Offene Augen

Während seiner Arbeit an dem Gedichtband Offene Augen war Remco Campert als Dichter und Schriftsteller der Gegenwart auch Zeuge der Bilder von Terroristen und Diktatoren und ebenso von unschuldigen Menschen auf der Flucht. Das trieb ihn an zu Gedichten wie Aleppo, Asylsuchende und natürlich Offene Augen. Er konnte sich dem Thema einfach nicht entziehen. In einem Interview in De Volkskrant sagt er, dass Poesie nicht mehr ausschließlich von der eigenen Innenwelt handeln dürfe, dass er vielmehr seinen Blick auf das richten müsse, was in der Außenwelt vor sich geht: Durch das, was sich dort abspielte, konnte ich einfach nicht anders. Szenen, die ich nie mit trocknen Augen ansehen konnte. Ich beschloss, meine Poesie in den Dienst von etwas zu stellen.

In Notiz heißt es bei ihm:

Ich sah einen kleinen jungen
fassungslos saß er auf einem stuhl
bedeckt mit blut

und nennt die Täter: Assads mörderbande. Er schließt mit den Worten:

dies gedicht hilft ihm nicht
doch es ist notiert

Remco Campert gilt nicht als religiöser Dichter, doch einige Gedichte beschwören Bilder herauf, die dem nahe kommen, wie beispielsweise Nacht:

ich bin allein im weltall
wach sitzend
sterne fallen
ich schwebe bewegungslos
durchs weltall

Sein Abscheu gegen Grausamkeiten ist eindeutig, noch dazu, wenn die im Namen irgendeiner Religion verübt werden. Bereits im ersten Gedicht dieser Sammlung, Zaventem, wo er an das Selbstmordattentat auf dem Brüsseler Flughafen erinnert, bezieht er unmissverständlich Stellung:

bombengürtel umgeschnallt
plusterten die bärte sich rechtschaffen auf
lupenrein und gnadenlos in ihrer jagd auf jungfrauen

werden wir auch so paradiessüchtig sein?
gott erbarme dich
und schaffe religion ab

Offene Augen
Erschienen: Juni 2023
Gedichte. Aus dem Niederländischen von Marianne Holberg
Verlag: Edition Rugerop
Preis: € 15
Edition Rugerup

Een eindeloze vakantie

Dat is de titel van een kort verhaal dat bij deze tijd van het jaar past.

Ik voelde dat ik aan vakantie toe was. Het was al de tweede keer in mijn leven dat ik zo intens nadacht over de invulling van mijn dagelijks bestaan. Over de zin van een vaste baan en carrière maken of het zoeken van losse baantjes  en zien wat er van komt. Dit bracht op bepaalde momenten een buitengewoon beangstigend gevoel teweeg. De eerste keer dat ik hier over nadacht was in de tijd dat ik als bordenwasser in m’n onderhoud voorzag. Een ogenschijnlijk zorgeloze baan, maar de onregelmatige werktijden begonnen me meer en meer te benauwen. De ene keer begon je om zes uur ’s ochtends met het afwassen van de ontbijtborden, de andere keer waste je om half vijf ’s nachts de laatste glazen van een bruiloftsfeest af. De schaarse vrienden die ik had zag ik niet meer en al snel raakte ik gewend aan de beloning die ik mezelf na een dag werken gaf. Drank. Steeds meer drank. Werken, drinken en denken vulden mijn leven. Het ging mis.

Maar zover wilde ik het ditmaal niet laten komen. Weliswaar dronk ik veel minder dan vroeger en had ik als kassier in een bouwmarkt een regelmatiger dienstrooster, toch voelde ik dat de eenzaamheid me parten begon te spelen. Ik praatte te veel met mezelf over andere mensen die ik als marionetten door het leven zal bewegen. Een onzekere blik in de spiegel bepaalde dagelijks hoe ik een dag moest beginnen. Bovendien begon het regelmatige leventje op een ware sleur te lijken. Gelukkig ontmoette ik juist op tijd iemand die op dezelfde manier tegen het leven aankeek als ik. Hij sprak mijn levenstaal. Ik ontmoette hem in mijn vakantie. Of misschien is het beter om te zeggen dat hij mij ontmoette. Die vakantie was de aanzet tot een grote ommekeer in mijn leven. Een vakantie die niet eindigde en zo moet het met vakanties ook zijn.

