De trein

shutterstock_201298433In een langzame looppas, het hoofd voorover hellend en de slappe armen langs het lichaam, bewoog de man zich door de grote hal van het Centraal Station in Amsterdam. Zijn brilletje dreigde bij iedere beweging van z’n neus te vallen, maar precies op tijd kon hij dat met z’n rechterhand voorkomen. Met de ogen bijna dichtgeknepen spoedde hij zich naar perron 8. Nerveus liep hij, eenmaal boven op het perron aangekomen, richting de wachtende trein. Maar net voordat hij wilde instappen, viel zijn blik op het bord met daarop het tijdstip van vertrek en de eindbestemming van de trein.

Geschrokken keerde hij terug naar de stationshal. Zonder een moment stil te staan rende hij opnieuw een roltrap op en kwam uiteindelijk op perron 6 terecht. Weer verkeerd. Hij stampvoette. Met een bleek gezicht en wat zweetdruppels op zijn grijze hoofd keerde hij weer terug naar de stationshal. De paniek bij de man nam toe. Wat te doen als hij de laatste trein naar Vleuten miste? Hij bleef een moment staan en keek schichtig om zich heen. Op het bord van perron 11 zag hij dat de laatste trein naar Vleuten om 22:02 uur zou vertrekken. Hij had nog vijftien seconden, maar de afstand naar de trein bedroeg toch zeker wel twintig seconden. Met dan weer een grote, dan weer een kleine pas liep hij als een krampachtige snelwandelaar op de trein af. Hij zag dat de conducteur het fluitje al langzaam naar zijn mond bewoog.  Met zwaaiende armen probeerde hij de aandacht van de conducteur te trekken. De laatste meters vielen hem zwaar.

Hij zag hoe de conducteur inademde. Hij was er bijna. Op het moment van het fluitsignaal sloten automatisch alle deuren, behalve de deur bij de man met de fluit in zijn hand. Vermoeid stond de man oog in oog met de conducteur. Deze had de man al aan zien komen en leek nu zelfs een pas opzij te doen om hem in te laten stappen. Maar dat was schijn, want in plaats daarvan boog de conducteur iets achterover en pakte een bordje, dat de conducteur de nahijgende man voor z’n neus hield. “Dat is nou jammer!”, las de man en zag de lachende conducteur, die zelfs nog zwaaide, langzaam met de laatste trein naar Vleuten vertrekken.

“Godverr…”, brulde de man op het perron. Hij was woedend! Kwaad! Hij sprong op de rails en schreeuwde naar iedereen die het maar horen wilde.”Klote spoorwegen! Klote spoorwegen! Stelletjes godverg…hufters!” Met woeste bewegingen sloeg hij in het wilde weg. Hij trapte woest tegen een goederenwagon. Onderweg raakte hij zo nu en dan een vuilnisbak. “Klote Spoorwegen!” , brulde hij weer, nu in de grote stationshal en sloeg met z’n rechtervuist op een geel vertrektijdenbord. Hij was nog niet helemaal tot rust gekomen. Ook buiten het station, op het Stationsplein, reageerde hij zich nog af. Met enorme kracht trapte hij een leeg bierblikje de lucht in. Het blikje belandde precies in een vuilnisbak. Hij had niet in de gaten dat sommige voorbijgangers voor hem applaudisseerden. “Val allemaal dood!”, schreeuwde hij in de richting van het stationsgebouw. Met pijn in z’n rug en een neergeslagen hoofd betrad hij het eerste café dat hij op weg naar het centrum tegenkwam. Hij voelde dat hij een paar borrels nodig had om zichzelf een beetje te kunnen bedaren.

