Op het verkeerde been gezet

Op het verkeerde been gezet. Dat is de titel van het boek met meer dan 1.200 spreekwoorden, gezegden en uitdrukkingen met een lichaamsdeel erin. Het verscheen vandaag op de Nederlandse boekenmarkt. Aangezien uitgeverijen geen brood in spreekwoordenboeken zien, heb ik deze uitgave zelf via Brave New Books uitgegeven. Hieronder de tekst die ik als korte samenvatting bij het boek

“Het hart op de tong hebben, die uitdrukking kent iedereen. Maar wat wordt er bedoeld met een man met een witte lever? Maak kennis met bijna 1.300 bekende en minder bekende uitdrukkingen met lichaamsdelen. Dit boek bevat daarnaast twee interessante extraatjes. In een reportage onderzoekt de auteur in het centrum van Hoorn welke spreekwoorden de voetgangers spontaan te binnen schieten. In dezelfde bijdrage komen ook de Bijbel, Pieter Bruegel de Oude en Remco Campert aan bod. Laatstgenoemde benadert in zijn verhaal “Uitlje knappen” spreekwoorden met de nodige humor. Tot slot gaat gaat het in een interview met de taalkundige dr. R. Reinsma over het ontstaan van spreekwoorden en de toekomst ervan.  “Een spreekwoord ontstaat denk ik net als een nieuw woord. Het gaat om een treffende manier van uitdrukken. En dat kan iedereen op een gegeven moment presteren. Iedereen kan in het vuur van zijn betoog iets mooi uitdrukken. Niet op een literaire manier, maar op een mooie manier, zodat het beklijft. En er is dan een kans dat dat verder gedragen wordt door toehoorders,” aldus Reinsma.”

Het boek is te koop via onderstaande website van de uitgeverij:
Koop ‘Op het verkeerde been gezet’

 

Bijna ontspoord

Een verhaaltje over een reis ver voor het coronatijdperk 

Foto: Diego Delso, delso.photo, License CC-BY-SA

De stationsklok leert mij dat ik een uur te vroeg op het station ben en ik ontspannen van het blikje bier kan genieten dat ik onderweg hier naartoe heb gekocht. Hoewel mijn lichaam zich in Spanje bevindt, om precies te zijn op een bankje in de stationshal van station Valencia, zit ik met mijn gedachten in Los Angeles. De Amerikaanse Westkust, Hollywood, de rijke buurten, de arme buurten, de grote boulevards en de grote auto’s.

Bij mijn vriendin Lucia lagen een paar dagen terug twee vliegtickets Amsterdam-Los Angeles in de brievenbus van haar woning in de Amsterdamse Van Woustraat. Een oude vriendin van haar werkt bij een luchtvaartmaatschappij, woont in Los Angeles en kon goedkoop aan twee tickets komen. Zoiets vertelde ze mij door de telefoon. Daarom breek ik mijn vakantie in Spanje af en zit ik nu op het station. Als mijn reis zo loopt zoals gepland, dan rij ik over achtentwintig uur station Amsterdam Centraal binnen.

In deze stationshal is het net zo vertoeven als in de meeste stationshallen van grote Europese steden. Wachtende mensen, een grote stationsklok, personeel van de spoorwegen dat heen en weer loopt, slapende mensen, rennende mensen, verdwaalde bagagekarretjes en omroepberichten.
Het spoor bij perron 1 ligt er nog verlaten bij. Volgens het boekje voor de Nederlandse toerist in Spanje reis ik het eerste stuk met een zogenaamde Talgo trein, een luxe trein met een café-restaurant en video. Gisteren, tijdens het kopen van mijn ticket, kwam ik er achter dat voor zo’n trein toeslag betaald moet worden. Het kostte me veel moeite en ergernis om een ticket naar Amsterdam te bemachtigen. Die verdomde lokettist! Waarom kan zo’n man die op een groot station werkt geen woord Engels spreken of verstaan? Om aan te geven dat ik in de trein naar Parijs wilde slapen, legde ik mijn hoofd op mijn handen. Met mijn wijs- en middelvinger maakte ik duidelijk dat ik in een rokerscoupé wilde zitten. De man wilde het allemaal niet begrijpen. Het scheelde niet veel of ik had alleen mijn middelvinger gebruikt om aan te geven wat ik van zijn trage en onbeholpen manier van werken vond. Om zeker te zijn van een kaartje liet ik dat gebaar achterwege.

