De taal is een levend organisme

De taal is een levend organisme, een systematisch stelsel van verschillende onderdelen met een bepaald doel. Het menselijk lichaam is eveneens een levend organisme, maar dat is niet de enige overeenkomst die ons lichaam met de taal heeft. In de lijst hieronder staan 1.292 spreekwoorden, gezegden en uitdrukkingen waarin een lichaamsdeel voorkomt. Bij het samenstellen van de lijst heb ik in tal van woordenboeken en spreekwoordenboeken uitsluitend op de lichaamsdelen gelet. Dat leverde soms wat verwarring op, omdat bepaalde woorden meerdere betekenissen hebben. Een bot is behalve een lichaamsdeel ook een vissoort. Arm is ‘niet rijk’ én natuurlijk ook een lichaamsdeel. Deze woorden heb ik wel opgenomen in de lijst maar enkel met de betekenis van een  lichaamsdeel. De uitdrukking ‘Heel wat voeten in de aarde hebben’ staat wel in het boekje, terwijl de voet hier niet als lichaamsdeel, maar als oude lengtemaat wordt gebruikt. Die lengtemaat is echter afgeleid van het lichaamsdeel en dus heb ik de uitdrukking om die reden opgenomen. Het blijft echter lastig om dit soort grenzen te trekken. Dat geldt ook voor de hoeveelheid spreekwoorden en uitdrukkingen. Ik heb me bij het zoeken beperkt tot de belangrijkste standaardwerken op het gebied van spreekwoorden en gezegdes.

De geraadpleegde bronnen
Bij het zoeken maakte ik veel gebruik van de spreekwoordenboeken van F.A. Stoett, Huizinga en Harrebomée. Dit zijn de grote namen in de Nederlandse Letterkunde als het om spreekwoorden en uitdrukkingen gaat. Naast deze wetenschappelijke boeken zijn er talloze andere boekjes met spreekwoorden en uitdrukkingen op de markt zoals bijvoorbeeld boekjes met Friese uitdrukkingen, Groningse, Amsterdamse, Brabantse, etc. etc.

Behalve de spreekwoordenboeken heb ik ook het W.N.T. (Woordenboek der Nederlandse Taal) geraadpleegd. Daarin wordt vaak verwezen naar Stoett en Harrebommée, die meer uitleg geven bij een spreekwoord dan ik doe in mijn opsomming. Zo las ik bijvoorbeeld iets over het woord ‘leveren’. In de 17e eeuw was het zeer gebruikelijk dat men bij vrolijke maaltijden een stukje lever rondgaf, waarbij iedere aanzittende een rijmpje moest maken waarin het woord lever voorkwam: dit spel heette leveren. Niet zelden werden daarbij obscene toespelingen en woordspelingen gemaakt.

Lees verder

Advertenties

Een spreekwoord, een waar woord (2/2)

proIn 1996 stelde ik een boekje samen met meer dan 1.200 spreekwoorden en gezegden waarin een lichaamsdeel voorkomt. Het is nooit een boekje geworden, omdat de uitgevers er geen brood in zagen. Wie weet verschijnt het ooit nog eens op de markt. Destijds woonde ik in Amsterdam en bezocht de gerenommeerde taalkundige Dr. Riemer Reinsma om hem het een en ander over de spreekwoorden en gezegden te vragen. Daarna schreef ik onderstaand artikel, dat vandaag zijn primeur op internet beleeft.

Als het even echt goed misgaat, dan is het ‘Even Apeldoorn bellen’. Of als je suiker in iemands koffie doet en hij blijkt geen suiker te gebruiken, dan is het ‘Foutje, bedankt’. Het is voor bijna iedereen duidelijk wat er met die uitdrukkingen bedoeld wordt. Maar als je vandaag de dag zegt “wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in”, dan klinkt dat nogal ouderwets. Alsof je nog in grootvaders tijd leeft. Wat je soms wel hoort is de verkorte versie. Dan vinden we het te maf om het spreekwoord helemaal uit te spreken. Wie een kuil graaft, punt. Dat kàn betekenen dat het spreekwoord halverwege het stervingsproces is. Maar het kan ook zijn dat het een nieuwe versie wordt.