Een maand geleden. Ik was, net als andere jaren, met de trein naar een grote Europese stad afgereisd. Dit jaar was Brussel mijn vakantiedoel. Het prettigste van vakantie vind ik het ongeorganiseerd en ongepland rondtrekken. Ieder jaar bleek het weer een succes. In Brussel nam ik een willekeurige bus en na een uur reizen ben ik gewoon bij een willekeurige halte uitgestapt. Zomaar, zonder enkele reden. Met voldoende geld op zak, een overnachting in een hotel calculeer ik altijd in, liep ik naar een café dat ik vanuit de bus had zien liggen. Daarmee was de halte waar ik uitstapte misschien niet helemaal willekeurig gekozen.

‘Un pression, alstublieft…uh…s’il vous plait.’ De man achter de bar knikte en begon aan zijn werk. ‘Een Hollander hier. Lang geleden, lang geleden.’ De toon waarop de man sprak klonk zachtmoedig. Ach, waarom ook niet. Je hebt ook mensen die je in het buitenland brutaal aanspreken met “Hé, nog een Hollander. Waar kom je vandaan? Amsterdam? Oh, waar? Ja, kom ik ook vandaan. Pilsje, kameraad?!” Daar kan ik niet zo goed tegen.
‘Lang, lang geleden.’
De man sprak de laatste woorden langzaam uit. Berustend. Alsof hij het niet tegen mij, maar tegen zichzelf zei.
‘Mijn Frans is zeer slecht. Gelukkig spreekt u Nederlands.’
De man straalde een ongekende rust uit. Ik had het gevoel dat hij mij op de een of andere manier kende. Hij keek naar mijn notitieblokje. ‘Schrijf toch verder, jongen. Schrijf toch.’ Niemand in het café had in de gaten waar de man en ik het over hadden. Maar hadden we het wel over iets? De barman zette mij een glas bier voor en verdiepte zich weer in zijn krant. De andere aanwezigen, twee grijze kleine mannetjes, speelden rustig een spelletje schaak. Er waren nog maar twee schaakstukken uit het spel gehaald. Een witte en een zwarte pion.
‘Ik schrijf niet altijd’,  zei ik wat verlegen. Hoe wist die man eigenlijk dat ik schreef? Ik deed het nog maar een paar maanden en tot nu toe was het iets waar ik met niemand over sprak.
‘Vakantie, niet? Ik was dertig, nu ben ik vijftig en zit ik hier alweer’, sprak de man. Ik luisterde en dacht na over de eventuele betekenis van dit gesprek. Hij was toen dertig, ik ben nu dertig. Straks vertelt ie me nog dat ie kassier is geweest in een bouwmarkt.
‘Ben je hier toevallig verzeild geraakt?’ vroeg de man. Ik keek hem aan. Zijn grote bruine ogen en z’n volle baard fascineerden me . Hij had net zo weinig haar op zijn hoofd als ik. ‘Ik heb vakantie’,  vertelde ik. Hierna ga ik weer aan het werk als kassier. Dat doe ik al een half jaar. Maar waarom zei u net ‘schrijf toch’? Hoe weet u dat ik wel eens iets opschrijf?’

‘Ik heb net zo’n boekje als jij. Alleen Proest in Amsterdam verkoopt die boekjes. Ik gok dat je het gebruikt om aantekeningen in te maken of gedichten in op te schrijven.’ Hij had gelijk. Het boekje had ik inderdaad bij boekhandel Proest gekocht. Mijn interesse in de man nam toe. ‘U woont ook in Amsterdam?’ vroeg ik. De man pakte een sigaret uit een verfrommeld pakje en bood mij er één aan. Ik accepteerde zijn aanbod. Hij praatte verder. ‘Ik woon hier en daar. Iets verderop staat een oude schuur. Daar woon ik nu. De schuur is in het bezit van de eigenaar van deze bar, mijnheer Le Clerque. Ik help hem met schilderen, tuinieren, koken en van alles. Als dank heeft hij mij die schuur aangeboden. Nu woon ik dus hier.’
De man achter de bar keek even op toen hij zijn naam hoorde. ‘Maar ik woon ook in Amsterdam’, vervolgde de man. ‘Ken je Het Gulden Vlies? ‘ ‘Tweedehands boeken’, zei ik. ‘Ja, daar werk ik ook. En woon ik ook.’ Het werd me nu duidelijk waarom die winkel zo vaak dicht was. Toeval bestaat niet, maar ik was van plan om na deze vakantie een bezoek te brengen aan die winkel.