Het is één uur in de middag. De Talgo trein staat nu gereed op spoor 1. Ik reis alleen. Twee vrienden van mij blijven nog een week in Valencia. We zouden volgende week met z’n drieën teruggaan, maar ja, zo’n aanbod om naar Amerika te gaan krijg je niet iedere dag.
Ik volg de aanwijzingen die in mijn ticket staan op en loop door het gangpad van wagon nummer 125. Mijn buurman is er al. Een Spanjaard van een jaar of tachtig. In deze wagon moet ik de komende zes uur door zien te komen. Mijn derde blikje bier is op en ik maak een 0,2 literflesje wijn open. Uit de speakers boven mij klinkt een vrouwenstem. Ze heet de passagiers in het Spaans en in het Frans welkom. Aan het plafond hangen enkele t.v.-toe-stellen waarop reclamefilms worden vertoond. Om precies kwart over één vertrekken we. Op de videoschermen gaat een film van start. Ik neem het plastic hoofdtelefoontje uit de rugleuning van de stoel voor mij, plug in en luister. Ik had het kunnen weten, de Spaanse versie van De Drie Musketiers. Het zit me niet mee. Hoe verzinnen ze het om zo’n film te draaien? Ik leg het hoofdtelefoontje weer terug en besluit het café-restaurant te bezoeken.

Een lange bar met daar omheen ronde tafeltjes en etende mensen. Het ruikt in deze wagon naar vis en drank. Ondanks de open raampjes is het hier nog behoorlijk warm. Ik ga aan de bar zitten en bestel een biertje. Om nog wat van Spanje te genieten loop ik naar het raam en zie ik de hoge Spaanse bergen aan me voorbij trekken. De trein schommelt zo nu en dan waardoor ik me niet helemaal op m’n gemak voel. De trein rijdt steil bergopwaarts. Ik zie beneden een enorme diepte. Aan de overkant van deze berg staat een lange spoorbrug op houten palen. In het ravijn onder de brug ligt allerlei rotzooi. Het glinstert en ik stel me zo voor dat het een neergestorte trein moet zijn. Mijn lichaam rilt bij deze gedachte. Een kleine Spanjaard naast me vraagt me iets.
“You speak Englisch?”, vraag ik hem.
“Yes, Sir. I speak a little bit Englisch.”
“Where are you from?”, vraag ik hem.
“Barcelona”, antwoordt hij.
Hij vraagt waar ik vandaan kom. Ik vertel hem dat ik uit Amsterdam kom en op weg ben naar Los Angeles. Hij is niet zo geïnteresseerd in de grote Amerikaanse stad.
“Amsterdam. Johan Cruijff, Ajax.”
“Si”, zeg ik en kap het gesprek af. Altijd Amsterdam en voetbal. Nooit eens iets anders.
Plotseling klinkt er een schrapend geluid aan de onderkant van de trein. De coupé schokt, de hele trein schokt. Ik voel hoe ik opzij word geslingerd. Mensen gillen, glazen en borden vallen op de grond. Paniek. Zelfs de Spaanse passagiers gillen en die moeten toch wel het een en ander gewend zijn. Mijn hart klopt in mijn keel. Ik lig op de grond, hou mijn ogen dicht. Alles duizelt. Even later voel ik dat de trein nog rijdt. Er moet iets op de rails gelegen hebben, een grote steen of zo.
“Are you allright?”, vraagt de dame die door de schok mijn glas bier uit m’n handen sloeg.
Ik kijk op. De ravage valt mee. Een paar gebroken borden en wat glazen, waaronder het mijne.
“Yes, thank you.”
“Let me buy you a new beer”, zegt ze en ze loopt naar de bar. Haar accent komt me bekend voor. Een typisch Nederlands accent.
“Dank je”, zeg ik en pak het glas aan.
“Ah, Nederlands, hè?”
“Mmm, ja. Maar jij ook zo te horen”, zeg ik.
“Ik kom uit Amsterdam. En jij?”
“Ook Amsterdam”, zeg ik. “Wie komt er nou niet uit Amsterdam?”
We stellen ons aan elkaar voor. Ze heet Chris.
“Afgeleid van de Engelse naam Christy”, legt ze uit.
Tot aan het grensstation blijven we bij elkaar. Zij vertelt over haar vakantie bij een Spaanse vriendin, ik vertel over mijn nachtelijke avonturen in Valencia.
Om half acht ’s avonds rijdt de trein het station van de grensplaats Cerberes binnen. Chris en ik volgen de grote stoet mensen. Cerberes heeft een oud station. Het is er donker, de lucht ruikt naar urine en aangebrand voedsel. Bij de deur van het perron naar de stationshal hangt een bordje waarop staat dat het Schengen-akkoord hier van kracht is. We passeren een oude douanepost, niemand wordt naar zijn of haar paspoort gevraagd. In de kleine hal van dit stationnetje staan groepen mensen met koffers en kinderen die zo meteen verder gaan met de nachttrein naar Parijs of naar Italië. Bij het wisselloket wissel ik wat Spaans geld om in Frans geld en daarna gaan we op zoek naar de nachttrein.
“Ik zie nergens een restauratiewagen” zegt ze.
Op mijn beste Frans vraag ik een van de conducteurs naar “Le restaurant” en “Le bar.” De man legt mij uit dat de trein geen restaurant heeft en dat ik ben aangewezen op het stationsrestaurant van Cerberes.
“Daar had ik niet op gerekend”, zeg ik tegen Chris.
“Ik ook niet”, zegt ze en ze kijkt me vragend aan. Haar donkerbruine ogen vallen me nu pas op. Ik heb het gevoel haar al langer te kennen dan de afgelopen uren. Ze heeft ongeveer mijn leeftijd en ik voel me tot haar aangetrokken. Misschien heeft de drank in de vorige trein die aantrekkingskracht wel vergroot. Een poging haar te omhelzen weet ik te onderdrukken.