Spreekwoorden en uitdrukkingen: het verschil
Spreekwoorden zijn complete zinnen die een algemene wijsheid uitdrukken. Ze zijn onveranderbaar. Je kunt niks vervangen of toevoegen. Verder kun je het werkwoord niet in het meervoud zetten. Een werkwoord is trouwens niet altijd een vereiste bij een spreekwoord. “Beter een half ei dan een lege dop” is hiervan een voorbeeld.

Uitdrukkingen zijn voor een deel onveranderlijk, maar er is wel iets aan te veranderen. Je kunt zeggen “het loopt de spuigaten uit”, maar ook “het liep de spuigaten uit”. Bij de uitdrukking “tuk zijn op” kun je na het voorzetsel van alles invullen. Tuk zijn op de buurvrouw, op de koningin, op een collega van het werk, etc. Voor spreuken gelden weer andere criteria. Weerspreuken bevatten bijvoorbeeld geen morele waarheden. Het zijn niets anders dan uitspraken over het weer. Bijvoorbeeld ‘Maart roert staart.’

Die indeling in spreekwoorden, gezegden en spreuken is op zich niet zo interessant. Het is niets anders dan een etiket plakken op iets. Je kunt het vergelijken met het geven van een naam aan een plant, maar verder niet weten hoe die plant in elkaar zit. Daarom worden spreekwoorden, zegswijzen en spreuken vaak een beetje door elkaar gebruikt.

Het ontstaan van een spreekwoorden en uitdrukkingen
Hoe ontstaat een spreekwoord of een uitdrukking? Een specialist op het gebied van spreekwoorden en uitdrukkingen is Dr. Riemer Reinsma. Hij is vooral een woordenboekenmaker. In het taaltijdschrift Onze Taal schrijft hij stukken voor de taalkalender over spreekwoorden en uitdrukkingen. Verder schreef hij een neologismenwoordenboek, een synoniemenwoordenboek en publiceerde hij over eufemismen, spreekwoorden en uitdrukkingen. Hoe ontstaat volgens hem een spreekwoord? “Een spreekwoord ontstaat denk ik net als een nieuw woord. Het gaat om een treffende manier van uitdrukken. En dat kan iedereen op een gegeven moment presteren. Iedereen kan in het vuur van zijn betoog iets mooi uitdrukken. Niet op een literaire manier, maar op een mooie manier, zodat het beklijft. En er is dan een kans dat dat verder gedragen wordt door toehoorders.”

Naar het ontstaan van spreekwoorden is tot nu toe weinig onderzoek gedaan. Het is natuurlijk ook moeilijk om iemand te ‘betrappen’ op het uitspreken van een mogelijk spreekwoord. Reinsma: “Als je het wetenschappelijk zou willen onderzoeken, dan zou je een bandopname moeten maken van alles wat er op een dag gezegd wordt in jouw omgeving. Dan heb je nog maar een heel klein stukje van de taalwerkelijkheid. En dan kijken wat er een jaar later van geworden is. Dat is de enige manier waarop ik me kan voorstellen waarop je het zou kunnen onderzoeken, want de ‘dader’ ligt altijd op het kerkhof.”

Het verdwijnen van spreekwoorden
Het gebruik van spreekwoorden en uitdrukkingen lijkt de laatste jaren terug te lopen. Recentelijk gaf een klein onderzoek onder tien leerlingen van een 5-VWO klas opmerkelijke resultaten. De uitdrukking ‘van een koude kermis thuiskomen’ blijkt bijvoorbeeld bij zeven van de tien leerlingen niet bekend te zijn. Maar het spreekwoord ‘als één schaap over de dam is, volgen er meer’ kennen acht van de tien leerlingen wel. Reinsma: “Het leuke van die gegevens is dat je kunt zien, althans, dat denk ik, dat spreekwoorden over het algemeen op hun retour zijn. Maar je kunt ook zien dat het ene spreekwoord nog niet zo ver op weg is als het andere. En als dit onderzoekje bevestigd wordt door andere onderzoeken, dan kun je bijvoorbeeld zeggen dat ‘van de koude kermis thuiskomen’ dichter bij de totale ondergang is dan ‘als één schaap over de dam is, volgen er meer.”