  • U ziet er moe en verward uit, mijnheer.
  • Ja, die klo.. de laatste trein…Vleuten. Als ik die…als ik… Doet u maar een jonge. Ik moet even tot rust komen.  (Waarom laat de schrijver de barman niet een borrel voor mij inschenken, dat is toch veel gebruikelijker, dacht hij nog)
  • Een jonge, alstublieft.
  • Vul nog maar een keer. Ik stuur de rekening naar de klote spoorwegen. Schoften zijn het, mijnheer. Brutale, onbeschofte schoften.
  • Ach ja, mijnheer. De trein rijdt of de trein rijdt niet.
  • Gr…

(RADIO)
“En dan onderbreken we deze uitzending voor een belangrijk bericht dat ons zojuist heeft bereikt. Het ANP meldt ons dat op het treintraject Amsterdam – Utrecht, in de buurt van Vleuten, een trein is ontspoord en vervolgens het Amsterdam-Rijnkanaal ingereden is. Het zou hier gaan om de laatste trein die uit Amsterdam richting Vleuten vertrok. Om twee minuten over tien, hoor ik zojuist. Volgens de laatste gegevens zouden er geen overlevenden zijn, omdat de deuren vergrendeld bleven. Wij houden u op de hoogte zodra we meer weten.”

De man in het café keek geschrokken en verbaasd.
– De laatste trein naar Vleuten…geen overlevenden?! Barman! Hier, pak aan. Tweehonderd gulden. Iedereen hier, neem wat te drinken. En hier…nog eens vijfhonderd gulden. Kan ik daar twee flessen jenever voor krijgen? Meenemen. De verbaasde barman keek naar het geld en gaf de man vier flessen gekoelde jenever.
– Veel plezier allemaal!!

Brullend en drinkend verliet de man het café.
“Leve de spoorwegen!” Met het gezicht recht omhoog, alsof hij een soort God aanbad, danste hij richting een bekend plein in de hoofdstad, de Dam.
“Leve de conducteurs en de spoorwegen!””  Al schreeuwend bereikte hij de Dam. “Treinen, treinen…tsjoeku, tsjoeku,tsjoeku!” Al tsjoeku, tsjoeku, tsjoekund liep hij in de rondte. “Instappen, we gaan! Treinen, joohoo! Omstanders, en met name de buitenlandse toeristen, vonden de act van de man wel bewonderenswaardig. Een nogal dikke Amerikaanse vrouw zette zelfs haar dochtertje op de rug van de man, die zich nu met gebogen rug en op handen en voeten voortbewoog. Een dikke Amerikaanse man, de vader van het meisje, liep vrolijk met de videocamera rond om het schouwspel vast te leggen.

Later die avond viel de man op de Dam in slaap. Hij had twee flessen jenever opgedronken. Beneveld van de drank en de vele inspanningen droomde hij over allemaal treinen waar hij niet in zat. Allemaal treinen die de brug af reden, tegen andere treinen botsten of zomaar in brand vlogen. De volgende dag liep hij met slingerende bewegingen en een kromme rug richting het station. In de grote hal zakte hij op z’n knieën en betuigde de spoorwegen grote dank. Hij besloot de rest van zijn leven op het station door te brengen en nooit meer te vertrekken. Uit dankbaarheid.

(Dit verhaal verscheen eerder in het maandblad MUG)

Het oranjegevoel

Dit is het slot van het verhaal “Afscheid van Michael B”, dat in het zomernummer deze pagina sierde. De ik-persoon beschrijft daarin hoe zijn vriendschap met de gefortuneerde Michael teloor gaat. Terwijl de ik-figuur moet sappelen, leeft Michael in grote weelde. Als hij Els ontmoet, een jonge caféhoudster met wie hij een verhouding krijgt, ziet hij in dat Michael niet meer in zijn leven past. In “Het Oranje Gevoel” ontmoeten de ik-figuur en Michael elkaar voor het laatst.