Het is kwart voor acht en even later zitten we in een bijna leeg stationsrestaurant. Somber ingericht, ongedekte houten tafels en vieze gordijnen voor de ramen. Een menukaart is er niet. De serveerster legt uit dat je kunt kiezen tussen kip of schnitzel. Ik bestel kip, Chris schnitzel.
“Rapide, s’il vous plait” zeg ik erbij, want we hebben maar een half uurtje. Het restaurant blijkt ingesteld op reizigers die haast hebben, want na vijf minuten zitten we beiden met een maaltijd voor ons neus. We drinken een glas wijn en ik voel me prettig aangeschoten. Ook Chris zegt dat de drank haar buitengewoon goed doet. Rond half negen lopen we in een snelle pas naar de trein. couchettes met zes bedden, drie links en drie rechts.
“Mijn plaats of jouw plaats?”, vraagt ze.
We bekijken onze reserveringsplaatsen.
“Hetzelfde rijtuig, dat scheelt”, zeg ik.
Ze wil hetzelfde als ik, namelijk samen de nacht doorbrengen. Morgen wordt ze door haar vriend Hans afgehaald, dat vertelde ze tijdens het eten. Ik vertelde dat Lucia mij op zou halen. Wat dat betreft staan we gelijk. Met de tassen naast ons in staan we in het gangpad van de nachttrein naar Parijs. In mijn couchette zit een oudere man, een jaar of vijftig, op zijn bed. Chris’ couchette telt al drie passagiers.
“Bon soir”, zeg ik tegen de man. Hij knikt en ziet dat Chris achter me staat.
“Bon soir”, zegt ook Chris.
We leggen onze tassen op het bagagerek. Ik klim als eerste omhoog, Chris volgt. We zitten tegenover elkaar en ik haal een fles cognac uit m’n tas. Het smalle bed leent zich niet echt voor twee mensen die naast elkaar willen liggen. Maar het lukt, want als enkele uren later de ochtendzon naar binnen schijnt, word ik wakker en voel ik dat Chris tegen me aanligt. Ik herinner me dat we elkaar de afgelopen nacht beter hebben leren kennen. We hebben gevreeën, gepraat en gevreeën
“Chris”, zeg ik zachtjes. Ik voel een vieze smaak in m’n mond en mijn hoofd voelt zwaar aan.
Ze knippert met haar ogen. Verward en vermoeid kijkt ze op.
“Oh, jezus”, zegt ze. “Waar ben ik, hoe laat is het?”
Ik streel haar gezicht, zij het mijne.
“Je ziet er mooi uit als je net wakker bent”, zegt ze.
Wat een lieve, zoete woordjes op de vroege ochtend.
“Jij bent zo mooi als je al was”, mompel ik. We kussen elkaar.

