Andreas Maier leest voor uit zijn nieuwe roman

Vanavond was ik aanwezig bij de lezing van de Duitse schrijver Andreas Maier in het Brechthaus in Berlijn-Mitte. Andreas Maier ken ik pas sinds een paar jaar, omdat hij een column schrijft in de literaire krant VOLLTEXT, waar ik een abonnement op heb en waarover ik een artikel heb geschreven dat in maart in Kunsttijdschrift Vlaanderen verschijnt.

Vanavond las de in 1967 in Hessen geboren schrijver voor uit zijn laatste roman „Die Strasse“. Dit boek gaat over zijn kinderjaren in Wetteraukreis, een Landkreis in de Duitse deelstaat Hessen.  Hiervóór schreef hij in “Das Zimmer” en “Das Haus” ook al over de eerste levensjaren van het hoofdpersonage Andreas. De auteur bevestigde vanavond dat hij een cyclus van elf boeken voor ogen heeft over zijn kinderenjaren in dat gebied. Het volgende boek heet “Der Ort” (de plaats/stad/dorp), het voorlaatste boek “Der Teufel” (de duivel) en het laatste boek “Mein lieber Gott” (mijn lieve God).

Al aan het begin van de avond neemt de presentator en tevens literatuurrecencent bij Tagesspiegel Gerrit Bartels het woord kindermisbruik in de mond. Immers, in het boek “Die Strasse” lezen we dat de 9-jarige Andreas vaak lang met zijn moeder in bed ligt en haar rug en armen streelt. Maier vond kindermisbruik een woord van de moderne tijd, daar kon hij niets mee. Ik heb het boek gelezen en las tussen de regels veel kindermisbruik, ook al kan de auteur niets met het woord. In mijn ogen is kindermisbruik niet alleen gebonden aan seksuele handelingen. De oom of opa die nog kusjes opeist of de bijna volwassen dochter die nog op schoot moet komen zitten, het zijn gebeurtenissen die tegen kindermisbruik aanschuren.

“Hoe reageerde de familie op het boek”, vroeg Bartels opeens. Maier pareerde direct met een tegenantwoord: “Dat weet je toch?” Oké, die zat. De recensent kon er om lachen, net als de circa 40 aanwezigen. Toch ging Maier op de vraag in en liet weten dat hij geen contact meer heeft met zijn familie. Dat maakte het voor hem ook wat gemakkelijker om erover te schrijven, lichtte hij toe. Met zijn moeder had hij vooral problemen, omdat zij per se schrijfster wilde worden en niet verwachtte dat Andreas schrijver werd. “Maar ze schrijft nu dus ook”, legde Maier vanavond uit. “Ze geeft haar eigen boeken uit.”

De hoofdmoot van de avond bestond uit het voorlezen uit “Die Strasse”. Een boek wat vlot leest en dat met mooie voorbeelden illustreert hoe kinderen in het Duitsland van de jaren ’80 opgroeien en omgaan met seksualiteit. Andreas wist pas op zijn zesde dat hij een jongetje was en dat een jongetje anders is dan een meisje. Hij beschrijft het zelf wat fraaier maar hij geeft hiermee aan dat hij zich als kind lange tijd niet realiseerde dat jongens en meisjes van elkaar verschillen. Vanavond lichtte hij toe dat hij zijn drie jaar oudere zusje daarvoor wel naakt gezien moet hebben als ze bijvoorbeeld in bad zaten maar dat het verschil niet echt tot hem doordrong. Totdat een vriendje hem vertelde dat een jongen die zich uitkleedt er anders uitziet dan een meisje dat zich uitkleedt. Maier schrijft vanuit het perspectief van de kleine Andreas, die het leven om hem heen vol verbazing en met de nodige afstand gadeslaat. Ik citeer even een stukje uit de recensie van Frankfurter Allgemeine Zeitung:

“Maier klaagt nooit, hij oordeelt nauwelijks. Met een verhalend plezier en weinig schaamte kruipt hij onder die Duitse stoffige deken (van de bekrompen burgerman) en beschrijft gewoon heel duidelijk, zeer onverbloemd, zeer grappig, hoe voor de jongen alles permanent raadselachtig is. Als “geheimdragers” gebruiken de drie jaar oudere zus en haar vriendinnen hem bij het doktertje spelen. Het kleine broertje moet “dat andere” laten zien, terwijl hij zelf nog zorgeloos met het buurmeisje speelt, zonder “van dat andere” überhaupt iets af te weten. Dan zijn ze voor hem opeens ook herkenbaar te onderscheiden, “de twee geslachten”, en hij scandeert voor de eerste keer monter en luid het woord “neuken”(“ficken”) tijdens het fietsen, diep in gedachten zichzelf vergetend en gelukkig over het nieuwe verklaarbare woord. Voor de beschaamde lezers zal bij Maiers onverbloemde vocabulaire vermoedelijk een grens zijn bereikt.”

