Een pakketje voor mevrouw Barendsen

1.
“Wie is daar?”, riep ze door de intercom.
“De post, een pak­ketje voor mevrouw Barendsen.”
“Mevrouw Barendsen”, dacht ze, “dat ben ik.”
Op de redactie van het stadsblad noemde ieder­een haar altijd Tinie. Ze drukte op de rode knop, waarmee ze de deur van het flatgebouw ont­grendelde. Daarna liep ze naar bene­den. Op de rij tegen de wand gemonteerde brie­ven­bussen stond een pakje, precies op haar brievenbus.
“Voor mevrouw Barend­sen”, ontcijferde ze het slordige handschrift. Ze nam het pakket­je in haar hand en verbaas­de zich over het gewicht. Er leek niets in te zit­ten. Onderweg naar boven scheurde ze het papier alvast los.

2.
“Gebak bij de koffie?”, riep de portier van het gebouw waarin het kantoortje van de stadsredactie was gehuisvest.
“Nee, Wil­lem, een fietsband. We krijgen een allemaal een plakje rubber bij de koffie.”
Willem keek haar verbaasd aan.
“Alles oké?”, riep hij Tinie na, die verder was gelopen.
“Ja, hoor Willem, alles kits.”
De portier, een geüni­formeerde jongen van een beveiligings­dienst, had verder niets meer te zeggen en ver­diepte zich weer in de sportkatern van het meest gelezen och­tendblad van Nederland.
“Krijgen we gebak?”, riep Sandra, die zag dat Tinie met een gebaks­doos het kantoor binnenliep. Tinie lachte.
“Je bent de tweede al “, zei ze en zette de doos op haar bureau. “Deze doos is vanmorgen bij mij bezorgd”.
“Wat zit er dan in?”, vroeg Sandra, die als fotograaf voor de krant werkt, “een taart?”
“Je raadt het nooit” zei Tinie.
“Een stapel diskettes met geheime infor­matie”, zei Rolf, die ach­terover geleund met een kop koffie achter zijn bureau zat.
“Nee,”, zei Tinie, “geen taart, geen gebak, geen diskettes, maar een fietsband.”
“Een fietsband?”, herhaalde Sandra. “Wie stuurt er nou een fietsband op?”
Tinie haalde haar schouders op.
“Weet ik veel, ik heb geen idee. Er zat ook een briefje bij.”
Ze haalde het briefje tevoorschijn.
” Dit is onze band”, las ze hardop.
“Geen afzen­der?”, vroeg Rolf, die de doos met de fiets­band bestudeerde alsof het een waardevol document betrof.
“Niets, alleen mijn naam stond erop.”

3.
Na een drukke dag, ze had drie tentoonstellingen bezocht, een interview met een pianist van een Amsterdams huisorkest gehou­den én een redactievergadering bijgewoond, fietste ze naar huis. Het was maar tien minuten vanaf het kantoor naar haar woning in het oostelijk deel van de binnenstad. Ondanks de korte afstand was ze helemaal doorweekt van de regen en dacht ze onderweg aan de aanschaf van een regenpak. Het bleef altijd bij de gedachte, want ze had een hekel aan regenpakken. Geel gekleurde monsters die haar deden haar terug­denken aan de middel­ba­re school, waar groepen leerlingen in kanarie-outfit, gewapend met broodtrommels en dikke schooltassen, het school­gebouw verlie­ten. Zij behoorde niet tot die groep, die op tijd thuis wilde zijn om met moeders een kopje thee te drin­ken en over de afge­lo­pen schooldag te babbe­len. Nee, op zulke regen­achtige dagen trok ze samen met haar vrien­din het café in, waar nog meer leerlingen onder het genot van wat biertjes, een jointje en een spelletje flipperen wachtten tot het weer droog was.

De volgende dag werd Tinie om acht uur ’s ochtends verrast door de bel.
“Een pakketje voor mevrouw Barendsen”, klonk het uit de inter­com naast haar woningdeur.
Ze wist niet zeker of het dezelfde stem als gisteren was.
“Ik kom er aan”, antwoordde Tinie en liep nu meteen naar bene­den. Op dezelf­de plek als gisteren stond een doos zo groot als een schoenendoos, ingepakt met don­kerblauw crêpepapier. Voordat ze het pakketje oppakte, trok ze voordeur van de flat open en keek of zich een verdachte persoon op straat begaf. Ze zag alleen haar benedenbuurvrouw, die haar kinderen naar school bracht. Met het pakket­je onder haar arm liep ze terug naar haar wo­ning.
“Gadverdamme”, riep ze uit. De binnenkant van de doos zat vol met lijm en een stuk of twintig uitgeknepen tubes solutie van het bekende merk Simson.
“Lijmen. Groetjes Laarmans’ “, las ze op het papiertje dat boven op de kleverige rotzooi was geplakt.

