Berlijnse schrijfster Marjolijn Uitzinger op shortlist Gouden Strop

dehuisgenootDe in Berlijn woonachtige schrijfster, journalist en voormalig radio- en televisiepresentator Marjolijn Uitzinger staat met haar derde misdaadroman ‘De huisgenoot‘ op de shortlist van de Gouden Strop 2015.

Dat maakte de jury vandaag bekend. Ook de titels De mythe van Methusalem, Houtekiet van Jo Claes, Walker van Patrick Conrad, Kingston noir van Guido Eekhaut en Hemelen van Marion Pauw staan op de shortlist en dingen mee naar de prijs voor het beste oorspronkelijk Nederlandstalige spannende boek.  Aan de Gouden Strop is een geldprijs van € 10.000 verbonden en een beeldje van Marianne van den Heuvel.

De jury, onder leiding van Laetitia Griffith, koos deze thrillers uit 94 inzendingen. Voor de Schaduwprijs, de prijs voor het beste oorspronkelijk Nederlandstalige thrillerdebuut, zijn de volgende titels genomineerd: De verloren dochters van Arjan Hoks, Ongrijpbaar van Bianca Nederlof en Tunis van René van Reyckevorsel.

De Gouden Strop wordt tezamen met de Schaduwprijs op de Avond van het Spannende Boek, donderdag 28 mei in Amsterdam, bekendgemaakt en uitgereikt. De prijzen zijn een initiatief van het Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs (GNM).

Website Marjolijn Uitzinger: www.marjolijnuitzinger.com

Advertenties

Schrijfster op bezoek

Gisteravond was ik aanwezig bij de literatuurcursus ‘Conversatieniveau B1’ aan de Berlijnse Volksuniversiteit in stadsdeel Schöneberg. In een goed gevuld klaslokaal met enthousiaste cursisten kondigt docente Esther Bouma de Nederlandse schrijfster Marjolijn Uitzinger aan, die als ‘kers op de taart’ deze laatste avond van de literatuurcursus luister zou bijzetten.

De deelnemers aan de cursus hadden ruimschoots tijd Uitzingers voor de Gouden Strop genomineerde boek De huisgenoot te lezen, want de Nederlandse journalist en voormalig radio- en televisiepresentator zou hier eigenlijk in maart al te gast zijn. Een griep gooide roet in het eten. Esther Bouma introduceert de schrijfster van inmiddels alweer drie misdaadromans als een persoon die in Nederland o.a. vanwege haar stem bij het radioprogramma Avro Radio 1 op de middag bekend is geworden. Ze was daarnaast ook regelmatig te beluisteren bij Met het Oog op Morgen, het Radio1-Journaal en In de Rooie Haan, de voorloper van Spijkers met koppen. Te zien was ze o.a. in het televisieprogramma Haagse Bluf.

VHS BerlinNa deze introductie komt De huisgenoot aan de beurt. Na Een fatale primeur en Citytrip is het de eerste keer dat de schrijfster een Duitse persoon als protagonist opvoert. Ter illustratie hebben de cursisten een blad tekst voor zich liggen met de titel ‘Bananenschil‘. Dit is een door Irene Start geschreven boekbespreking over De Huisgenoot, die in december 2014 in Elsevier verscheen. Twee zinnen uit deze recensie maken duidelijk waarom het boek een kans maakt op de Gouden Strop, de prijs die bij de beste Nederlandstalige misdaadroman behoort: “Uitzinger debuteerde in 2012 als thrillerschrijfster en opereerde tot voor kort in de schaduw van collega’s als Esther Verhoef, Saskia Noort en Tomas Ross. Maar nu lijkt ze klaar voor een doorbraak bij het grote publiek – De huisgenoot is daar toegankelijk en intrigerend genoeg voor.”

VHS BerlinEsther Bouma vertelt vervolgens dat in Nederland de Maand van het Spannende Boek net zo iets is als de bekende Boekenweek en dat de Gouden Strop jaarlijks in mei wordt uitgereikt, voorafgaand aan de Maand van het Spannende Boek. Daarnaast legt  Marjolijn Uitzinger uit dat de longlist al is gepubliceerd en zij één van de drie vrouwelijke kanshebbers is. De lijst bestaat uit vijf Vlaamse en zeven Nederlandse schrijvers. Eind april verschijnt de shortlist en op 28 mei wordt de  uiteindelijke winnaar van de Gouden Strop 2015 bekendgemaakt.

