Category Archives: Columns

De wereld draait door

Het slechte nieuws over de gedode kinderen en de vele andere slachtoffers, maakte hem op slag ziek. Hij had ademnood, buikpijn en zijn stem klonk opeens hees. Tientallen jaren kon hij het vrijwel dagelijkse slechte nieuws verdragen, maar nu knapte er iets.

Zijn vrouw Esther, die net als hij binnenkort met pensioen gaat, begeleidde haar man naar de huisarts. Onderweg kondigde de autoradio het journaal aan. Ze schrok en draaide meteen de knop om.

„Genoeg ellende”, zei ze.

Haar man lachte verdrietig. Hij voelde zich zwak en besefte niet wat er met hem aan de hand was. Hij was wel vaker geraakt door slecht nieuws, maar nog nooit zo hevig als nu. Was er wel een verband met het nieuws? Zouden de dokters hem niet uitlachen? Die gedachten flitsten door zijn hoofd.

Tien minuten later stonden ze voor de artsenpraktijk.

„Ik weet niet of een bezoek aan de arts wel nodig is”, stamelde Fred.

„Je ziet lijkbleek en trilt. En heb je nog buikpijn?”

„Ja, dat is waar, maar het was toch niet meer dan een spontane reactie op wéér zoveel ellende. Daar heeft de dokter toch geen boodschap aan.”

Zijn vrouw zei niets, maar ze wist dat haar man veel te veel opging in het nieuws. Zelf kon ze veel beter afstand nemen van de dagelijkse ellende dan hij. Ze hield het wereldgebeuren wel in de gaten, maar liet zich niet gek maken. Het was háár leven en zij bepaalde zelf of het wereldgebeuren daarin een rol mocht spelen – en hoe groot die rol dan mocht zijn. Fred zat anders in elkaar. Hij was een gevoelig type, en daar hield ze juist van. Al meer dan veertig jaar. Maar nu waren zware tijden aangebroken voor mensen zoals Fred.

Esther vertelde aan dokter Steenbergen hoe haar man reageerde op het verschrikkelijke nieuws over de gestorven kinderen en dat de drama’s in de wereld hem te veel werden. De arts knikte. Hij kende Fred goed en wist precies wat er aan de hand was. Sterker nog, hij dreigde als arts zelf ook slachtoffer van het wereldgebeuren te worden. Dat inzicht noopte hem tot een snelle behandeling – voor zichzelf en patiënten zoals Fred.

„Het was op Mallorca”, zei de arts. Esther keek naar Fred. Hij haalde zijn schouders op. De dokter glimlachte en sprak verder:

„Op Mallorca leerde ik van een wijze vrouw om het leven om je heen op te nemen, maar ook weer los te laten. Fred, als jij het wereldnieuws opneemt, laat het dan als een ademhaling weer los. Alleen dan is er ruimte om ook de mooie dingen van het leven op te nemen.”

„Zo luidt dan ook mijn advies: maak na het journaal ruimte vrij voor de zonsondergang of het gezang van vogels. Wees je bewust van elk moment. Dat is niet makkelijk. Over twee weken zien we elkaar weer en dan kijken we hoe de vlag erbij hangt.”

Fred glimlachte, Esther glimlachte en de arts glimlachte.

„Tot over twee weken.”

„Tot over twee weken.”

Deze column staat ook op metronieuws.nl

Ooit

“Vroeg of laat gaan we er allemaal aan”, zei hij en keek recht vooruit, in de richting van de bruisende fontein met het waterbassin er omheen, de grindpaadjes en de op het gazon liggende zonaanbidders. Ik geniet ervan op dit terras midden in de bedrijvige stad tot rust te komen.

“Zo is het”, zeik ik en keek naar de man aan het tafeltje naast me. Hij droeg een wit linnen overhemd, nonchalant open bij de hals, onder een donkerblauwe blazer die iets te warm leek voor de dag maar hem precies het soort elegantie gaf dat je zelden nog ziet. Zijn broek was lichtbeige, van soepel katoen, en zijn schoenen – bruin leer, goed onderhouden – verraadden aandacht voor detail. Zijn gezicht was gebruind door de zon, met fijne rimpels rond zijn ogen die eerder van het lachen leken te komen dan van zorgen. Kortgeknipt grijs haar, een zilveren horloge aan zijn pols, en een zonnebril die hij nonchalant op tafel had gelegd. Ik schatte hem een jaar of zeventig. Hij glimlachte, alsof hij het een aangename verrassing vond dat een onbekende zijn opmerking waardeerde. En ik was het met hem eens, want hoe hij het zei, was niet zwaarmoedig. Eerder opgewekt melancholisch. Alsof hij de dood niet vreesde, maar ook niet vergat. We gaan er allemaal aan, vroeg of laat – ja. Maar vandaag zitten we op dit terras, midden in de stad, met het licht op onze huid en leven om ons heen. Dat is wat telt.