Maiers columns in VOLLTEXT behoren tot mijn favoriete teksten. “Die Strasse” heb ik met plezier gelezen. Vanmiddag heb ik de eerste twee boeken uit de cyclus uit de bibliotheek gehaald, omdat Andreas Maier voor mij een nieuwe ontdekking is. Of zijn cyclus ook echt elf delen zullen beslaan, dat ligt niet honderd procent vast. Vanavond vertelde hij dat het idee spontaan ontstond en hij binnen enkele minuten de elf titels op papier had. Hij is zeker van plan om de elf delen ook te schrijven, maar gaf wel aan dat hij het zichzelf niet gemakkelijk heeft gemaakt. Ik blijf hem volgen en bericht een volgende keer graag weer eens over hem op dit blog.

Andreas Maier op Wikipedia

Schrijversagina bij uitgeverij Suhrkamp

Kevin Kuhn leest uit debuutroman in Brechthaus Berlin

Schrijver Kevin Kuhn en literatuurcritica Wiebke Porombka

Schrijver Kevin Kuhn en literatuurcritica Wiebke Porombka

Altijd ben ik weer verbaasd hoe weinig belangstelling er is voor lezingen van schrijvers. Natuurlijk hangt de opkomst samen met de bekendheid van de auteur. Een Günter Grass zal meer publiek trekken, zeker nu, dan een debuterende auteur zoals Kevin Kuhn met zijn romandebuut „Hikikomori“. Een kwartier voor aanvang van zijn lezing in het Brechthaus in Berlijn zat ik gisteravond samen met nog drie andere personen in het zaaltje en vreesde het ergste voor de auteur. Gelukkig vulde de ruimte zich kort voor aanvang nog tot circa 20 personen. Niet echt veel animo, terwijl de FAZ (Frankfurter Allgemeine Zeitung) vorig jaar positief over het boek berichtte: “En zo ontstond uit een gewaagd experiment een debuutroman van een verbazingwekkend zekere intensiteit.”

Kuhn las deze avond in Berlijn veel voor uit zijn eerste boek “Hikikomori”. Hierdoor bleef er helaas weinig tijd over voor een gesprek tussen hem en de literatuurcritica Wiebke Porombka. Een uitgebreid bericht over de debuutroman schrijf ik overigens op een later tijdstip, omdat ik deze avond tegen mijn gewoonte in een lezing bezocht zonder eerst het boek gelezen te hebben. De aankondiging van de boekpresentatie las ik vlak voor het optreden en dus moet ik nu noodgedwongen het boek later lezen. Ik geef de tijd maar weer eens de schuld.  Natuurlijk hebben de cultuurjournalisten in Duitsland het boek al lang gelezen en er één en ander over geschreven. Bijvoorbeeld dat het verhaal over een 21-jarige jongen gaat, die zich na de middelbare schooltijd thuis bij zijn ouders op zijn kamer opsluit en zich geheel afzondert van de wereld. In Japan is dit een gebruikelijk fenomeen onder adolescenten. Men noemt het Hikikomori, waarmee de titel van de debuutroman meteen is verklaard.

De hoofdpersoon Till neemt na verloop van tijd een exotisch dier op zijn kamer, een vreemd dier dat hij via internet in Mexico heeft gekocht. Dit dier verandert op den duur in een soort monster. Dit gedeelte doet natuurlijk erg sterk denken aan “Die Verwandlung” van Franz Kafka.  Kuhn vertelde gisteravond dat hij “Die Verwandlung”meermaals heeft gelezen en dat hij dit stuk met opzet zo had geschreven, als een soort hommage aan Kafka.  Zo laat hij in zijn verhaal ook zo nu en dan wagens met loeiende sirenes over straat rijden, iets dat in Kafka’s verhalen ook vaak gebeurt. Bij Kafka sterft de hoofdpersoon Gregor Samsa uiteindelijk. Hoe het met hoofdpersoon Till in “Hikikomori” afloopt, dat wilde Kuhn niet verraden. “Als je het boek positief leest, dan eindigt het ook positief”, is alles wat hij erover kwijt wilde.