Het beeld van Michael Blauw is misschien nog niet helemaal duidelijk.  Om dat te verhelpen spring ik over naar het meer recente verleden.
Laatst kregen we onverwacht een bericht van Michael Blauw. Verbaasd las ik zijn naam op de enveloppe. Ruim vier jaar alweer wonen Els en ik nu samen op onze zolderetage. Om van Michael af te komen, hadden we hem geen adreswijziging gestuurd. Tot nu toe was die opzet geslaagd. Mijn verbazing steeg toen ik de inhoud las:
“Ha, die Alex en Els. Uiteindelijk toch jullie adres kunnen achterhalen. Op 19 mei vindt ten huize van mijzelf een buitengewone opening plaats van mijn eerste echte expositie. Die opening gaat gepaard met een uitgebreid diner en aansluitend een bruisend feest.
Op deze avond vindt ook de finale van het EK voetbal. Nederland – Rusland, plaats. Voor de voetballiefhebbers is het zeker de moeite waard om te komen. Je kunt de finale hier prima volgen. Ik hoop jullie op 19 mei te zien.
Met vriendelijke groeten, Michael Blauw
P.S. Oranje kleding gewenst.”
De uitnodiging zag er zeer verzorgd uit en het lijstje met genodigden was indrukwekkend. Met open mond las ik de namen van de schrijvers, filmers, politici en bekende directeuren van grote bedrijven. Michael presenteerde zich als een groot kunstenaar. Els reageerde nogal koeltjes op de brief.
‘Geld is macht.’
Ik beaamde dit. Het kon niet anders of Michael gebruikte zijn geërfde vermogen voor het promoten van zijn kunst.
En zo, toch wel nieuwsgierig naar de kunsten van Michael, vertrokken we naar landhuis Oranjevreugd, gelegen in de duinen nabij het statige Den Haag. Vanaf het Centraal Station lieten we ons per taxi naar onze bestemming brengen. Els droeg een korte zwarte rok met zwarte panty’s en had haar pumps oranje geverfd. Ik had voor de gelegenheid een oranje trui aangetrokken.
Met de armen veilig om elkaar schouders liepen we op het enorme huis af.
‘Volgens mij wordt het een decadente …’
Ik zweeg. De voordeur zwaaide open en wij knepen elkaar tegelijkertijd in de schouder. We stonden oog in oog met de gastheer. Een dikke man in een keurig oranje pak, gelakte zwarte schoenen en een donkerblauwe hoed met pluim. Michael zag er moe uit.
‘Alex, jongen. Dag Els. Fijn dat jullie gekomen zijn.’
Hij gaf me een stevige hand en kuste Els voorzichtig op de rug van haar hand.
‘Madame,’ zei hij zacht.
Michael sloeg zijn armen om ons heen. We liepen door de enorme toegangshal. Op ooghoogte hingen heel veel televisies.
‘Een deel van mijn kunstwerk,’ vertelde Michael trots. Als een echte gastheer ging hij ons voor naar een grote serre met geopende, hoge deuren, die toegang gaven tot het terras. Ook in de serre waren overal beeldschermen opgesteld. Zelfs tegen het plafond waren televisies gemonteerd.
‘Ik hoop dat je van voetbal houdt,’ lachte Michael en hij bood ons een glas champagne aan.
‘Tuurlijk,’ zei ik en nam een flinke slok.
‘Excuseer me, maar ik moet even in de keuken kijken,’ zei Michael en hij verdween tussen zijn vele gasten. Behalve televisietoestellen hingen er enorme schilderijen van mismaakte mensen in felle kleuren aan de wand, allemaal gesigneerd door Michael B.
‘Alex, vind je dit mooi?,’ vroeg Els.
Ik dronk mijn glas leeg.
‘Nee.’