In het algemeen worden spreekwoorden minder gebruikt. Maar uitdrukkingen komen er nog wel bij. Reinsma: “Het kwartje van Kok allitereert en heeft alles van een uitdrukking. Ik denk dat spreekwoorden op hun retour zijn, omdat mensen niet zo erg meer in vaste waarden geloven en je zou zelfs kunnen zeggen dat de ontzuiling er misschien toe heeft bijgedragen. De maatschappelijke ontzuiling, dus vaste normen zijn op de terugtocht.

Spreekwoordenboeken
Hoeveel Nederlandse spreekwoorden en uitdrukkingen zijn er eigenlijk? Als je de spreekwoordenboeken er op naslaat, dan blijken er tienduizenden te zijn. Maar het is de vraag of ze werkelijk bestaan. Want als ze alleen in de boeken staan en door niemand worden gebruikt, dan heb je met een soort spreekwoordenkerkhof van doen. Reinsma: “Ik heb een boekje geschreven over het gebruik van spreekwoorden en uitdrukkingen in andere landen. Het valt me op dat als ik een Duitser confronteer met een Duits spreekwoord, dat hij zegt ‘dat ken ik helemaal niet’. Ja, het staat dan wel in alle Duitse spreekwoordenboeken, maar wat koop je ervoor? Ik vraag me af of we niet een geflatteerd beeld hebben door al die spreekwoordenboeken. Ik heb zelfs de neiging om te zeggen dat ze een eigen leven gaan leiden, los van de taalkundige realiteit. Het is net zoiets als de drie dikke delen van Van Daele, die heel veel woorden bevatten die gewoon niemand meer kent. En die worden toch als Hedendaags Nederlands gepresenteerd.”

Media
‘Omo wast witter’ is een uitdrukking die je niet meer zo vaak hoort. Toch was deze uitdrukking in de tijd dat hij ontstond enorm populair. Vandaag de dag is het Foutje bedankt en Even Apeldoorn bellen. Uitspraken die aanzienlijk meer toehoorders hebben dan in de tijd dat er nog geen televisie was. Je zou verwachten dat door een massamedium als de televisie met zo’n tweehonderd of driehonderdduizend toehoorders, het aantal nieuwe spreekwoorden zou toenemen. Maar toch is dat niet zo. Reinsma: “Ik denk dat de maatschappelijke ontzuiling een ontzettend tegenwicht heeft geboden. Een heel enkele keer komt er een bij, maar het zijn geen wijsheden. ‘Foutje bedankt’ is geen wijsheid. Ik denk dat bepaalde typen het halen. ‘Even Apeldoorn bellen is ook geen volkswijsheid, maar een constatering over een situatie. Vaste zinnetjes die op een bepaalde situatie slaan, situationele spreekwoorden. Die komen er wel bij denk ik.”

Wijsheden
Spreekwoorden bevatten bepaalde wijsheden, bepaalde waarheden. Door het in onbruik raken van de Nederlandse spreekwoorden zou je verwachten dat ook de interesse in de volkswijsheden steeds minder wordt. Interesseren mensen zich nog wel voor de wijsheden als ‘wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in’? Reinsma:” Mensen kennen weliswaar geen spreekwoorden meer, maar ik denk dat daar equivalenten voor in de plaats gekomen zijn, die iedereen individueel gebruikt. Het zou best kunnen dat men vroeger altijd zei ‘wie een kuil graaft voor een ander’ en dat mensen nu zeggen ‘je moet een ander niet flikken wat je zelf niet zou willen’ of zoiets. In minder mooie woorden is het toch dezelfde wijsheid. Het zou best kunnen zijn dat mensen op hun eigen manier formuleren en niet aan dat strakke stramien willen vasthouden. Ik vermoed dat de wijsheid niet perse verloren hoeft te zijn, maar dat de vorm verloren gaat. Het zijn fundamentele wijsheden en ik denk niet dat die één, twee, drie verdwijnen.”