4.
“Ik wil weten wie het is”, zei Tinie tegen Rolf.
Het was een week geleden dat ze het vreemde pakje met banden­lijm had ontvangen. Samen met Rolf zat ze in een cafe­etje in de van Baerlestraat en dronk een cappuccino.  Rolf werkte nog maar een maand bij haar op de redactie. Ze hadden zo­juist een koffie­concert in het Con­certge­bouw bijgewoond. Samen zouden ze een artikel over de koffie­concer­ten op zondag schri­jven. Rolf roerde langzaam in zijn kopje.
“Het zijn in ieder geval geen dreigbrieven of zoiets”, zei hij en stak een sigaret op. Hij voelde zich ontspannen en begreep niet waarom hij altijd zo bang was om Tinie buiten het werk om aan te spreken. Waar kwam de gedachte vandaan dat hij altijd op zijn hoede moest zijn als hij naast een vrouw zat die het gewoon prettig vond om met hem te praten?
Hij inhaleerde diep. Tinie keek hem eens aan. Ze wist niet goed wat ze van hem moest denken. Hij was tweeëndertig, twee jaar jonger dan zij. Twee weken geleden was ze samen met hem en Sandra uit eten gegaan en hadden ze ver­schil­lende cafés be­zocht. Uiteindelijk belandden ze in het nachtelijk danspaleis Odeon. Rolf was dronken geworden en danste die nacht als een losge­slagen stuk wild over de dans­vloer. De hele avond had hij aan iedereen verteld over de stuk gelopen relatie met zijn vriendin.
“Nee”, zei Tinie, “nog niet. Wie weet wat er nog komt. Ik wil gewoon weten wat het allemaal betekent en van dat hele gezeik af zijn.”
Ze zag dat Rolf geschrokken reageerde.
“Ik wist niet dat het je zo dwars zat”, zei hij.
Tinie stak nu ook een sigaret op.
“Weet je, Rolf. Er is iemand die mijn naam en adres heeft en er lol in heeft een spelletje met mij te spelen. Het kan wel een gek zijn die tot weet ik veel wat in staat is.”
Rolf probeerde haar wat gerust te stellen.
“Weet je, je moet er niet te veel aan denken. Ik heb trouwens een idee. Zullen we vanavond samen ergens wat gaan eten? Kunnen we daarvoor nog naar die opening in Arto-94 gaan.”
Tinie dronk haar kopje leeg. Ze leek wat opgelucht door dit voorstel.
“Je hebt ge­lijk, ik zet het gewoon uit m’n kop, zeker vandaag. Ik laat m’n zondag niet verpesten door een of andere idioot.”
“Zo ken ik je weer”, zei Rolf en hij bestelde nog twee koffie.

Die avond bezochten Tinie en Rolf een Indonesisch eethuisje. Ze praatten over de verschillende openingen van exposities die ze hadden bezocht, over de eindredactrice en over andere collega’s. Rolf was iemand die geen blad voor z’n mond nam en eer­lijk vertelde wat hij van bepaal­de zaken vond. Dat vond ze zo aantrekkelijk in hem en ze wist bijna zeker dat dit weder­zijds was. Na het etentje bood hij zelfs aan om te beta­len, maar dat vond ze belache­lijk.
“Alle­bei de helft” had ze ge­zegd. Rolf zei dat hij een grapje maakte.

5.
De volgende ochtend was Tinie al vroeg op. Ze zette koffie en ze merkte dat ze op het volgende pakketje wachtte, of ze nou wilde of niet.
“Nou, bel dan”, dacht ze. En toen ging de bel. Ze rende naar de voordeur en liep meteen naar bene­den. Bijna onderaan de trap bleef ze staan. Voor de deur van de flat stond iemand met een doos in z’n hand. Door de witte vitrage kon ze niet zien wie het was. Ze voelde hoe onzeker en bang ze werd. De man stond er nog steeds.
“Ik ben er op tijd bij”, dacht ze. Ze zag dat de man nogmaals aanbel­de. Tinie haalde diep adem, zette haar angst opzij en liep de laatste treden van de trap af. In één ruk trok ze de deur open.
“Een pakketje voor mevrouw Barendsen”.
Ze deed een stap ach­teruit.
“Wie bent u?”, vroeg ze streng.
De man keek haar verbaasd aan.
“Mevrouw, ik ben gewoon een post­bezor­ger en ik heb een pakket­je voor u. Tenminste, als u mevrouw Ba­rendsen bent.”
“Hoe weet u mijn naam?”, vroeg Tinie wantrouwig.
De postbode zette het pakketje op de grond en hield een formulier onder haar neus.
“Mevrouw, als u even tekent, dan kan ik ook weer verder”.
Tinie keek hem nog eens goed aan. Ze twijfelde. Dit kon wel eens gewoon een postbode zijn.
“Afzender?!”, vroeg ze. “Is er een afzen­der?”
De man keek op het formulier.
“Een pakketje van de ECI uit Utrecht.”
Tinie herin­nerde zich dat ze inderdaad boeken had besteld. Het klopte dus gewoon. Ze nam de pen van de postbode aan en teken­de.
“Nou, was dat nou zo moeilijk, mevrouw”, lachte de man en liep terug zijn wagen. Tinie keek hem na. “Post nl”, las ze op de bestelwagen. Snel maakte ze het pakketje open en ze zag dat het inderdaad de boeken waren die ze had besteld.