Vanavond staat het genomineerde boek centraal en daarom leest Marjolijn Uitzinger de eerste twee pagina’s van De huisgenoot voor. Vervolgens legt ze uit waarom deze introductie voor vaart in het verhaal zorgt. De lezer krijgt in een kort tijdsbestek veel informatie; een fietser wordt aangereden, de bestuurder van de auto heet Mirco, de hoofdpersoon is bijrijder en raakt in paniek, de fietser is naar alle waarschijnlijkheid dood en Mirco wordt door de ik-persoon gedwongen snel naar zijn huis aan de Steinplatz te rijden. Na deze introductie volgt Gelukkig Nieuwjaar, het eerste hoofdstuk van de drie grote hoofdstukken (Gelukkig Nieuwsjaar/Vrolijk Pasen/Prettige Pinksteren) waaruit het boek is opgebouwd.

VHS BerlinMarjolijn Uitzinger doet deze avond ook uit de doeken hoe ze bij het schrijven te werk gaat. Allereerst bevestigt ze het cliché dat schrijven 90% transpiratie en 10% inspiratie is. Ze werkt in de regel overdag, van negen tot twee, en schrijft dan zo’n 800 tot 900 woorden. Om de chronologie van het verhaal niet uit het oog te verliezen werkt ze die helemaal uit en hangt het tijdsverloop vervolgens aan de wand. Ze vertelt ook dat ze, net zoals bijvoorbeeld Stephen King, niet weet hoe het verhaal afloopt.

De avond is interessant, omdat er ook een discussie plaatsvindt over de algemene interesse in de politiek en het lezen van boeken in Nederland en Duitsland. In Nederland is bijvoorbeeld sprake van een flinke terugloop van de boekverkoop, terwijl in een stad als Berlijn het aanbod van boekwinkels niet lijkt af te nemen. Er wordt ook gesproken over de plagiaatsaffaire Guttenberg, die hem de bijnaam ‘Zu Googleberg’ opleverde, en die volgens Marjolijn Uitzinger in Nederland nauwelijks denkbaar is, omdat in Duitsland het dragen van een titel een veel belangrijkere rol speelt. En zo komen diverse oude en actuele nieuwsfeiten uit zowel de Nederlandse als de Duitse media aan de orde. Dat zorgt voor een levendige laatste les van deze cursus, die wordt bijgewoond door een grote groep enthousiaste deelnemers met een warm hart voor de Nederlandse taal en cultuur.

Website Marjolijn Uitzinger: www.marjolijnuitzinger.com

Twee Berlijnse avonden met Nederlandse literatuur

ARNON GRUNBERG EN MARJOLIJN UITZINGER

Eva Menasse en Arnon Grunberg

Eva Menasse en Arnon Grunberg

Dinsdag 2 december 2014
‘Er staan vier stoelen op het podium, wat raar. Dit is dus de grote zaal, nou, zo groot is die ook weer niet.’ Het is mij meteen duidelijk dat ik niet de enige Nederlander in deze ruimte van het Berlijnse Literaturhaus aan de Fasanenstraße ben. ‘Typisch Nederlands gemekker,’ denk ik als ik die zinnen hoor. De volgens mij nog voor de Tweede Wereldoorlog geboren dame weet noch dat ik haar versta, noch dat ik haar woorden hier opschrijf. Ze loopt naar haar stoel op de eerste rij. Ik zit ook op de eerste rij maar gelukkig vijf stoelen verderop, direct naast het gangpad tussen de twee blokken met stoelen.

De dame zit eindelijk en praat nu over ‘Arnon’ alsof het haar zoon is. Ongewild neem ik er kennis van dat de schrijver Arnon Grunberg wel eens tot haar intieme vriendenkring zou kunnen behoren. Aangezien het nog vroeg en rustig is, kan ik niet om de stem van de dame heen. Ze heeft overigens wel gelijk dat het vreemd is om vier stoelen op een podium te zien bij een optreden van Arnon Grunberg en de Oostenrijkse schrijfster Eva Menasse. Om acht uur, de zaal is inmiddels propvol, weet ik waarom er vier stoelen staan. Helemaal rechts zit namelijk prof., dr. Anne Fleig, helemaal links prof., dr. Jan Konst, beiden afkomstig van het Institut für Deutsche und Niederländische Philologie der Freien Universität Berlin. In het midden zitten de schrijver en schrijfster.