De toekomst
Zoals als eerder gezegd, er is weinig onderzoek gedaan naar het komen en gaan van spreekwoorden en uitdrukkingen. Een klein onderzoekje bij een 5VWO-klas geeft natuurlijk nog geen goed beeld van de huidige stand van zaken. Daarbij moet je ook nog kijken naar de relatie tussen actief en passief gebruik. Het spreekwoord ‘Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen” kennen negen van de tien leerlingen. Reinsma: “Ik kan me voorstellen dat iedereen het spreekwoord kent, maar ik kan me ook voorstellen dat niemand het gebruikt, ooit zegt. De uitdrukking “Er is geen vuiltje aan de lucht” kennen zes leerlingen. Dat wordt misschien vaker gezegd. Wat zit nu dichter bij de ondergang? Het is moeilijk te zeggen, dat moet onderzocht worden.”

Lees ook: een spreekwoord, een waar woord (1/2)

Een spreekwoord, een waar woord (1/2)

spreekwDe Nederlandse spreekwoorden, wie kent ze niet? “Haastige spoed is zelden goed” of “Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens”. Spreekwoorden die we allemaal wel kennen, maar niet meer zo vaak gebruiken.

Driehonderd jaar geleden was dat wel anders. Men citeerde vaak scherpe spreekwoorden om bepaalde menselijke zwakheden aan de kaak te stellen. Als iemand zich aanstelde, dan zei men al snel ‘hij heeft kiespijn achter zijn oor’. De schilder Pieter Brueghel was destijds zo onder de indruk van de spreekwoorden, dat hij ze letterlijk in zijn schilderijen gebruikte. In intellectuele kringen reageerde men geschokt toen een vooraanstaand man als Erasmus (de meest gezaghebbende denker van zijn eeuw) zich met spreekwoorden bezighield. Kortom, de spreekwoorden leefden. Maar hoe staat het er vandaag de dag mee? Een kijkje in het heden en het verleden van de spreekwoorden wereld.

Afgezaagd
Hoe is het rond het jaar 2014 met de spreekwoorden gesteld? Kennen we de wijze woorden uit het verleden nog wel? Om een antwoord op die vraag te vinden, overviel ik op een zaterdagochtend wat willekeurige passanten in het centrum van Hoorn met de vraag “Kunt u mij één of meerdere spreekwoorden noemen?”
“Ja, ik ken ze wel”, antwoordde één van de verkopers achter een marktkraam. Daarna was het even stil. “Jeetje, ja, dat is een goeie..uh”. Na enig gepeins borrelde het eerste spreekwoord op: “Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in.” Meteen noemde hij een tweede. “Het hemd is nader dan de rok.” Na een lang stilzwijgen schoten een paar van zijn vrouwelijke collega’s hem te hulp. “Beter één vogel in hand, dan tien in de lucht. Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel.”

Het onderwerp sloeg aan, want om me heen hoorde ik mensen “haastige spoed is zelden goed” en (nog een keer) “beter één vogel in de hand dan tien in de lucht” roepen. Misschien wel de meest bekende, afgezaagde spreekwoorden, maar toch. De vriendelijke dame van de kaaskraam kwam echter nog met een mooie wijsheid op de proppen: “Waar je ’t meest van hebt te zeggen, daar kom je ’t dichtste bij te leggen.”

Ondertussen had de man die ik als eerste had gevraagd zich op de spreekwoorden geconcentreerd en hij wilde bewijzen dat hij wel degelijk nog een paar spreekwoorden wist. “De appel valt niet ver van de boom. Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten”, zei hij tevreden. Daarna kwamen er bij hem meer en meer spreekwoorden bovendrijven. Eén ding was duidelijk en daar waren alle omstanders het mee eens; je kent ze wel, maar ze moeten van heel ver weg komen. Ik bedankte iedereen voor hun medewerking en besloot nog een paar reacties te verzamelen.

Je bent gek
Vlakbij de Hema overviel ik een ouder echtpaar met dezelfde vraag. De oude man keek alsof hij het in Keulen hoorde donderen. “Je bent gek”, zei hij en lachte zich rot. Zijn vrouw was ondertussen druk bezig een spreekwoord te verzinnen. “Oost, West, Thuis best.” “Dat is al wat”, zei ik. “Zo de waard, zo zijn gasten”, ging ze verder. Ik bedankte het echtpaar en wilde verder lopen. “En de derde heb je ook?”, vroeg de oude man mij nog. “De derde?”, vroeg ik verbaasd. “Je bent gek”, zei hij buikschuddend van het lachen en gaf me een hand. Zonder te vragen stuitte ik in de Hoornse haven op een origineel spreekwoord. Onder de Jongens van Bontekoe las ik op een gedenkplaat de volgende tekst: “Verlaat je schip niet, voordat het onder je bezwijkt.”