De rest van de week ontving Tinie geen vreemde pakketjes meer. Zo nu en dan probeerde ze na te gaan waarom ze eerst een fietsband en later allerlei tubes met solutie had ontvangen. Maar ze bleef het een raadsel vinden.
“Ik heb nu al een paar weken achter elkaar geen vreem­de pak­ketjes meer ontvangen”, zei ze op een middag tegen Rolf.
Ze waren de afgelopen periode vaker samen op reportage geweest en ze was blij dat ze zo nu en dan met hem over die rare pakketjes kon praten.
“Misschien heb ik er wel over­dreven op gerea­geerd”, zei ze er achteraan.
Op Rolfs gezicht verscheen een glimlach. Hij voelde zich opge­lucht, want vorige week had hij in een opwelling bijna een pakje in Tini’s flat gezet. Hij wilde weten hoe ze zou reageren als ze een fietspomp zou ontvangen.
“De band is geplakt, blaas maar even flink uit”, had hij al op een briefje geschreven. Hij had zelfs zijn naam eronder gezet.
“Weet je wat?”, zei Tinie, “als je morgen eens bij mij komt eten?”
Ze was het zat om ’s avonds alleen thuis te zitten eten. Ze wilde iemand om zich heen hebben en Rolf was de enige op de redactie die met haar mee­leef­de.

6.
Rolf schrok. Hier had hij niet op gerekend. De vrouw, hij schatte haar een jaar of veertig, bleef in het portaal staan. Hij voelde dat zijn gezicht vuurrood aanliep.
“Ah, ben je daar weer?”, vroeg ze.
“Hou je mond, stom wijf”, vloekte hij in zichzelf.
Tinie keek verbaasd naar de vrouw die beneden haar woonde. Hoe kende zij Rolf? Ze durfde het niet meteen te vragen. Hij liep de trap al op, terwijl Tinie eerst haar brievenbus leeg­haalde. De vrouw stond nog steeds in het por­taal.
“Hij was hier laatst ook “, zei ze.
Tinie ging er niet direct op in, want haar benendenbuurvrouw had altijd moeite om een gesprek te beëindigen. Die ratelde maar door.
“Ja, ik zei nog ‘ben je van de post'”, zei ze.
Tinie keek haar even aan. Waar had ze het in godsnaam over?
“Nou, dat was dan zeker een surprise of zo, dat pakkie?”
“Pakkie?”, vroeg Tinie.
“Ach, laat maar. Wat maakt ’t uit. Waar bemoei ik me weer mee”.
De vrouw trok de deur open en wilde weggaan.
“Wacht even”, zei Tinie snel. “Was het een blauw pakket­je?”
Ze knikte en er verscheen een ondeugend glimlachje op het gezicht van de buurvrouw.
” Ja, een blauw pakkie. Ik dacht nog ‘goh, wat een eigenaardig pakkie is dat'”.
“Bedankt”, zei Tinie.
De buurvrouw wilde nog vragen waarvoor, maar Tinie had zich al omgedraaid. Ze was sprakeloos. Ze wilde zo veel zeggen dat er geen woord uit haar mond kwam.
“Rolf”, kon ze alleen nog zeggen. “Waar ben je?”
Hij hoorde Tinie zijn naam roepen.
“Kom dan tevoor­schijn als je durft, lafaard!”
Rolf zat op het dak van de flat en rookte een siga­ret. Hoe had het allemaal zo ver kunnen komen?
“Tin­ie!­!”, schre­euwde hij en hij voelde hoe zijn li­chaam in een vrije val naar beneden viel. Voor het raam van Tinie bleef hij even hangen. Hij zag dat Tinie huilend op de bank zat. Wild trapte hij de lakens van zich af. Hij was wakker. Klaar­wakker. Van­avond had hij een etentje met Tinie, bij haar thuis.

Allard van Gent

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s