Category Archives: Columns

De bubbel doorgeprikt

Traditioneel vond op 2 januari in Wenen de Internationale Nonsensologie Conferentie plaats, een bijeenkomst waar grensverleggende (en vaak licht absurde) wetenschappelijke ideeën gedeeld worden. Dit jaar baarde professor Dr. Hugo van der Leegte veel opzien met zijn provocerende stelling dat de bubbel niet bestaat.

Daarmee maakte hij korte metten met uitspraken van bijvoorbeeld het CBS, dat „inwoners van Nederlandse herkomst juist meer in hun eigen bubbel zijn gaan leven”, of therapeuten die waarschuwen voor het gevaar van opgesloten zitten in je eigen bubbel. Voor Van der Leegte is de bubbel niets meer dan een abstractie.

Doorgeprikt

„Een bubbel is slechts een metafoor”, betoogde hij. „En metaforen zijn geen feiten. Mensen denken dat ze in een bubbel zitten, maar gebruiken die gedachte alleen om zichzelf te isoleren van verantwoordelijkheid en echte verbinding.”

Het publiek was muisstil. Een enkeling keek nerveus om zich heen, alsof hun denkbeeldige bubbel plots was doorgeprikt. Van der Leegte ging onverstoord verder: „Je kunt niet in een bubbel leven, want een gedachte creëert geen fysieke grens. Alles wat je denkt, is fluïde. Er zijn geen muren, geen deuren, geen ramen in de bubbel. Dus hoe kun je er dan wonen?”

Sommige aanwezigen lachten nu zachtjes. Van der Leegte lachte ook, stapte van het podium af en richtte zich tot iemand op de eerste rij die hem iets had toegeroepen. „Maar professor, ik voel de bubbel!”, riep de aanwezige nogmaals.
„Onzin!”, riep Van der Leegte met een glimlach. „Dat is gewoon de zachte binnenkant van je ego.”

Niet meetbaar

Hij liep terug naar het podium en vroeg vijf mensen om naar voren te komen. „Goed”, zei hij, „nu vraag ik jullie een bubbel te maken.” De vijf aanwezigen haalden hun schouders op en lachten ongemakkelijk. „Precies”, vervolgde Van der Leegte. „Het kan niet. Het is niet meetbaar. De bubbel bestaat niet.”

Aan het eind van de dag ontving Van der Leegte de prijs voor Most Ridiculous Science, een eer die hij met zichtbaar genoegen in ontvangst nam. Toch inspireerde zijn werk ook nieuwe discussies over hoe mensen grenzen in hun hoofd bouwen. Misschien had hij toch een punt?

Deze tekst staat ook op metronieuws.nl

Wapper de flap, dit lijkt wel The Truman Show

House from The Truman Show film. Foto: Jakesilb14 (https://commons.wikimedia.org/w/index.php?title=User:Jakesilb14&action=edit&redlink=1)

Als ik het kantoor verlaat en in de overdekte fietsenstalling sta, begint het net als vanochtend opeens weer te regenen. Ik haal het regenpak uit mijn rugzak en trek het aan. Vervolgens ga ik op weg naar huis. Onderweg is het donker, fietsers in korte broek en T-shirt racen alsof de duivel ze op de hielen zit en worden zeiknat. Op de stoepen sieren groepen toeristen met paraplu’s het straatbeeld. Het is volop zomer en ruim vijfentwintig graden. Onder mijn regenpak transpireer ik door de inspanning, maar mijn broek en T-shirt worden niet echt nat. Het is drie uur in de middag en erg donker. Straatlantaarns floepen aan. Het begint nu ook te onweren.

Corona neemt ook weer toe, vertelde mijn collega me vanochtend. Op flink wat afdelingen stijgt dan ook het aantal ziekmeldingen. Met die gedachte in dit noodweer denk ik opeens, wapper de flap, dit lijkt wel heel erg op The Truman Show. Zouden de bedenkers van die film door dit soort situaties op het idee zijn gekomen het verhaal voor de film te bedenken? Nog meer regen, hoor ik iemand in een studio zeggen. Een assistent drukt op de knop “Nog meer regen” en ik fiets sneller. En Corona weer activeren, luidt de stem van de regisseur. Een assistent drukt op de knop “Meer Corona”. Nog meer oorlogen, vraagt de assistent. De regisseur ziet dat ik aan de Gaza-oorlog denk en dat er ook beelden van de Russisch-Oekraïense Oorlog op mijn netvlies zijn gebrand. Momenteel voldoende oorlog, roept hij. Ik trap flink door en verheug me erop strak thuis te zijn en een warme kop thee te drinken, hoewel het volop zomer is en een koele frisdrank meer op zijn plaats is.