‘Alex. Hoe gaat ie nou?’
‘Boris, tijd geleden, man. Mooi boekje heb je laten uitgeven over het Oranjehuis.’
‘Dank je, Alex. Trouwens, mag ik je voorstellen aan mijn vrouw Jolanda.’
‘Aangenaam, Alex.’
‘Jij schrijft toch ook, Alex,’ giechelde ze. Jolanda zag er net zo uitdagend uit als de meeste andere dames. Een oranje panty, een kort zwart leren broekje en een blouse waar haar tepels bijna doorheen priemden.
Na de kennismaking met Jolanda belandde ik even later op het terras. Ik raakte in gesprek met een Rotterdamse schrijver. Els liep een oude klant van Ronduit Vierkant tegen het lijf. Na een half uurtje luidde de gong voor het avondmaal. Els en ik volgden de andere gasten naar de eetzaal en lieten ons de voorgeschotelde gerechten en de bijbehorende wijnen goed smaken.
‘Hallo, hier ben ik, op televisie. Mag ik even jullie aandacht. Het is nu acht uur. Over een kwartier begint er een voetbalwedstrijd en wel de finale tussen Nederland en Rusland. Om het eten even te laten zakken, om even van de maaltijd te bekomen, zal er zo koffie met cognac en likeur geserveerd worden.’
Michaels stem klonk uit de verte, alsof hij ons per satelliet te woord stond. Els en ik luisterden aandachtig naar wat hij zijn gasten nog meer te zeggen had.
‘Vanaf de oranje banken in de serre is de finale het best te volgen. Ik heb ze zo neergezet dat je geen seconde zonder beeld zit, welke kant je ook opkijkt. Maar voor de mensen die niet zo van voetbal houden, wordt op een aantal televisies een prikkelende speelfilm vertoond zonder geluid. Maar ook zonder geluid is die film prima te volgen. Na de rust, om kwart over negen, zal ik weer aanwezig zijn om de laatste 45 minuten van het voetbalspektakel samen met jullie te kijken. Veel plezier!!’
Alle beeldschermen vertoonden nu een zwart beeld. Michael was niet meer te zien. Samen met de andere gasten verlieten Els en ik met een goed gevulde mag de eetzaal, op weg naar een van de oranje banken. Els liet zich zuchtend op een oranje zitmeubel neerploffen. Ze sloeg haar arm om me heen. Daar zaten we dan in het huis van Michael Blauw.
‘Wat dacht je daar van?,’ vroeg ik en wees naar een zijdeur van de serre. We zagen de binnenkomst van een groep jongemannen, gekleed in enkel een oranje slip. Ze werden op de voet gevolgd door een groep dames, die behalve een oranje slip ook nog een oranje beha droegen. De mannen serveerden dampende kopjes koffie, de dames gingen rond met glaasjes likeur en cognac. We pakten allebei een glas cognac.
‘Op de goede afloop,’ zei Els. We stootten onze glazen tegen elkaar.
‘De goede afloop van wat?,’ vroeg ik.
‘Van alles.’
We namen een slok.
De eerste helft van de wedstrijd was begonnen. Iedereen keek gespannen naar het spel van beide partijen. Zo nu en dan hoorde je mensen roepen na een gemiste kans. Ook ik kon enige kreten niet onderdrukken.
‘Buitenspel!! Scheids!!.’

De eerste helft zat erop. Michael wandelde glunderend door het feestelijk aangeklede vertrek en maakte zo nu en dan een praatje met zijn gasten.
‘Alex, vermaak je je een beetje?’ Ik knikte.
‘Zeker, wat dacht je. Maar Michael, die tafel daar verderop. Wat is dat? Wat doen die mensen daar?’
‘Oh, dat is een tafel met een spiegelplaat. Michael duwde met een wijsvinger tegen zijn neus en snoof veelzeggend.
‘Ga gerust je gang’, zei hij vriendelijk en gaf me een schouderklopje.
‘Lijntje, Els?’, vroeg ik.
‘Ja, waarom niet. Zal wel goed spul zijn, tenminste, dat neem ik aan.’
We liepen naar de spiegeltafel, die bedekt was met een stuk of dertig lijntjes cocaïne. Niet niezen, hoorde ik Jolanda, de vriendin van Boris, zeggen. Ze keek me met wijd opengesperde ogen aan.
‘Ik zou niet durven,’ antwoordde ik.
‘Een stukje pijpleiding, alstublieft.’ Michael overhandigde me een goudkleurig buisje. Ik stopte een uiteinde in een neusgat, boog voorover naar een lijntje en snoof. Els deed hetzelfde.