Uit de inleiding begrijp ik dat deze avond onderdeel is van een universitair project met de titel Literatur im Dialog, waarbij het joods schrijven een centrale rol speelt. Dat wist ik niet. Eerst worden de beide schrijvers aan het publiek voorgesteld. Ik noteer dat Eva Menasse sinds 1999 in Berlijn woont en niet sinds 2003. Die datum duikt volgens haar overal ten onrechte op. Als dan ook Arnon Grunberg aan de zaal is voorgesteld leest Eva Menasse een stuk voor uit haar vorig jaar verschenen roman Quasikristalle. In 13 hoofdstukken brengt de schrijfster een vrouw in beeld die vanuit 12 verschillende perspectieven wordt waargenomen. De vrouw als moeder en dochter, als vriendin, als huurster en patiënte, als vage kennis en ontrouwe echtgenote, etc.

Passend bij het thema van deze avond leest Eva Menasse een stuk voor uit het tweede hoofdstuk, waarin ze op subtiele wijze verslag doet van Xane Molin, de protagoniste die deelneemt aan een Auschwitz-excursie. Vervolgens is het de beurt aan Arnon Grunberg iets voor te lezen uit, hoe kan het ook anders op deze avond, der jüdische Messias. Vooraf vertelt hij dat Rainer Kersten, de vaste Duitse vertaler van zijn boeken, uitstekend werk heeft verricht bij De joodse messias. ‘Die Übersetzung ist besser als das Original”, aldus Grunberg. Vervolgens leest hij voor uit het hoofdstuk ‘Was will der Jude?’ (Wat wil de Jood?). Ik herinner me de scene uit het boek. Het is een hilarisch stuk over de protagonist Xavier die zich wil laten besnijden en daarom in een buitenwijk van Basel de heer Schwartz bezoekt. Op een prachtige en vooral humoristische wijze beschrijft Grunberg de donkere kamer met de gesloten gordijnen en een paar lampen, de half blinde Schwartz en de kaasjes die Schwartz voor vrienden, familieleden en kennissen importeert.

Citaat: ‘Meneer Schwartz was opgestaan. Uit een boekenkast haalde hij een stuk kaas tevoorschijn en met een kaasschaaf sneed hij haastig twee plakken af. Hij hield ze in zijn hand als een hostie. ‘Wil je proeven,’ vroeg meneer Schwartz, ‘of heb je me voor niets laten afsnijden?’ Xavier nam een plak kaas aan en schoof hem haastig in zijn mond. Hoewel hij niet religieus was opgevoed had hij het idee dat hij het vlees van Christus naar binnen werkte. Hij wist dat dit volk niet aan Christus deed, maar waar moest je het anders mee vergelijken? Koosjere kaas, het vlees van Christus. Hoe langer je erover nadacht, hoe meer het op elkaar begon te lijken. ‘Emmentaler,’ zei meneer Schwartz en hij keek melancholiek, alsof emmentaler en weemoed onvermijdelijk met elkaar verbonden waren.’ Einde citaat.

V.l.n.r.: Jan Konst, Eva Menasse, Arnon Grunberg

V.l.n.r.: Jan Konst, Eva Menasse, Arnon Grunberg

Weer kaas, dacht ik. Dit jaar las Arnon Grunberg ook een hilarische passage over kaas voor. Destijds ging het niet over Emmentaler maar over Nederlandse kaas van Albert Heijn, die een sergeant meenam naar Afghanistan. De passage stamt uit het in 2009 verschenen boek Couchsurfen und andere Schlachten (Kamermeisjes en soldaten). In mijn verslag van die avond zette ik een link naar een stuk van Jeroen Vullings, die al eerder over de kaas en de sergeant schreef. Dit is de link.