Een auto toetert, ik fiets door een diepe plas water en denk “Wapper de flap, dit is The Truman Show anno 2024”. Lachend kijk ik naar boven en hoor weer dat stemmetje van de regisseur uit de studio: “Hij heeft het in de gaten en lacht naar ons.” Dan hoor ik de assistent zeggen, “maar hij weet toch niet waar we zijn?”. Daarna is het stil. Verbinding verbroken. Zo kan de fantasie dus met iemand op de loop gaan en ontstaan complottheorieën, denk ik, zwaai in de camera en fiets naar huis.

Deze tekst staat ook op metronieuws.nl

Het pashokje

In het warenhuis zochten we een broek voor mij. „Deze past bij je, die moet je maar even proberen.” Ze legde de gevouwen broek op mijn uitgestrekte armen alsof het een pasgeboren baby was.

„En deze”, zei ze en legde een donkerbruine ribbroek op de beige pantalon. Ik liep de paskamer in, trok het gordijn achter me dicht en voelde me allesbehalve op mijn gemak. Buiten wachtte mijn vrouw tot ik het hokje uit zou komen. „Kunt u alles vinden?”

Er stond nog een vrouw aan de andere kant van het gordijn. De verkoopster. „Mijn man probeert twee broeken. Misschien kunt u straks ook even kijken hoe ze staan.” „Maar natuurlijk”, hoorde ik de verkoopster zeggen. Vervolgens zei ze zacht, met haar hand deels voor haar mond alsof niemand het mocht horen: „Mannen.” Ze keek bij het uitspreken van het woord mijn vrouw veelbetekenend aan. Zo moet het zijn gegaan. Ik kon het niet zien, want ik was op dat moment met de nieuwe broeken weer.

Ik trok het gordijntje open en zag hoe de twee vrouwen keurend mijn kant opkeken. „Je billen mogen best gezien worden!” Dat zei mijn moeder altijd als we een broek kochten. Nu zei mijn vrouw het en trok een plooi van de nieuwe broek strak.
„Hij is iets te kort, wat zegt u?”, vroeg ze aan de verkoopster. „Ja. Als u even een paar passen loopt.”

Ik liep een paar passen en voelde me weer het kind dat met zijn moeder een broek kocht. Ik was nu 65 jaar, maar de tijd leek geen invloed te hebben op dergelijke gebeurtenissen. „Ja, een maatje langer”, ze de verkoopster en zocht in een stapel broeken naar een broek die een maatje langer was.

„En nu ook even die donkerbruine passen, lieverd.” Het waren wederom exact dezelfde woorden als die van mijn moeder, die nu uit de mond van mijn vrouw kwamen. Ik liep in de iets te korte broek terug naar de paskamer en voelde hoe mijn ergernis in een rap tempo toenam. Ik haatte broeken passen met mijn moeder.

„Lukt het, jongen”, hoorde ik mijn moeder zeggen. En ja, ook mijn vrouw wist deze woorden te vinden. Het waren woorden die als druppels water de spreekwoordelijke emmer deden overlopen. Wild trok ik het gordijn open. „Nee”, brulde ik, „het lukt niet, mevrouw. En nee, het interesseert me niet hoe anderen de billen in mijn broek zien.”

De verkoopster sloeg nu haar hand voor haar mond. Mijn vrouw bleef stokstijf staan. „Beneem je”, riep ze. „Altijd hetzelfde spelletje. Zo, nu ga je terug in je hok en pas je die tweede broek. Man, man, man.” Ik gaf me geslagen en kroop op handen en voeten terug naar het pashokje. „Mannen”, zei mijn vrouw en keek de verkoopster veelbetekenend aan. Zo moet het zijn gegaan.

Deze tekst staat ook op metronieuws.nl

« Oudere berichten Recent Entries »