Dezelfde avond was ik te gast bij de man uit het café. Zijn schuur was smaakvol ingericht. Een grote bank met twee grote gele kussens, twee oude houten boekenkasten met heel veel boeken, een kleine televisie, een platenspeler en een kast met flessen wijn. Een antieke koperen hanglamp verlichtte de ruimte die symbool had kunnen staan voor een hippiekamer uit de jaren zestig. Verder zag ik een hoekje met een koelkast, een fornuis, potten en pannen, glazen en verschillende borden.

‘Ik schrijf alleen uit een soort spanning’,  zei ik na de tweede fles wijn. De atmosfeer in deze schuur en de hoeveelheid wijn zorgde er voor dat ik schaamteloos en openhartig over het leven, de dood en de kunst van het schrijven praatte. Een gevoel dat thuis in Amsterdam tot de zeldzame momenten behoorde. Zwaan, zo heette de man, werkte ooit als een hoge ambtenaar op een ministerie. Hij vertelde me over zijn beslissing zijn carrière op te geven voor een bestaan als levensgenieter pur sang. Ik schrok van de hoeveelheid poëziebundels die hij had geschreven. Dat zou ik in meerdere levens niet eens redden.  Veel gedichten over de schoonheid van de natuur en het onbehoorlijke gedrag van veel mensen.

Ik vertelde hem één van mijn geheimen. ‘Ik weet niet wat ik er mee moet, maar het is het beeld dat ik in de spiegel zie. Als het zelfverzekerd overkomt schrik ik en word ik op slag nog onzekerder dan ik al ben. Zie ik een onzekere en angstige blik, dan weet ik dat ik op moet passen.‘ Zwaan glimlachte. Hij pakte één van zijn bundels en liet me een gedicht lezen. Terwijl ik het las maakte hij een derde fles wijn open. Het gedicht raakte me. Het was een gevoel van herkenning. Het kon niet anders dan dat hij mij voor was in het schrijven van gedichten. ‘Daarom kan ik de woorden nooit vinden. Ze liggen hier.’ Hij lachte en we proostten.

De volgende dag liet Zwaan me de omgeving zien. Een fraai landschap, gevuld met bomen, uitgestrekte velden en heuvels. Monsieur Le Clerque bood ons in de namiddag een heerlijk maal aan. Buiten was het een stuk warmer dan de vorige dag, zodat we op de stoep aan een tafeltje konden zitten. ‘Wanneer ga je weer terug naar Amsterdam? ‘ vroeg Zwaan. Ik had daar de afgelopen nacht al over nagedacht, maar door de hoeveelheid wijn wist ik dat mijn wens hier te blijven op dronkenschap berustte. Nu had ik vandaag nog maar één slok wijn op en toch dezelfde gedachten als afgelopen nacht. Misschien kwam het ook door het gedicht dat ik deze middag had geschreven. Voor het eerst schreef ik op zo natuurlijke wijze de woorden op papier, dat ik er zelf bijna van schrok. Het was me een raadsel hoe ik zoiets moois op papier kon zetten. ‘Ik heb zo net met de bouwmarkt gebeld’, zei ik. ‘Mijn baas vond het niet aanvaardbaar dat ik mijn vakantie voor onbepaalde tijd wilde verlengen. Ik antwoordde hem dat ik dat wel kon begrijpen.’

Uit: Op koers, uitgeverij Aquazz 2011

Marsman und Achterberg: Alfred Schreiber gewinnt James Brockway Prize

Alfred Schreibers Übersetzung Land ohne Ende mit Texten von Hendrik Marsman und Gerrit Achterberg wurde mit dem James Brockway Prize 2023 ausgezeichnet. Das gab der Nederlandse Letterenfonds heute bekannt. Der zweijährliche Preis wird ihm am 11. Juni während des Poesiefestivals Poetry International in Rotterdam überreicht.