Na het voorlezen is de wetenschap aan de beurt. Immers, de twee wetenschappers zitten niet voor niets op het podium. Zowel Menasse als Grunberg zitten hier als een soort onderzoeksobject, althans, die indruk heb ik. Ze worden in een hokje geplaatst. Zowel Grunberg als Menasse zijn zich hier echter ook van bewust. Natuurlijk hebben ze er geen hele grote moeite mee, want anders zaten ze hier niet.  Literatuurwetenschapper Konst werpt de vraag op of het plaatsen in een hokje een functie heeft. ‘We kunnen bijvoorbeeld zien dat jullie op verschillende wijze over het onderwerp schrijven’, legt hij uit. ‘Daar hoef ik geen literatuurwetenschapper voor te zijn om dat te zien’, denk ik en probeer mijn sceptische houding tegenover die tak van wetenschap in toom te houden.

Zo nu en dan lijkt het erop alsof Arnon Grunberg en Jan Konst niet altijd door één deur kunnen. Grunberg stoort zich aan het feit dat hij als provocateur wordt weggezet. Volgens hem doet hij niets anders dan zijn waarheid opschrijven en is het juist andersom, is het de werkelijkheid die hem provoceert. De Nederlandse wetenschapper vertelt dat het echter wel de schrijver Arnon Grunberg is die bedenkt wat er gebeurt en dat hij ook de persoon is die De joodse messias plotsklaps afsluit met een raket in de Negev-woestijn, die gericht is op de Westerkerk en waarop staat ‘Groetjes van Anne Frank.’ Er ontstaat een kleine discussie tussen de schrijver en de wetenschapper.

Ik vind de anekdote die Grunberg vertelt over de totstandkoming van De joodse messias interessanter dan de discussie. De schrijver zat in het vliegtuig. Naast hem zat een gedistingeerde man die de krant las. Deze passagier vertelde op een hele normale manier dat de Joden net zo zijn als de nazi’s. Grunberg zegt dat hij er op dat moment niet direct op inging, maar dat de vanzelfsprekendheid waarop die persoon dit vertelde hem tot het schrijven van De joodse messias aanzette.

Gelukkig komt ook het schrijven als beroep nog even aan de orde. ‘Je schrijft, omdat je zelf iets wilt voelen. Doet het pijn bij mij, dan doet het ook pijn bij de lezer’, vertelt Eva Menasse. ‘Goede literatuur roept gevoelens op.’ Jan Konst geeft vervolgens nog een mini-college over De joodse messias. Hij gaat onder andere in op de unieke vorm en noemt aan het einde van zijn betoog natuurlijk het dagboek van Hitler. Dat is voor de Duitse bezoeker interessant om te weten, maar in Nederland werd het boek 10 jaar geleden natuurlijk al uitvoerig in de media geanalyseerd. De Duitse bezoekers van deze avond zullen alleen al om die reden een heel ander beeld van de avond hebben dan de Nederlandse bezoekers, dat is onvermijdelijk. Ik probeer me voor te stellen dat Hitler een Nederlander was en de Tweede Wereldoorlog begon. Dan zou ik deze avond vanuit een compleet ander perspectief hebben waargenomen.

Dat de waarneming van een tekst afhankelijk is van het perfectief van de waarnemer, dat onderstreept Eva Menasse met een anekdote. In haar romandebuut Vienna schrijft ze op satirische wijze over de tennisclub midden in Wenen, waar voormalige nazi’s en voormalige holocaustslachtoffers het glas heffen. Als ze die passage in Duitsland voorlas, dan reageerde het publiek geschokt. In Wenen ontlokte de passage geen reacties, hij werd als vanzelfsprekend aangenomen. Arnon Grunberg vult de anekdote nog aan met het feit dat zijn boek in Frankrijk als een komedie wordt beschouwd. Volgens Eva Mennasse wordt ook het werk van haar landgenoot en schrijver Thomas Bernhard in Frankrijk als komedie gezien. Kortom, verschillende landen, verschillende perspectieven.