Adam piest Eva haar dingetje vol
Op straat vertelden de mensen vaak dezelfde afgezaagde spreekwoorden, terwijl er toch tienduizenden verschillende spreekwoorden bestaan. Je vindt ze in de diverse spreekwoorden- en woordenboeken. Wie echt bijzondere, onbekende spreekwoorden zoekt, is aangewezen op het boekje Je zwam te grabbel gooien. De auteur, professor Peter Hoefnagels, verzamelde spreekwoorden die bijna niemand kent. Om er een paar te noemen: Lange tanden doen de liefde stranden, Wie de puist niet ziet, heeft de ziekte niet en Adam piest Eva haar dingetje vol.

De laatste uitdrukking is een zeemansuitdrukking. Het was een ezelsbruggetje om de namen der wachtdiensten te onthouden. Adam is de achtermiddagwacht van twaalf tot zestien uur. Piest staat voor platvoetwacht van zestien tot twintig uur. Eva staat voor de eerste wacht. Dan heb je van nul tot vier uur de hondewacht, van vier tot acht uur ’s morgens is de dagwacht en van acht tot twaalf is de voormiddagwacht. De betekenis heb ik uit het boekje overgenomen, omdat in het Voorwoord (geschreven door Hugo Battus) geschreven staat dat ‘iedereen die zijn spreekwoorden gebruikt wordt verzocht er altijd het hele verhaaltje bij te vertellen, anders zit ons nageslacht weer met onbegrijplijkheden en vragen als  ‘Waarom barst een kruik die te water gaat?’ en ‘Waarom is éénoog koning?’

Spreekwoorden, uitdrukkingen en zegswijzen
Spreekwoorden worden vaak verward met uitdrukkingen en zegswijzen. Wat zijn nu precies de verschillen? Zegswijzen en uitdrukkingen zijn vaste woordverbindingen om een bepaald begrip uit te drukken. Dat geldt ook voor het spreekwoord, alleen het verschil is dat een spreekwoord altijd een morele uitspraak bevat. Een spreekwoord leert je iets, zegt iets over wat goed en kwaad is. Bijvoorbeeld “De beste stuurlui staan aan wal”; buitenstaanders weten altijd beter hoe iets moet worden aangepakt. Een uitdrukking mist die ‘wijze les’.

Spreuken
De spreuken worden vaak in één adem genoemd met de spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen. Spreuken kun je het beste omschrijven als kernachtige uitspraken met daarin een levenswijsheid of vermaning. Ze hebben vaak een zedelijke of godsdienstige strekking. Denk maar aan het Oude Testament. Daarin wordt uitvoerig over de spreuken van Salamo gesproken.

Een andere categorie spreuken vormen de weerspreuken. Maart roert zijn staart, Aprilletje zoet, geeft nog wel eens een witte hoed, Hoort ge in juni de donder kraken, dan maakt de boer ook goede zaken en Zonder dauw geen regen, heet het in juli allerwegen en ga zo maar door. In het boek Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen van K. ter Laan is een apart hoofdstuk aan de weerspreuken gewijd.

Dan heb je nog de zogenaamde apologische spreuken. Ze zijn vaak zeer komisch. In deze spreuken laat men door iemand anders zeggen, wat men zelf denkt. Daarom worden ze ook wel andermansspreuken genoemd. In Vlaanderen spreekt men van zeispreuken. Een voorbeeld: Haast je niet, ik moet er ook wezen, zei de rover, en hij werd naar de galg geleid. Of Die mooi wil wezen, moet pijn lijden, zei de meid, en zij spelde haar muts aan de oren vast. Ook deze spreuken vind je in het boek van K. Ter Laan terug.