“Salut”, proostte hij vriendelijk en hief zijn glas witte wijn.

“Salut”, antwoordde ik.

We namen gelijktijdig een slok en keken naar de vrolijke fontein. Vroeg of laat gaan we er allemaal aan, gonsde het nog door mijn hoofd en ik keek naar de jonge moeder die met strohoed en donkere zonnebril statig haar kinderwagen voortduwde. Mijn buurman zag het ook. Zou hij ook denken, wat ik dacht? Dat ook de moeder ooit gaat, dat ook het kind ooit gaat, dat ook ik ooit ga

“Ooit”, zei ik en keek recht vooruit.

“Ooit”, sprak de man aan het tafeltje naast me.

Deze column staat ook op metronieuws.nl

De sollicitant

Niet iedereen solliciteert om werk te vinden. Sommige mensen solliciteren om te ontdekken hoe gewild ze zijn. Neem Paul, de man die ik regelmatig in mijn stamcafé spreek. Diploma’s? Check. Werkervaring? Ruim voldoende. Een uitstekende kandidaat, zouden werkgevers zeggen. En toch bleef hij nergens langer dan een maand.
Zijn vorige baan had hij verlaten omdat hij elders zwart werkte. Wat hij precies deed, bleef onduidelijk, maar vast stond dat hij financieel onafhankelijk was. Hij had genoeg geld om meerdere luxe levens te leiden. Geen uitkering, geen belastingaangifte, geen administratieve rompslomp. Hij had het niet nodig. Toch solliciteerde hij. Niet omdat hij moest, maar omdat hij wilde.
Hij genoot van het ritueel: de eerste e-mailuitnodiging, de formele handdruk bij binnenkomst, de obligate vraag naar zijn motivatie. Het kopje koffie, soms met een koekje. De recruiters die knikten, onder de indruk van zijn cv. “U bent precies de kandidaat die we zoeken!”
En daarna het échte plezier: de eerste dagen op een nieuwe werkplek. Alles was vers. Nieuwe namen, nieuwe systemen, nieuwe gewoontes. Hij schudde handen, leerde de weg naar het koffieapparaat, maakte smalltalk bij de waterkoeler. Met een beetje geluk vielen er verjaardagen in zijn proeftijd, zodat er iets lekkers in de keuken klaarstond.
Hij hield ervan zijn fantasie in het echte leven om te zetten. Als het ter sprake kwam, en dat kwam het vaak, dan noemde hij Karin. Ze was ook rond de dertig en ze kenden elkaar al sinds de kleuterschool. “We denken aan kinderen,” zei hij dan. “Want je moet er niet te lang mee wachten.”
Karin bestond niet. Ze was zijn verzonnen vriendin, gebaseerd op zijn fascinatie voor inspecteur Columbo – de rechercheur die altijd over zijn vrouw sprak, maar die de kijker nooit te zien kreeg. Zijn eigen Columbo-vrouw, een personage dat perfect in zijn rol paste: de ideale kandidaat, de betrouwbare toekomstige vader, de collega die je graag in het team had.
Maar dan, net voordat de proeftijd van een maand verstreek, kwam zijn grote finale.
Hij diende zijn ontslag in.
Verbijstering alom. Hij was toch een topcollega? Een snelle leerling, een harde werker? Wat was het probleem? Te weinig salaris? Slechte werksfeer?
Nee, niets van dat alles.
“Ik weet het niet,” zei hij simpelweg, met een geheimzinnige glimlach.
En hij vertrok, met achter zich een team vol vraagtekens en een verse kop koffie in het vooruitzicht bij zijn volgende sollicitatiegesprek.

Deze column staat ook op metronieuws.nl

« Oudere berichten Recent Entries »