Het zou verboden moeten worden

Er bestaat een reclame voor drop waarin de uitdrukking ‘het zou verboden moeten worden’ opduikt. Ondanks dat het een behoorlijk irritante en infantiele reclameboodschap is, beklijft hij toch. Googelt u even mee. Jawel, als eerste resultaat verschijnt de tekst over drop, gevolgd door ‘klussen, het zou verboden moeten worden’, ‘gamen, het zou verboden moeten worden’ en nog ongeveer twee miljoen andere resultaten.

Vanochtend jogde ik voor het eerst rond de Schlachtensee, een prachtig Berlijns meer dat bij mij om de hoek blijkt te liggen. Op het pad langs het water was het rustig. Ik had veel meer joggers verwacht. Bovendien zag ik weinig huppelaars; mensen in een hippe sportoutfit, die tussen de joggers door huppelen. Ze kijken nieuwsgierig om zich heen om de laatste trends in zich op te nemen en vooral ook om te zien of ze zelf wel gezien worden. Je ziet ze vooral in het Amsterdamse Vondelpark, in Hamburg aan de Alster, in New York in Central Park en in tig andere parken.

Hier langs de Schlachtensee zag ik slechts één verdwaalde huppelaarster. Zou dit verboden moeten worden? Nee, waarom? Omdat ik dit stukje met die uitdrukking begon? Dat lijkt me geen goede reden. Ik begon dit stukje om een heel andere reden. Mijn eerste joggingsensatie eindigde namelijk catastrofaal. Na 20 minuten schakelde ik terug naar een wandeltempo en genoot van de rust. ‘Is dit Berlijn, waar is iedereen?’, dacht ik en strekte uitgebreid mijn armen.

‘Héééé, man, hé!!’

Ik schrok me rot. Waar kwam die figuur opeens vandaan? En dan loopt ie ook nog met z’n kop frontaal tegen de rug van mijn hand. Hij riep nog wat in de geest van ‘kun je niet uitkijken, man.’ Ik was perplex. Kwam de man uit een boom of uit een onderaardse gang? Ik keek hem na en zag dat hij vreemde schoenen droeg. Een soort bordeelsluipers, wat verklaarde waarom je zo iemand niet hoort. Ja, dat was het moment waarop ik dacht ‘bordeelsluipers tijdens het joggen, het zou verboden moeten worden.’

(Deze tekst Verscheen eerder in dagblad De Pers)

Advertenties

Welkom in Berlijn

bpEen verhuizing gaat vaak gepaard met stress. Voor mij was het belangrijkste dat alle waardevolle documenten op mijn laptop de verhuizing zouden overleven. Daarom kopieerde ik alles naar een usb-stick, die ik in mijn tasje met belangrijke spullen bewaarde. Een dag nadat ik mijn complete huishouding naar Duitsland had gebracht, reed ik de verhuisbus naar de benzinepomp in mijn nieuwe buurt Berlin-Zehlendorf. De bus moest immers nog terug naar Nederland.

Ik vulde de tank en liep, al zoekend naar mijn portemonnee, richting het loket. Zou ik kunnen pinnen of niet, dacht ik. Al peinzend over de betaalmogelijkheden betrad ik het winkeltje en toen gebeurde het. Opeens vloog de usb-stick uit het tasje en belandde onder de kast met Marsen en Bounty’s. Schrik. Hup, ik zat al op mijn knieën en probeerde mijn stick te pakken.

‘Was machen Sie!?’ klonk een strenge Duitse stem.

‘Meine USB. Wichtig! Alle Texte, mein ganzes Leben!’

De verbaasde Duitse vrouw achter de kassa keek naar haar eveneens verbaasde collega, die al op mij af gesneld kwam.

‘Pen, haben Sie een pen?’ Het Duitse woord Kugelschreiber schoot me zo snel niet te binnen.

De fors gebouwde collega van de caissière gebood mij op te staan en mijn benzine te betalen. Ik moest die stick hebben, hoe dan ook. Dus duwde ik tegen het schap met zoetwaren, ik schudde er aan, waardoor de eerste repen al door de ruimte vlogen.

‘He, aufhören!’ Ik voelde de stevige hand van de forse Duitser om mijn arm. De caissière greep de telefoon. Ik hoorde het woord Polizei vallen. Nadat ik in het politiebureau van de handboeien werd bevrijd, zag ik eindelijk mijn kans schoon om uit te leggen wat er aan de hand was.

‘Es geht um die Stick’, zei ik.

De agent keek mij wat lacherig aan. ‘Stick’, zei hij en hield mijn usb-stick omhoog.

‘Jaaaa’, riep ik opgewonden.

De man legde de stick voor me neer.

‘Wilkommen in Berlin’, zei hij en schudde me de hand.

(Deze tekst verscheen eerder, in 2011, in dagblad De Pers)

Naar de kapper

shutterstock_46481776Het uitzicht dat een piloot heeft als hij een landingsbaan nadert. Dat moet u zich voorstellen bij mijn huidige haardos.  De ene keer zijn de zijstroken kort gemaaid, de andere keer lijken het eerder wilde struiken. Vandaag begonnen mijn bovenbermen al aardig op wilde struiken te lijken. Op zo’n moment doemt in de ruimte onder de bermen de vraag op: gaan we naar de kapper of niet? Waarom deze vraag in het meervoud wordt gesteld, is mij tot op de dag van vandaag een raadsel.  Ik ga immers altijd alleen naar de kapper. Een duidelijk antwoord op de vraag had ik niet. Natuurlijk, de banen kunnen wel weer eens gekortwiekt worden. Aan de andere kant waren ze nog niet zo wild gegroeid dat er zo nodig een schaar doorheen moest. De vraag speelde al enkele dagen door mijn hoofd. Ik besloot om het antwoord aan het toeval over te laten. Ik wilde vandaag sowieso Berlijn, mijn nieuwe stad, verkennen. Kwam er een kapper op mijn weg, dan zou ik naar binnen gaan, mits er geen andere klanten wachten. Een andere voorwaarde; geen moderne trendy kapper waarbij je je eerder in een ruimteschip waant dan in een kapsalon. Bermen maaien is iets dat snel en onopvallend moet gebeuren. Dus liep ik onder de heerlijke herfstzon langs bakkers, dierenspeciaalzaken, snackbars,  witgoedwinkels, kledingboetiekjes en schoenenzaken. Een kappersbezoek was niet in zicht. Aan de overkant van de straat zag ik een kapsalon. Het knipperende neon reclamebord verraadde echter dat het hier om een spaceship-achtige gelegenheid ging.  Op weg naar huis gebeurde het. Ik lette niet op en stootte pardoes tegen een bak met aanbiedingen, die de winkelier midden op de stoep had gezet. De vriendelijke verkoper kwam naar buiten gesneld en hielp me met het opruimen van de vele petten. ‘Zou u goed passen’,  zei hij en zette een donkerblauwe pet op mijn hoofd. “Rood staat u ook goed’’. Tien minuten later zat ik met een blauwe  pet op m’n hoofd en tien bontgekleurde andere petten in m’n tas in de tram naar huis. Mijn bezoek aan de kapper heb ik voor onbepaalde tijd uitgesteld.

(Deze tekst verscheen eerder in dagblad De Pers)