Nu maak ik een bruggetje, want het toeval wil, dat ik ruim twee jaar geleden een avond in het Goethe Institut in Amsterdam bezocht, die in het teken stond van het boek “De gedaanteverwisseling” (Die Verwandlung). Destijds had ik nog geen blog, nu wel. En een blog lijkt mij een geschikte plek om een dergelijke tekst alsnog te parkeren. Daarom volgt hier het verslag van die avond, voor alle mensen die er destijds niet bij waren. Aan het woord kwamen Kafka-vertaler Willem van Toorn, schrijver/bioloog Midas Dekkers, NRC-Handelsblad redacteur en columnist Frits Abrahams en Cor de Back van de Stichting Nederlandse Kafka-kring.

Kafka lezing foto

Willem van Toorn (l) en Cor de Back.

Dinsdag 12 oktober 2010, Goethe-Institut Amsterdam

In een uitverkochte bovenzaal van het Goethe-Institut stonden het boek  De gedaanteverwisseling” en de schrijver “Frans Kafka” deze avond centraal. Cor de Back, voorzitter van de Stichting Nederlandse Kafka-kring, noemt Kafka één van de belangrijkste schrijvers in de wereldliteratuur. De Franse schrijver Gustav Flaubert ziet hij als een bloedverwant van de schrijver die vooral bekend werd door zijn romans “Het Proces” en “Het Slot”. Daarnaast valt de naam van de Deense filosoof Kierkegaard meermaals als inspiratiebron voor Kafka. Nu we toch namen aan het noemen zijn: volgens Cor de Back las Kafka graag de werken van Dostojewski en Shakespeare. Als ook Goethe en Kleist de revue hebben gepasseerd, eindigt De Back met  een opsomming van Nederlandse schrijvers, die volgens hem beïnvloed waren door Kafka. Hij noemt onder andere Bordewijk, Hermans en Willem Brakman.

Frits Abrahams, columnist en redacteur bij NRC-Handelsblad, begint zijn betoog met het noemen van de boeken die over Kafka zijn geschreven zoals de biografie van Max Brod. Daarna memoreert hij aan de Tsjechische auteur Gustav Janouch, die in 1949 het boek “Gesprekken met Kafka” schreef. Abrahams legt uit dat Janouch veel met Kafka had gesproken, maar dat hij twijfelt aan de authenticiteit van het boekje dat Janouch in 1949 schreef. Frits Abrahams vertelt dat hij ook de brieven van Kafka heeft gelezen en dat daaruit in zijn ogen een beeld ontstaat van een gekwelde persoon die gebukt gaat onder de nodige problemen in relaties met vrouwen. Hij noemt de vrouwen met wie Kafka kortstondige relaties onderhield. Dora Diamant ziet hij als de vrouw met wie Kafka de innigste band had. Frits Abrahams eindigt zijn betoog met het thema seksualiteit. Franz Kafka zou volgens hem geregeld prostituees bezocht hebben. In een van de boeken over Kafka wordt geschreven over de vondst van pornografische tekeningen. Die zijn inderdaad gevonden maar vandaag de dag zouden die tekeningen eerder als karikaturaal bestempeld worden.

Dan is het woord aan de bioloog en schrijver Midas Dekkers, die zijn verhaal begint met de vraag of niet iedereen wel eens iemand anders zou willen zijn. Op humoristische wijze legt de bekende bioloog uit dat we, als we ’s ochtends opstaan, al zijn veranderd in vergelijking met de persoon die we overdag waren. Vervolgens noemt hij de rups, die na verloop van tijd ineens geen rups meer is. Het publiek lacht, de toon is gezet. Midas Dekkers gaat over naar het boek “Die Verwandlung”.  Hij noemt de eerste beroemde zin, waarin Gregor Samsa “zu einem ungeheueren Ungeziefer verwandelt“.  Het woord „Ungeziefer“ is door vele vertalers op uiteenlopende manieren vertaald. Kever, kakkerlak, ondier. De juiste vertaling is ongedierte, dus zoiets als een kever of een kakkerlak.