“Ik ga pissen en m’n tanden poetsen”, zeg ik even later en in m’n onderbroek strompel ik van het kleine trapje naar beneden. Alle andere bedden zijn bezet. Nergens een plek om even te zitten en dus loop ik linea recta het gangpad op, op weg naar een toilet. Tandpasta vergeten, tandenborstel vergeten, handdoek vergeten. Ik gorgel wat water, laat mijn ochtendurine achter en loop terug naar de couchette. Het licht brandt en mensen zijn wakker.
“Chris, kan je me dat blauwwit gestreepte tasje aangeven?”
Geen reactie. Ik klauter naar boven. Chris is weer in slaap gevallen. Met wat toiletspullen loop ik terug naar het toilet. Na dit tweede toiletbezoek kan ik mijn couchette niet in. Een mij onbekende man staat tussen de bedden in. Hij knoopt zijn overhemd dicht en hijst zijn broek op. Ik zie dat Chris wakker is, ze zit rechtop in bed.
“Lukt het?”, roep ik door de deuropening.
“Het is hier een klerezooi”, antwoordt ze. “Ik kan m’n schoenen niet vinden, m’n T-shirt is weg. Alles is weg.”
Even later, als de trein stilstaat en de andere passagiers de trein hebben verlaten, vinden we al onze spullen terug.

Paris St. Germain. Het is druk op het perron. We lopen met een katerig gevoel richting de metro. “Petit Dejeuner” staat er op een groot uithangbord. We besluiten ergens in de stad te ontbijten. De trein naar Amsterdam vertrekt pas over drie uur vanaf Gare du Nord.
Voor het loket waar ze metrokaartjes verkopen staat een lange rij mensen. We sluiten aan, kopen een kaartje en met enige moeite lukt het om langs die vervelende tourniquets te komen.
Na eerst drie keer op het verkeerde perron gestaan te hebben, stappen we in de metro naar Gare du Nord. Het is maandagochtend, half negen. Veel mensen zijn op weg naar hun werk. Op Gare du Nord zoeken we de bagagekluizen, stoppen onze tassen in een kluis en lopen het station uit. Het regent. Een klein café met een bordje “Breakfast” voor het raam. We stappen naar binnen, bestellen een ontbijt en een kop koffie. Ik voel me al stukken beter als ik drie gebakken eieren op toast, een kop koffie en een kan met water krijg voorgeschoteld. Ook Chris zegt dat ze zich stukken beter voelt.
We drinken nog een kop koffie. De zon schijnt door de vuile caféramen naar binnen.
“Het wordt weer een mooie dag”, zeg ik.
“Een mooie dag na een mooie nacht”, lacht Chris en ze geeft me een kus.
“Ja”, zeg ik. “Het is prettiger met z’n tweeën te reizen dan alleen.”