De Bijbel
Spreekwoorden dateren al van heel vroeger. Het gebruik ervan gaat minstens terug tot 3000 v. C., tot de Egyptische wijze, de Ptahhotep. Verder vind je in de bijbel veel teksten die verwijzen naar spreekwoorden. Over ‘iets in hart en nieren zijn ‘ staat in Psalm 7:10 bijvoorbeeld: “Laat de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig Gij de rechtvaardige, Gij, die hart en nieren toetst, rechtvaardige God.” Een bekende Bijbelpassage is die waarin Pilatus de opdracht geeft om Jezus te kruisigen. Het spreekwoord ‘zijn handen in onschuld wassen’ komt hier bijna letterlijk in voor: “Toen Pilatus zag, dat er niets baatte, maar dat er veeleer oproer ontstond, nam hij water, wies zich de handen ten aanschouwen van de schare en zeide: Ik ben onschudig aan zijn bloed; gij moet zelf maar zien, wat er van komt.”

Brueghel
Van de Bijbel naar de zestiende eeuw. In die periode probeerden de schrijvers van de volkstaal de taal gelijkwaardig te maken aan de klassieke (Latijnse) taal. Veel Nederlandse uitdrukkingen en spreekwoorden zijn rechtstreeks vertaald uit het Latijn en diverse Latijnse uitdrukkingen zijn letterlijk in het Nederlands bewaard gebleven. Maar niet alleen schrijvers hielden zich met de taal bezig, ook schilders toonden buitengewone interesse in de taal. Eén van de bekendste schilders uit die tijd was Brueghel. Hij legde het leven van alledag vast op zijn schilderijen. In dat leven barstte het van de spreekwoordelijke situaties. Men beschouwde de mens nog als de schuldige aan alle misstanden in de maatschappij. De mens was een dwaas, een zwakkeling die tijdens zijn leven de ene blunder na de ander maakte en die steeds weer allerlei dwaasheden beging waartegen een reeks van krachtige spreekwoorden hem waarschuwde. De mens werd afgebeeld als iemand die zich knollen voor citroenen liet verkopen, paarlen voor de zwijnen wierp, de put dempte nadat het kalf verdronken was, zich liet leiden door de blinde en probeerde veren te plukken van een kikker.

Beroemd is het schilderij De blauwe huik, waarin Brueghel meer dan honderd spreekwoorden letterlijk in beeld brengt. De titel is ontleend aan de centrale voorstelling in het schilderij; een knappe overspelige vrouw, die haar ontrouw voor haar bedrogen echtgenoot verbergt door hem de blauwe huik om te hangen. Blauw symboliseerde gewoonlijk bedrog of leugen in het Vlaanderen van de zestiende eeuw. Het schilderij laat een wereld zien waarin zich tal van dwaze situaties afspelen. Bijvoorbeeld het zeilscheepje dat een oog in het zeil heeft. Maar je ziet ook de man die geld in het water gooit, iemand die twee vliegen in één klap slaat, een visser die vanuit een vissersbootje achter het visnet vist, iemand die met zijn hoofd tegen een muur loopt, een persoon die door een mand valt, enz., enz. Het schilderij is te bewonderen in het staatsmuseum in Berlijn. Wie geïnteresseerd is, maar dichter bij huis wil blijven, kan ik het boek De wereld van Brueghel aanbevelen. In dat boek is een afbeelding van het bekende schilderij De blauwe huik opgenomen. Onder de afbeelding staat de bijbehorende lijst met spreekwoorden afgedrukt.

Geliefde dichter
Een eeuw later, in de zeventiende eeuw, bezat Nederland een dichter van wie de gedichten in bijna elk huisgezin te vinden waren. Zijn teksten dienden als levenslessen, ze gaven goede raad op het gebied van omgangsvormen, geloof, moraal, huwelijk, seksualiteit, enz. Deze enorme populaire dichter, die ook nog raadspensionaris van Holland en zakenman was, heette Jacob Cats. Veel van zijn teksten kennen we nu nog: Al is de leugen wonder snel, de waarheid achterhaalt haar wel, Als de wijn gaat in de man, leidt de wijsheid in de kan, Haastige spoed is zelden goed en ’t Zijn al geen koks die lange messen dragen.