Esther Bouma (l) en Marjolijn Uitzinger

Esther Bouma (l) en Marjolijn Uitzinger

Woensdag 3 december 2014
Een dag later sta ik om zes uur ’s avonds met een glas witte wijn in de DAD-gallery aan de Oranienburger Strasse in Berlin-Mitte. Het is de tweede keer dat schrijfster Marjolijn Uitzinger op deze fraaie locatie haar boek presenteert. In mei 2013 las ze op deze plek voor uit Citytrip Berlijn, een misdaadroman die net als haar romandebuut Een fatale primeur uitsluitend positieve recensies oogstte. Nu stelt ze haar derde roman ‘De huisgenoot‘ voor. In deze galerie, die is gevuld met fraaie objecten van Nederlandse designers, staat geen podium met vier stoelen. Sterker nog, er is – buiten de te verkopen designstoelen – helemaal geen zitgelegenheid. Het circa 30-koppig publiek staat met een glas in de hand en dat is wel zo ontspannen. Ook de schrijfster zelf staat, net als de presentatrice Esther Bouma. Hierdoor is de sfeer totaal anders dan gisteren in het Literaturhaus. Het is minder academisch en meer literair. Hier staat de schrijver, in dit geval de schrijfster, centraal.

Ondanks een lichte verkoudheid is de onmiskenbare radio- en televisiestem van Marjolijn Uitzinger goed hoorbaar. Net als gisteren wordt de schrijfster eerst aan het publiek voorgesteld. Esther Bouma, bestuurslid van de culturele vereniging Berlijnse Avonden, vertelt dat Marjolijn Uitzinger natuurlijk vooral bekend is geworden door haar werk als journaliste op radio en televisie. Ze werkte in de jaren tachtig mee aan bekende radio- en televisieprogramma’s zoals In de Rooie Haan en Haagse Bluf. Vanaf 1990 was ze vooral te beluisteren bij Avro-radio als presentator van achtergrondprogramma’s. Ze woont sinds 2006 in Berlijn en kwam in 2009 met het non-fictie boek Na de muur op de proppen, dat ze samen met journaliste Margriet Brandsma schreef. Het romandebuut Een fatale primeur verscheen in 2012.

Alle romans van Marjolijn Uitzinger hebben Berlijn als coulisse. Daardoor leer je als lezer de stad niet alleen beter kennen, je pikt ook een stukje geschiedenis op waar bijna niemand weet van heeft. Citaat Citytrip: ‘Maar eind jaren dertig heeft Heinrich Himmler, de grote baas van de SS, het idee opgevat een speciale woonwijk te laten bouwen voor zijn raszuivere Berlijnse topambtenaren. Een zogeheten Kameradschaftsiedlung voor de SS-elite. Rond 1939 is die aangelegd. En wel hier om de hoek. […] De straatnamen werden door de SS’ers en hun gezin zelf gekozen: Siegstrasse, Treuepfad en meer van dat fraais. Na 1945 heeft men die namen veranderd, behalve één straat, die nog steeds Im Kinderland heet’.’ Einde citaat.

De openhartige en sympathieke schrijfster legt ons allereerst uit dat zij haar boeken geen thrillers noemt maar spanningsliteratuur. De Engelsen hebben het in deze context over suspense. Net als gisteren komt het onderwerp ‘in hokjes indelen’ kort ter sprake. Marjolijn Uitzinger vertelt dat mensen na haar tweede boek Citytrip Berlijn vroegen wanneer ze nu een écht boek ging schrijven. Ze vindt dat een raar verschil, alsof het ene boek buiten de realiteit staat en het andere niet. Ik geef haar gelijk. De kwaliteit van een boek is natuurlijk wel belangrijk. Bij de boeken van Marjolijn Uitzinger is kwaliteit echter gegarandeerd. Dat zeg niet alleen ik als lezer, ook de recensies van zowel De Fatale Primeur als Citytrip Berlijn staven dit. Over de nieuwste roman De huisgenoot schreef Irene Start in Elsevier onlangs nog het volgende: “Uitzinger debuteerde in 2012 als thrillerschrijfster en opereerde tot voor kort in de schaduw van collega’s als Esther Verhoef, Saskia Noort en Tomas Ross. Maar nu lijkt ze klaar voor een doorbraak bij het grote publiek – De huisgenoot is daar toegankelijk en intrigerend genoeg voor.”