Na een derde kop koffie verlaten we het café en wandelen door de stad. Mijn hoofd voelt niet zo zwaar meer aan. Er waait een verfrissend windje. Het heeft wel iets romantisch om zo ongedwongen op maandagochtend door een nat en in het zonlicht gevangen Parijs te lopen.
De treinreis naar Amsterdam is een ontnuchterende reis. Chris vertelt wat meer over haar vriend, met wie ze samen een café runt in de Amsterdamse binnenstad. Ik vertel haar over mijn relatie met Lucia. Dat we al vier jaar bij elkaar zijn en dat het nooit verveelt.
De trein stopt bij station Roosendaal.
“De vakantie zit er weer op”, zegt Chris.
“Over een paar dagen zit ik in Los Angeles”, zeg ik.
Ze lacht en steekt haar hoofd uit het raam.
“Twee biertjes, alsjeblieft”, roept ze tegen de jongen met een kar vol drank en etenswaren.
Twee uur later rijden we station Amsterdam Centraal binnen.
“Misschien kom ik je nog wel eens tegen in het café”, zegt ze en staat op.
“Misschien”, zeg ik en we kussen elkaar voor de laatste keer. Dan lopen we naar de deur. Chris stapt voor me uit. Ze kijkt om zich heen.
“Hans”, roept ze en ze loopt op een stevige jongeman af. Ze omhelzen elkaar.
Ik stap uit en sta op het perron. Het is druk. Waar is Lucia? Dan voel ik hoe iemand me van achteren op m’n schouders springt. Lucia en ik omhelzen elkaar.
“Hoe was de reis?”, vraagt ze me.
“Goede reis gehad”, zeg ik naar waarheid en gearmd lopen we het perron af, op weg naar de stationshal.
“Veel plezier in L.A.!”, roept Chris me nog na.
“Veel plezier in de kroeg!”, roep ik terug.
“Wie is dat?”, vraagt Hans Chris.
“Wie is dat?”, vraagt Lucia mij.

Niet reageren

Op iedere door de overheid afgekondigde maatregel om de uitbreiding van het coronavirus beter onder controle te krijgen, regent het reacties die net zo besmettelijk zijn als het virus zelf.

Het gaat om het geld, schreeuwt de een. Het virus is een leugen, roept de ander. In al deze reacties lees je tussen de regels door dat de regeerders het niet meer pikken. De harde kern van deze groep reageerders vormen de trollen.

Het is geen geheim dat voor de trollen – deze wezens hebben hun bestaan aan het internet te danken – de pandemie een groot geschenk is. Zij hitsen de twijfelende lezers iedere dag flink op en scanderen stellingen die al snel voor waarheid worden aangenomen. Dat moet voor de trollen zoiets als een orgasme zijn: je roept het een en ander, iedereen gaat het vervolgens herhalen en opeens zijn er journalisten die jouw verzinsels oppikken en er de nodige tijd en aandacht aan besteden. Je eigen waarheden kunnen maken, wat een cadeau!

Momenteel loopt het met die dubieuze waarheden flink uit de hand. De bestorming van het Capitool is hier een goed voorbeeld van. Om deze populistische volksophitserij van de trollenlegers een halt toe te roepen, pleit ik ervoor dat er niet meer op nieuwsberichten gereageerd kan worden. Ik vond het altijd al raar dat mensen op columns konden reageren. Een column lees je bij het ontbijt en daarna ga je over tot de orde van de dag, wat je ook van die column vindt. Of je leest hem op een ander tijdstip, maar ook dan ga je daarna over tot de orde van de dag. Of je gaat naar bed. Wil je de columnist het vuur aan de schenen leggen, dan start je een polemiek. Punt. Maar bij een column horen geen lezersreacties. Daar zitten noch de lezers van de krant of het tijdschrift, noch de columnisten op te wachten.

Terug naar de trollen. Ik pleit ervoor dat naast de reguliere media ook Facebook, Twitter en andere grote sociale platforms een maand lang de mogelijkheden op berichten te reageren buiten werking stellen. Een soort digitale lockdown. Oké, een paar onschuldige emoticons mogen actief blijven zoals de lachende smiley, het duimpje omhoog en een hartje. Meer niet. Het schrijven van een reactie is uit den boze c.q. is onmogelijk.

De kans is groot dat de trollen vervolgens op dubieuze platforms tekeer gaan en schreeuwen wat zij van de censuur vinden, dat het volk altijd de pineut is, dat de tegenstander nepnieuws verbreidt, bla, bla, bla. Dat lucht vast en zeker op en heeft misschien wel een helende werking. Ik kan me zelfs goed voorstellen dat op die manier veel trollenlevens een vroegtijdig einde beleven. Aan dat onderwerp kunnen de reguliere media dan weer de nodige aandacht besteden. Bij het ontbijt zal ik het nieuws met genoegen lezen en daarna overgaan tot de orde van de dag. Of ik lees het op een ander tijdstip en ga daarna over tot de orde van de dag. Of ik ga naar bed.