Humor
Bij het schrijven van een stuk over spreekwoorden loop je het gevaar saai te worden. Dat je alleen maar uitlegt waar spreekwoorden vandaan komen en wat ze betekenen. Daarom is het belangrijk dat je de spreekwoorden zo nu en dan met de nodige humor benadert. Iemand die daar geen moeite mee heeft is de schrijver/dichter Remco Campert. Hij schreef ooit een stukje waarin een oude man in gesprek is met een jonge man. Tijdens dat gesprek worden allerlei spreekwoorden op een ‘Campertse’ wijze  gebruikt. Hieronder twee fragmenten uit Uiltje knappen uit de bundel Het paard van Ome Loeks
(1962):

1)
“Soms ziften we wel eens muggen,” zei de jonge man zachtjes.
De oude man barstte in lachen uit.
“Dat was in onze tijd werk voor de jonge meisjes van de betere families. Van die nufjes, die niets beters te doen hadden. Een flinke kerel ziftte geen muggen in onze tijd. Die had wel wat anders te doen. Die zocht de klepel op als hij de klok had horen luiden. Of hij haalde het blad voor zijn mond weg. Je had er zelfs bij, die gingen naar een naburig dorp om daar heel wat potjes te breken. Dat heb ik zelf nog wel gedaan. Mooie dagen. Toen hebben we heel wat geld stukgeslagen. Ik had speciaal daarvoor een klein aambeeldje laten maken en een voorhamer. Dat heeft de hoefsmid nog voor me gesmeed, toen het ijzer erg heet was. En dan maar van die harde knaken stukslaan.”
“Ik heb eens gehoord dat men vroeger ook vaak de kroon spande,” zei de jonge man eerbiedig.

2)
“Wij gaan soms in de porseleinkast zitten en dan doen we net of we de moeder van de porseleinkast zijn,” fluisterde de jonge man.
“Kinderwerk,” zei de oude man schouder ophalend. “Dat kan iedereen. Het is nou niet iets om direct trots op te zijn. Vertel me maar liever of jullie nog wel eens ergens brood in zien.”
“Nee,” zei de jonge man. “Nergens in”.
“Vreemd,” zei de oude man, “hoe zulke oude gebruiken er uit kunnen gaan. Wij deden niet anders. Er werden zelfs speciale rooskleurige brillen voor in de handel gebracht. Die kon je voor een krats kopen, als je tenminste een krats had.”

Gezondheid
Vandaag de dag zijn de spreekwoorden niet meer zo populair. We besteden veel liever aandacht aan hoe we eruit moeten zien. En we letten erop dat we wel gezond eten en vooral niet te vet. Het cholesterolgehalte is belangrijk geworden. Daarnaast zie je dat spiritualiteit erg in opkomst is. Maar wie de spreekwoorden en uitdrukkingen goed leest, ziet dat lichaam en geest altijd sterk met elkaar verbonden zijn geweest.

Wie kent niet de oeroude waarheid ‘een gezonde geest in een gezond lichaam’? En zo zijn er meer dan duizend spreekwoorden waarin het lichaam een voorname rol speelt. De mens heeft altijd met het lichaam geleefd en daarom hebben veel lichaamsdelen een symbolische functie gekregen. ‘Hij heeft een grote mond, maar een klein hartje’. Dat spreekwoord laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Die duidelijkheid geldt trouwens voor bijna alle spreekwoorden waarin het menselijk lichaam voorkomt. Het is meteen duidelijk waar het over gaat. Neem nou iemand die zeer openhartig is, die neemt vaak geen blad voor de mond. Bovendien is het vaak iemand die het hart op de tong draagt.

Helaas wordt ons lichaam ook getroffen door ziektes en ongelukken. Dat is vandaag de dag het geval, maar dat is altijd het geval geweest. Ziektes en ongelukken komen heel plotseling, maar ’t duurt vaak lang voordat je hersteld bent. Anders gezegd, ziekte komt te paard en gaat te voet weg. In Vlaanderen zeggen ze wel, de ziekten komen te paard gereden en vertrekken met manke schreden. Kortom, hieruit wordt duidelijk dat een spreekwoord maar al te vaak een waar woord blijkt te zijn. En dat geldt voor bijna alle spreekwoorden. Daarom wil ik op passende wijze afsluiten met de woorden van de eerder genoemde Jacob Cats:

De waerheyt borrelt uyt
Gelijck een sonneschijn;
De waerheyt, hoe het gaat,
wil niet begraven sijn

Lees ook: Een spreekwoord, een waar woord (2/2)