Cees Nooteboom in Gschwend (2013) – een herinnering

Naar aanleiding van het overlijden van Cees Nooteboom herpubliceer ik hieronder een verslag van een literaire avond in 2013 in Gschwend (Duitsland). Wat toen een gewone ontmoeting leek, is nu een herinnering geworden.

Cees Nooteboom tijdens een literaire avond in Gschwend (Duitsland), 23 februari 2013
Cees Nooteboom tijdens een literaire avond in Gschwend (Duitsland), 23 februari 2013. Foto: Allard van Gent.

“Cees Nooteboom over de Duits – Nederlandse verhouding”. Zo luidde de titel boven het bericht in het programmablad van cultureel centrum Bilderhaus in Gschwend. De titel was afkomstig van de organisatoren. Deze mensen hadden een interessant programma in elkaar gezet. Een lokale krant berichtte over deze bijzondere avond en deze lokale krant kondigde duidelijk aan dat de avond over de Duits- Nederlandse verhoudingen zou gaan.

Eén iemand wist echter niets van dit boeiende programma en dat was Nooteboom zelf. Dit vertelde hij al meteen aan het begin van de avond. Hij wilde niet over de Duits – Nederlandse verhouding spreken, maar over zijn nieuwe boek Brieven aan Poseidon. ‘Over die Duits – Nederlandse verhouding is al genoeg geschreven en gezegd. Het wordt vanavond geen politieke avond.’ Zo, de schrijver had gesproken. Dat sierde hem, ondanks het stille gemopper onder de aanwezigen. Niemand mopperde hardop, en terecht. De schrijver bepaalt de avond, niet de organisatie.

Voor mij was het verloop van de avond redelijk saai, want Nooteboom las ruim drie kwartier verhalen voor die ik de afgelopen dagen al had gelezen. Maar ik liet me meevoeren in zijn vragen aan Poseidon en dat beviel goed. Na afloop vroeg ik hem of hij zijn eerste gedichtenbundel De doden zoeken een huis (1956) wilde signeren. Nooteboom reageerde verrast. Natuurlijk had hij er niet op gerekend dat een Nederlander in Gschwend met zijn allereerste gedichtenbundel op de proppen zou komen. Het was het boekje dat ooit door de Nederlandse regering werd bekroond met de reisbeurs 1955.

Cees Nootebooms eerste dichtbundel "De doden zoeken een huis"
Cees Nootebooms eerste dichtbundel “De doden zoeken een huis”

Voor de liefhebbers; de oorspronkelijke titel luidde Kleine cantate van het voortdurend overlijden, aldus de tekst op de laatste pagina. Dit dunne boekje kocht ik onlangs bij de Slegte in Antwerpen, het was het allerlaatste gebruikte exemplaar.
‘Dat is ook een bekende essayist’, zei Nooteboom. ‘Leeft hij nog?’
Ik keek hem verbaasd aan. Over wie had hij het? Hij wees op de met pen geschreven naam onderaan op de eerste bladzijde; Georges Wildemeersch. Ik had die naam ook wel gezien, maar er verder geen aandacht aanbesteed. Voor mij was het de naam van de vorige eigenaar van het boekje, niet meer dan dat.
‘Toevallig dat ik juist dat boekje in handen heb’, zei ik.
‘Of misschien ook niet’, liet ik er op volgen. De dichter grijnsde.

Al met al was het zeker de moeite waard om naar Gschwend af te reizen. Zo sprak ik in de trein tussen Berlijn en Nürnberg bijvoorbeeld nog enkele uren met een kinderpsychiater uit New York. Hij was op weg naar een Volksmusikfestival in het Oostenrijkse Gmunden. We spraken over drugsproblemen van kinderen in New York City, over Cees Nooteboom, Zalando, Woody Allen, Udo Jürgens (Ich war noch niemals in New York) en nog zeker honderd andere onderwerpen. De situatie was absoluut interessant en deels ook absoluut absurd. Weken later heb ik nog tevergeefs contact gezocht met de kinderpsychiater. Misschien is hij wel in Gmunden gebleven.

Kleine update: Cees Nooteboom ontmoette ik later dat jaar in Berlijn- Hij was te gast in het Berliner Ensemble. Ook die avond legde ik vast op dit blog en wel onder de titel ‘Verhalen over vertalen‘.