Esther Bouma praat met de schrijfster ook over haar werk als politiek journaliste en over de politiek in Duitsland. ‘Ik vind vooral de thema’s die niet groot in de Nederlandse kranten verschijnen interessant’, vertelt Uitzinger. ‘Dus geen Poetin maar bijvoorbeeld wel Gauck die niet naar Sotschi gaat of de Frauenquote in Duitsland.’ Vervolgens spreken de dames over de research, het onderzoek bij het schrijven van een roman. Marjolijn Uitzinger geeft enkele voorbeelden van zaken die in een boek natuurlijk moeten kloppen. In De Huisgenoot komt een parkeergarage voor die onder de Bondsdag ligt. Die moet natuurlijk wel bestaan. Hetzelfde geldt voor de Deutsche Parlamentarische Gesellschaft die in het boek wordt opgevoerd.

Marjolijn Uitzinger signeert De Huisgenoot in Berlijn.

Marjolijn Uitzinger signeert De Huisgenoot in Berlijn.

Citaat hierover in het boek: “Toen ik mijn intrede deed in de Bondsdag had Anna-Lotte me aangeraden lid te worden en ik had er nooit spijt van gehad; in het stemmige interieur voelde ik me een soort jonge Churchill, met een dikke sigaar in de ene hand en een glas whisky in de andere – bij wijze van spreken dan. Voor een luttele 180 euro per jaar ontmoet je er collega-politici en lobbyisten, er wordt meer politiek bedreven dan in de vergaderzaal, carrières worden er gemaakt en gebroken. En als het nationale elftal speelt, kun je daar voetbal kijken, soms samen met het halve kabinet en de bondskanselier zelf.” Einde citaat.

Esther Bouma, die Nederlands geeft aan de Vrije Universiteit in Berlijn, stelt ook nog een vraag over de vorm waarin het boek is geschreven. ‘De tegenwoordige tijd vind ik veel te makkelijk’, laat Marjolijn Uitzinger weten. ‘De meeste boeken die in de tegenwoordige tijd zijn geschreven, zoals die van Saskia Noort of Esther Verhoef, die lees ik niet. Het is juist de kunst een mooi verhaal in de verleden tijd te schrijven dat toch spannend is én de lezers nieuwsgierig maakt’, aldus Marjolijn Uitzinger.

Ook het schrijfproces komt deze avond aan bod. Marjolijn Uitzinger laat het eerste concept altijd aan een goede vriend lezen. Bij De huisgenoot haalde die vriend er een compleet hoofdstuk uit. ‘Dat ging over een ontvoering’, legt de schrijfster uit. Ze vond het zelf wel een mooi verzonnen passage maar uiteindelijk liet ze de 6.000 woorden toch in het niets verdwijnen. De vriend wist immers aan te geven waarom die ontvoering niet relevant was voor het verhaal.

‘Je moet een dikke huid hebben’. Marjolijn Uitzinger bedoelt hiermee, dat het script bij de uitgeverij ook nog eens door de mangel gaat. Een redacteur bekijkt of het verhaal wel geloofwaardig is, of bepaalde zaken niet te snel aflopen of juist te langzaam. ‘Dan is het een kwestie van heel goed argumenteren en van concessies doen.’ Heel even leek er twijfel te bestaan over de laatste zin van het boek. Uiteindelijk is de laatste zin gebleven zoals hij was. Marjolijn Uitzinger is wat dat betreft heel stellig. ‘De eerste en de laatste zin zijn van wezenlijk belang. Als ze de laatste zin willen veranderen, prima, maar dan geef ik het boek terug. ‘ Het publiek lacht. Dit is de Nederlandse journaliste en schrijfster ten voeten uit en op haar best: stellig maar ongelooflijk trefzeker. Dat geldt ook voor De huisgenoot, dat een schot in de literaire roos genoemd mag worden.

Graag eindig ik deze bijdrage over de twee Nederlandse schrijvers in Berlijn met een bijzondere overeenkomst tussen de avond met Marjolijn Uitzinger en de avond met onder andere Arnon Grunberg. Een overeenkomst die bij weinig mensen bekend is. Na het verschijnen van Grunbergs debuut Blauwe maandagen kreeg de nog jonge auteur veel media-aandacht. Het allereerste radio-interview over zijn succesvolle roman had hij destijds met niemand minder dan…inderdaad…Marjolijn Uitzinger.

Website Marjolijn Uitzinger: www.marjolijnuitzinger.com

Website Arnon Grunberg: www.arnongrunberg.com