvend”, zegt ze er achteraan. Ik wilde daar nog op reageren, maar ik was sprakeloos. “Dan bel ik u woensdagavond terug, oké?” Ik geef me gewonnen. Laat haar maar terugbellen op woensdagavond. Dan ben ik inmiddels een jaartje ouder en wellicht een jaartje wijzer. Wellicht weet ik dan hoe ik het beste met deze nieuwe verjaardagsvrienden moet omgaan.  Zo niet, dan ben ik nog niet jarig.

(Deze tekst verscheen 7 februari 2010 in dagblad De Pers)

Advertenties

Laatste lezerscolumn

Pers_logoOp 30 maart 2012 verscheen het laatste exemplaar van het gratis dagblad De Pers. De krant dreigde een krant te worden die ertoe doet. Kranten die ertoe doen zijn echter geen lang leven beschoren, het bewijs leverde de krant zelf. Na het laatste exemplaar kwam er noch een herstart, noch een beter of soortgelijk blad. Vandaag struikelde vandaag ik toevallig over mijn laatste lezerscolumn, die op 26 maart 2012 onder de titel ‘Lezerscolumn’ verscheen. Hieronder de tekst.

Op maandag 3 november 2009 verscheen voor de eerste keer mijn lezerscolumn in De Pers. Dat gaf meer dan alleen voldoening. Ik verkeerde in een mega feeststemming, want opeens lazen misschien wel duizenden mensen mijn stukje. Op 19 november 2009 verscheen er wederom een. Eerlijk gezegd werd me dat allemaal iets te veel. Na publicatie van deze tweede lezerscolumn vroeg mijn buurvrouw waarom ik opeens naast mijn schoenen liep. Ze vond het maar een raar gezicht.

Normaal liep ik altijd met mijn voeten in mijn schoenen, zoals de meeste andere mensen doen. Ik vertelde haar dat er een stukje van mij in De Pers was verschenen. Wat dat is, De Pers, wilde ze weten. Opeens pasten mijn schoenen weer.

Een aantal maanden later liep ik er weer naast, mede door toedoen van Nico Dijkshoorn en Kustaw Bessems, die behalve in De Pers ook geregeld op tv verschenen. Het werden BN’ers. Het werd mij opnieuw te veel op het moment dat mijn lezerscolumn verscheen in de krant van deze bekende Nederlanders. De buurvrouw vroeg weer waarom ik naast mijn schoenen liep. Ik vroeg haar of ze Nico Dijkshoorn kende, en Kustaw Bessems. Moet ik die kennen, antwoordde ze. Ze was duidelijk niet op de hoogte van de jongste ontwikkelingen in medialand. Ik wilde de foto’s van beide heren nog uitprinten maar dat ging me toch echt iets te ver. De lezerscolumn volgde ik die dagen op de voet. Alle lezerscolumnisten schreven leuke en originele stukken. Op alle vlakken steeg de kwaliteit van De Pers. De krant was duidelijk op weg een bijzondere positie als gratis kwaliteitskrant in te nemen. Mede daarom is het buitengewoon triest om te lezen dat De Pers letterlijk en figuurlijk stopt. Nu, nu het er helemaal niet meer toe doet, spreekt de buurvrouw mij aan. Ze heeft een papiertje in haar hand. ‘Ik heb uh… Wacht even, ik heb het opgeschreven, uh… Ben Rogmans op televisie gezien. Hij was bij Clairy Polak. Het ging over De Pers. Ik dacht nog, is dat niet de krant waar jij het altijd over hebt? Goed joh!’

Dokters zijn ook dichters

titelDe arts vertelde me zijn verhaal over de patiënt van gisteren.
‘Natuurlijk heb ik als arts een geheimhoudingsplicht, dus ik zal de naam niet noemen.’
Ik knikte maar was wel benieuwd wie de man was, die gisteren met dezelfde klachten als ik hier voor de deur stond.
‘Die man had precies hetzelfde als u. Bij hem gebeurde het ’s avonds na het eten, om een uur of negen. Hij had boerenkool gegeten, een kop koffie gedronken, een jazzplaat opgezet en toen was het zover.’
Ik was een en al oor.  Bij mij gebeurde het ’s ochtends, na een onovertroffen ontbijt en een zalige stoelgang. Ik schonk mezelf nog een kop koffie in en dan was het zo ver. Het overviel me totaal, net als bij de man waar de arts over sprak.
‘Het gedicht hing in de lucht, dus pakte de man snel pen en papier om alles op te schrijven’, vertelde de geneesheer. ‘Hij rook de poëzie, zag het in de kleuren, hoorde het in de muziek, zijn hele kamer was één gedicht. En dat kreeg hij niet op papier. Hij kreeg geen woord te pakken. Wat zeg ik, geen enkele letter. Het was tragisch. De man barstte hier in tranen uit.’
Ik keek verbaasd. Dat was wel een heftig geval. In tranen uitbarsten, dat ging erg ver. Ik kreeg net als de man ook wel eens een dosis rauwe poëzie over me heen, die zich niet op papier liet zetten, maar gehuild heb ik niet.
‘Wat deed u toen?’, vroeg ik nieuwsgierig.
De arts lachte.
‘Nee, medicijnen zijn er niet. Ik heb de man iets aangeraden, wat ik u ook zal aanraden.’
Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Een tip tegen vastzittende poëzie of tegen obstipatie der dichterlijke gedachten, daar had ik wel oor naar. Opeens huilde de arts.
‘Hé, dok, wat is er? U wilde iets zeggen.’
Met een betraand gezicht keek hij me aan.
‘Ik was de man van gisteren, die voor mijn eigen deur stond.’
Ik was opeens klaar wakker, voelde me super fit en maakte dat ik hier weg kwam. Ik was voorgoed genezen.

(Deze tekst verscheen eerder in dagblad De Pers)