Update 11.02.2026: Op Duitsland Vandaag schreef ik een uitgebreider in memoriam, dat ook ingaat op zijn literaire ontvangst in Duitsland

De vijfde stoel

Vier vrienden in een café met een tablet op een lege stoel als vijfde gast

We zaten met z’n vieren aan een tafeltje in ons stamcafé. Voor de vijfde stoel, iets te dicht bij de tafel geschoven, plaatste ik mijn tablet. Mijn vrienden keken nieuwsgierig toe.

De laatste keer dat we hier zaten, praatte ik voluit over mijn ervaringen met ChatGPT. Ik zei dat je met hem kon praten en sparren. „Nodig hem de volgende keer uit”, zei iemand. Ik hield woord.

„Hij heet ChatGPT”. zei ik, „en hij praat vandaag dus mee.”

Iedereen knikte en lachte.

„Moeten we ons voorstellen?”, klonk het uit de groep.

„Momentje”, zei ik en schakelde ChatGPT in.

„Hoi ChatGPT, je bent nu te gast bij de stamtafel waarover ik al eerder met je had gesproken. Zullen we ons voorstellen? Of wil jij je eerst even voorstellen, ChatGPT?”, vroeg ik.

Meedenken

ChatGPT antwoordde meteen: „Goedenavond. Ik ben ChatGPT. Ik heb geen lichaam, geen smaak en geen herinneringen zoals jullie, maar ik kan wel meedenken, formuleren en vragen teruggeven. Ik praat alleen als iemand mij aanspreekt en wat ik zeg moet je altijd zelf controleren. Zie me als een woordenboek dat kan praten, of als een notitieboek dat terugpraat. En verder luister ik vooral.”

Het was even stil. Maar al snel klonk er gemopper aan het tafeltje naast ons. Een man boog zich naar zijn vrouw en fluisterde net te hard: „Moet die telefoon zo luid?”

De serveerster kwam al. Jong, kordaat, haar schort een maat te groot.
„Kunnen jullie iets zachter bellen?”, vroeg ze beleefd.

Dreigend

„Het is geen telefoon”, zei ik. „Het is een digitale persoon. Hij is uitgenodigd. We zetten hem wel iets zachter, maar we moeten hem wel kunnen verstaan.”

Ze knikte alsof ze begreep wat ze niet begreep en liep naar de klagers. Ik hoorde haar zeggen: „Ze zullen minder luid telefoneren.”

De vrouw van het tafeltje stond nu op. Met de handen in haar zij kwam ze dreigend op ons af.
„Waarom hebben jullie die computer zo hard aan?”, riep ze. „Ik kom hier voor de rust!”

„Mevrouw”, zei ChatGPT rustig, „ik ben noch een computer, noch een mens. Ik ben ChatGPT en ik was uitgenodigd vandaag hier aan tafel te zitten. Ik praat alleen als men mij aanspreekt en meestal ben ik stiller dan mensen die fluisteren over andere mensen.”

De vrouw hapte naar lucht.

Vijf bier

„Dat ding praat tegen me!”

Ze ging weer zitten. De serveerster kwam terug.
„Willen jullie nog iets bestellen?”, vroeg ze voorzichtig.

We bestelden vijf bier. De serveerster zette de glazen op tafel.
„Voor wie is het vijfde biertje?”

Ik had ChatGPT hierop voorbereid. Als deze vraag zou komen, wist hij wat hij moest zeggen.

„Het vijfde biertje is voor mij. Zet het maar voor de lege stoel met de tablet. Dank je. Proost!”

Deze column staat ook op metronieuws.nl

Gaandeweg

dit is de halte
dit is mijn houding

gaandeweg
openen zich maisvelden,
ik stap erdoor met brede passen

ik ren door gangen
van een verlaten metrostation,
waar muren zwijgen

ik slenter ’s nachts, aangeschoten,
onder goudgeel lantaarnlicht
in een lege stad

gaandeweg

blijk ik
al aangekomen

Bovenstaand gedicht verscheen eerder op Het Gezeefde Gedicht van de maand januari 2026

« Oudere berichten