Dekkers neemt het publiek mee op de zoektocht naar het soort dier dat Franz Kafka beschrijft. “Een insect heeft zes poten, dat hebben we allemaal op school geleerd“, vertelt hij. Aangezien de hoofdpersoon problemen heeft met de vele poten, sluit hij een insect uit. Dekkers sluit vervolgens ook de duizendpoot of de honderdpoot uit, omdat die een andere vorm hebben dan in het boek beschreven staat. Na veel grappige uiteenzettingen rest voor Midas Dekkers maar één conclusie: Gregor Samsa was veranderd in een pissebed. Hij verdedigt zijn vondst met drie punten:

1) Met de breedte van de pissebed paste hij onder de canapé
2) Hij wordt dikker na het eten. Een kever bijvoorbeeld niet.
3) Hij droogt uit aan het einde van het verhaal.
4) Last van ademhaling hebben is ook typisch voor een pissebed.

Midas Dekkers sluit rondt zijn betoog af door te zeggen dat er zo’n 4.000 soorten pissebedden bestaan. De nieuwe soort, uit het boek van Kafka, doopt hij deze avond met de naam “Rentokillus kafkaensis”

De schrijver en vertaler Willem van Toorn spreekt deze avond over zijn opvattingen van Kafka en hij noemt als eerste de humor doe je volgens hem in zijn boeken terugvindt. “Het lijkt wel of er bij Kafka een verbod op humor geldt,”  vertelt de vertaler. Hij noemt de schrijver K. Schippers, die net als hij ook de lichtheid van Kafka ziet. Sommige scènes lijken precies op scènes uit een slapstick film en Kafka bezocht in zijn tijd vaak de bioscoop, waarin films van Charlie Chaplin draaiden. Van Toorn geeft toe, de schrijfstijl van Franz Kafka is droog, hij schrijft zakelijk over onmogelijke gebeurtenissen. Zo is ook het woord Kafkaiaans ontstaan. Volgens Willem van Toorn was het ook geen gangbaar Duits maar was het wel helder. Een ander opvallend stijlelement noemt hij het feit dat Kafka halverwege een zin opeens een andere wending neemt. Van Toorn refereert ook nog even aan het “Ungeziefer” in de eerste zin. De Britse vertaler Pasley  noemde het een  “monstrous insect”.  Destijds stond Kafka erop dat op het kaft van  het boek “Die Verwandlung” absoluut geen dier afgebeeld mocht worden.

Van Toorn spreekt ook over de gevaren bij vertalingen van Kafka.  Bijvoorbeeld het gevaar dat je als vertaler zaken aan de lezer probeert uit te leggen. De neiging om wonderlijke zinnen glad te strijken. Hij noemt als voorbeeld de zin “Er ging ein Nachtlager suchen” uit “Het Slot”. Volgens Van Toorn gaat het hierbij om een slaapplaats. Een andere vertaling rept over een “onderkomen voor de nacht’. Met deze laatste vertaling was Van Toorn het niet eens. Tenslotte noemt hij de kritiek op zijn vertaling van de zin “auf dem schon langsam gewordenen Schiff” uit het boek “Amerika”.  Hij vertaalde de zin met “het langzaam gewordende schip” en vindt dat nog steeds een juiste vertaling.

Het slotonderdeel van de avond is een podiumdiscussie tussen Willem van Toorn en Cor de Back. Laatstgenoemde daagt de vertaler uit en vraagt waarom hij vindt dat Kafka tot de humoristische schrijvers uit Praag behoort. Van Toorn zegt dat hij in Amerika meer humor ziet dan de meeste andere mensen. In de discussie gaat het ook over de manier van vertalen. Cor de Back noemt Kafka ook wel de “aber” schrijver, omdat hij zo vaak het woordje “aber” gebruikt. Cor de Back vraagt aan Van Toorn hoe hij dat met vertalen doet. Als Kafka zes keer achter elkaar aber schrijft, vertaalt hij dat dan ook zes keer met “maar”? Van Toorn knikt. “IK vertaal wat er staat”,  is zijn stelling.

Er komt een tweede vertaling van “Die Verwandlung”? Waarom? Van Toorn legt uit dat hij de eerste vertaling samen met Gerda Meijerink maakte. Iedere vertaalde een deel. Teruglezend ziet Van Toorn de compromissen in de vertaling. Daarom wil hij er nu eentje helemaal alleen maken. Deze vertaling is inmiddels verschenen (2012).