Der australische Schriftsteller, Dichter und Übersetzer David Colmer gewann den James Brockway Preis 2021 für seine Übersetzungen niederländischer Lyrik ins Englische.

Der James Brockway Prize ist ein Übersetzungspreis, der auf dem Gebiet der niederländischen Lyrik im Ausland verliehen wird. Der Preis ist nach James Brockway benannt, einem bekannten Übersetzer und Dichter, der sich auf die niederländische Literatur spezialisiert hat. Der Preis wird normalerweise an Übersetzerinnen und Übersetzer verliehen, die herausragende Arbeit bei der Übertragung niederländischer Lyrik in andere Sprachen geleistet haben. Er soll die Verbreitung der niederländischen Literatur im Ausland fördern und die Anerkennung für die Kunst des literarischen Übersetzens würdigen.

Beschreibung Buch

Hendrik Marsman (1899-1940) und Gerrit Achterberg (1905-1962), zwei prägende Gestalten der niederländischen Dichtung des 20. Jahrhunderts, werden hier erstmals in einer Zusammenschau vorgestellt, die dem deutschsprachigen Publikum wesentliche Aspekte ihres Schaffens zugänglich macht.

Mit seinen von ekstatischem Lebensgefühl durchdrungenen Gedichten, die Liebe und Tod umkreisen, wurde der »Vitalist« Marsman schon um 1925 für eine ganze Generation junger Autoren zur Leitfigur. Nach künstlerischer Krise und Neubesinnung bemühte er sich zunehmend um Objektivität und um die Idee einer aus dem Geist mittelmeerisch-europäischer Kultur erneuerten Harmonie menschlicher Gemeinschaft. Der Tod erscheint in ihr als eine Seite einer größeren, ganzheitlichen Lebenswirklichkeit.

Für Achterberg war der Tod geradezu eine vertraute Sphäre, in der zur Ruhe und zu Wort kommt, was sich im gewöhnlichen Leben nicht erfüllen kann. Seine Existenz war tragisch, nicht zuletzt durch ein 1937 begangenes Tötungsdelikt. Obsessiv kreist sein Schaffen um ein Hauptthema: erneut – gleichsam auf mystische Weise – der toten Geliebten im Gedicht zu begegnen. Seine magisch in den Unfarben des Todes leuchtenden Verse machen sie zu einem der ungewöhnlichsten Zeugnisse niederländischer Dichtung.

Kurz vor Marsmans Unfalltod begann ein freundschaftlicher Briefwechsel beider Männer mit der Ankündigung Marsmans, man werde sich wohl bald auch persönlich treffen. Das hat sich nicht mehr ergeben. Die Doppel-Anthologie möchte dies – auf der Ebene ihrer Werke – nachholen.

Leseprobe (Hendrik Marsman)

Erinnerung an Holland

An Holland denk ich,
sehe breite Flüsse
durch grenzenloses Tiefland
träge ziehn,
Reihen undenkbar
lichter Pappeln
hohen Federn gleich
zum Horizonte ziehn;
und im gewaltigen
Raum versunken
die Bauernhöfe
übers Land verstreut,
Baumgruppen, Dörfer,
gedrungene Türme,
Kirchen und Ulmen
in stolzer Verbundenheit.
Die Luft hängt tief
und die Sonne wird langsam
erstickt im schimmernden Dunst,
grau und verschwommen,
und allerorten
wird die Stimme des Wassers
und sein ewiges Unheil
gefürchtet und vernommen.

Land ohne Ende
226 Seiten
€24,90
Verlag: Edition Rugerup

Edition Rugerup

Die Edition Rugerup wurde 2005 von der Herausgeberin und Übersetzerin Margitt Lehbert gegründet. Der Schwerpunkt des Verlags liegt auf internationaler, vor allem angelsächsischer und skandinavischer Lyrik in deutscher Übersetzung oder in zweisprachigen Ausgaben. Sitz des Verlags war bis 2010 Schweden, seit 2011 befindet sich der Verlag in Berlin.

2016 erschien Remco Camperts Roman Hôtel du Nord, übersetzt von Marianne Holberg. Im Sommer 2023 erscheint Camperts Gedichtband Offene Augen, ebenfalls übersetzt von Marianne Holberg.

« Oudere berichten Recent Entries »