Tarozie (7)

Vandaag pakte ik wederom het boekje dichters van deze tijd uit de kast en sloeg het bewust willekeurig open. Ik belandde op pagina  6 bij “DE DAPPERSTRAAT” van J.C. Bloem. Wederom tarozie.

DE DAPPERSTRAAT

Natuur is voor tevredenen of legen
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat,

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Verregend, op een miezerige morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

In de oudejaarsnacht

vuurDe kerkklok slaat twaalf keer bom.
Het oude jaar is weer eens om.
De mensen in de straten
zijn door overmoed in alle staten.
Ze zingen en springen als vlooien, als in een dolle klucht
en werpen hun petten in de lucht.
De gezel schoorsteenveger Zwartelijk
kust banketbakker Boonstra echt hartelijk.
De oude agent bromt vandaag zowaar
vriendelijk: op een gelukkig nieuwjaar!

Vertaling van “In der Neujahrsnacht” van de Duitse dichter Joachim Ringelnatz (1883-1934) 

In der Neujahrsnacht

Die Kirchturmglocke schlägt zwölfmal Bumm.
Das alte Jahr ist wieder mal um.
Die Menschen können sich in den Gassen
vor lauter Übermut gar nicht mehr fassen.
Sie singen und springen umher wie die Flöhe
und werfen die Mützen in die Höhe.
Der Schornsteinfegergeselle Schwerzlich
küßt Konditor Krause recht herzlich.
Der alte Gendarm brummt heute sogar
ein freundliches: Prosit zum neuen Jahr.

Joachim Ringelnatz
(1883-1934)