De tweede helft begon. De schaars geklede bedienden mengden zich nu ook in het gezelschap.
‘Koud bier, koud bier.’
Michael danste achter een soort Italiaans  ijskarretje met daarin allerlei flessen drank.
‘De juiste temperatuur, de juiste glazen,’ riep hij als een koopman.
‘Applaus voor de gastheer!,’ brulde een dik, bijna uit zijn overhemd barstend mannetje. Iedereen klapte.
‘We gaan winnen! Afgeven, nu…nu!!! Ja, ja..jaaa….schieten!!’
Niet alleen ik, maar bijna alle gasten leefden met de wedstrijd mee. In de eerste helft kwam Nederland al op een 1-0 voorsprong. Maar nu was het Van Basten, die …”ja, ja, jaaaaa!!” Ik sprong op en zoende Els op haar mond. Zingend, dansend en schreeuwend bewogen de gasten zich door de kamer. Michael gooide zelfs z’n glas achterover en trok bij een van zijn bedienden de slip naar beneden.
‘Ja, ja, jaaaa’ schreeuwde hij en zwaaide met het oranje slipje in het rond. Sommige dames gilden het uit. Michael had het ijs (en z’n glas) gebroken. Na de wedstrijd barstte het feest echt los.
‘Oooh, wat is dat toch heerlijk,’ zei een al wat grijze man die met een glas in z’n ene hand en een sigaar in z’n andere hand tegen een pilaar leunde. Een van de in het oranje gestoken serveersters maakte zijn broek los. De man, een directeur van een bekende speelgoedfabriek, sloot zijn ogen en aaide het meisje goedkeurend over haar bol.
Michael lag met de vrouw van een minister op de bank. Hij woelde met z’n hand onder haar korte rokje, trok haar slipje omlaag en verdween met zijn tong tussen haar benen. De minister zelf lag op de marmeren vloer en zocht iets in het broekje van een der bedienden.
Het feest ging over in een orgie en ik wilde weg. Els blijkbaar ook, want ik zag haar met een glas wodka in een hoekje van de kamer zitten. Ze staarde wezenloos voor zich uit. Uit de luidsprekers klonk het opzwepende gehijg van een opgewonden zangeres. De serre was omgetoverd in een bordeel. Ik liep naar Els toe.
‘Kom, gaan we naar het strand.’
‘Goed idee,’ zei ze. ‘Hij had wel mogen zeggen wat ie van plan was, die smeerlap.’
Ik trok haar overeind en we liepen dwars door het feestgedruis de serre uit.
‘Wacht even,’ riep ik en pakte nog wat flessen drank uit de koelwagen. Op het strand moet je toch wat te drinken bij je hebben. Hier, pak aan.’
Els ving de volle fles whisky.
In de hal ontmoetten we een dronken portier. Hij trok de zware deur voor ons open, maakte een buiging en viel vervolgens voorover. Opeens barstten we in een enorme lachbui uit. Eindelijk hadden we even echt lol, voor de eerste keer deze avond. Met betraande ogen van het lachen trok ik de deur achter ons dicht.
‘Even door de tuin lopen,’ zei Els.
‘Misschien zien we Michael nog.’
Opgelucht holden we naar het terras.
‘Kijk, daar staat ie!’
Els wees naar de beslagen deur van de salon. Michael had ons blijkbaar weg zien gaan en nu stond hij achter een deur naar ons te zwaaien. Het was een triest gezicht om de opgeblazen en uitgetelde Michael daar zo te zien staan. Door het vocht op de glazen deur leek het wel of hij huilde. Wist hij dat wij niet meer terug zouden keren? Of was hij zo dronken dat ie niet eens wist naar wie hij zwaaide? Ik zal het nooit weten, want wij hebben sindsdien nooit meer iets van Michael Blauw vernomen.

Dit verhaal verscheen eerder (1994) als feuilleton in De Mug, het maandblad voor uitkeringsgerechtigden in Amsterdam.