Category Archives: Varia

Armoede of armoedig

Vanochtend heb ik op een hotelkamer ergens in Amterdam televisie gekeken. Eindelijk weer eens Nederlandse televisie. Ik viel in de live uitzending “Reiziger in muziek” en realiseerde me dat alles wat ik nu zag en hoorde, zich bij mij in de buurt afspeelde. Dat was niet echt opwindend. Als ik vanavond op de Duitse televisie Günther Jauch zie, dan gebeurt in wezen hetzelfde, alleen in een andere hoofdstad. De muziek interesseerde mij niet zo zeer, maar wel het bordje met “armoede”, dat zo nu en dan in beeld kwam. De presentator sprak ook over “deze tijden van armoede”. De geïnterviewde componist legde uit dat hij niet van zijn werk kon leven. Op het moment dat er een erg moderne en vooral experimentele uitvoering van Bach ten gehore werd gebracht, zapte ik weg. Opeens was ik te gast bij Harry Mens, die een show op RTL-7 heeft. Het was een wereld van verschil, tussen de VPRO en RTL-7. De verzuiling was duidelijk weer terug van weg geweest. Naast Harry Mens zat een enorme boezem, met daarachter een vrouw en daar omheen een jurk. Ik herkende haar, het was Karin Bloemen. Grappig om haar in deze show te zien, waar ze op een of andere manier niet inpaste en dat bedoel ik natuurlijk niet letterlijk.  Na 10 minuten begreep ik dat ze hier min of meer uit commerciële overwegingen zat, want zo nu en dan blikte de camera naar een hotelmanager. In zijn hotel zou Karin Bloemen optreden. De naam van het hotel werd meermaals genoemd. Dit zou kunnen klinken als een verwijt, maar dat is het niet. Ik begreep nu waarom Karin Bloemen in deze show zat. Het ging immers om een promotie van haar show en van het hotel. Ik had hetzelfde gedaan. Karin Bloemen had ook in een VPRO show kunnen zitten. Zij maakt immers kleinkunst voor een groot en klein publiek. De componist uit de VPRO-uitzending had omgekeerd niet bij Harry Mens terecht gekund, want dat paste niet. De mannen in pak met stropdas uit de RTL-show hadden geen kaas gegeten van moderne, experimentele muziek. Zelf heb ik er ook geen kaas van gegeten, voeg ik er meteen maar aan toe,  en ik draag noch een pak noch een stropdas. De VPRO-uitzending straalde iets uit van “kunstenaars onder elkaar” en de RTL-7 uitzending straalde iets uit van “zakenlui onder elkaar”. Een ding hadden beide uitzendingen gemeen: de armoede. Ook bij Harry Mens werd gesproken over “deze zware tijden”en ‘de tijd van armoede die voor ons staat”. Mijn twee-daagse bezoek aan Nederland maakte me duidelijk dat iedereen in den lande niet in de ban van Sinterklaas maar van de armoede is. Het is bijna grappig om te zien, want waar is die armoede dan?  De nieuwe regering heeft aangekondigd dat hij op komst is en snel zijn intrede zal doen. De toekomst is somber. Door deze sombere uitspraken in de media  verkeert het land plotsklaps in een sombere stemming en vreest iedereen de lege schappen in de supermarkt, een kleiner stukje vlees op het bord,  met een wollen, zelfgebreide trui voor de kolenkachel terwijl vader in de kelder de kolenkit vult. Daar komt natuurlijk nog bij dat de winter op komst is. Dat vertelde de weerman. Temperaturen zullen dalen. Het is niet moeilijk om te voorspellen wat er binnenkort allemaal op de Nederlandse televisie te zien zal zijn. Ouders die geen geld hebben om een sinterklaascadeautje voor hun kinderen te kopen, kinderen die huilend voor hun schoen zitten, omdat er geen i-phone maar een wortel in ligt. Ik wil de armoede niet bagatelliseren, maar je kunt het natuurlijk ook zwaar overdrijven. Uiteindelijk wordt televisie gemaakt om hoge kijkcijfers te behalen en armoede scoort. Dat zie je ook op de Duitse televisie, waar de Hartz IV- families (families in de bijstand) vaker dan ooit de  beeldbuis vullen. Het is leed en leed doet het goed op de televisie. Het grote nadeel is echter, dat dit soort uitspraken als een mantra door de bevolking woekeren. Als je dag in, dag uit leest hoe slecht het is gesteld, dat het nog slechter wordt en dat de toekomst er zeer somber uitziet, dan duw je mensen daarmee in een depressie, en als je niet oppast ook nog van bruggen en gebouwen. Door  hetzelfde nieuws met een positieve ondertoon te brengen, voorkom je veel ellende, zonder dat je nieuws ontwijkt of van naïviteit beticht kan worden.  Al het wereldnieuws kan vanuit een heel ander perspectief naar buiten worden gebracht. Hoe dit er uit komt te zien, daarover later meer.

De conducteur

trainVandaag ben ik even in Nederland. Telkens als ik hier onderweg ben, beland ik in situaties die erom schreeuwen als column vastgelegd te worden. Neem deze bijvoorbeeld.

De trein is al voorbij Bad Bentheim, Hengelo en Almelo. We zetten koers richting Deventer. Een man van begin 40 stapt opgewekt de wagon binnen. Uiterst vriendelijk vraagt hij de passagiers naar de vervoersbewijzen. Vanuit het midden van de wagon bekijk ik hem. Hij heeft een apparaatje in zijn hand, waarmee hij de treinkaartjes scant. Ik ben even in de war. Tien minuten eerder had ik mijn kaartje aan een conducteur laten zien die er ook uitziet als een conducteur. Deze andere controleur draagt lange haren, geen pet, een laag uitgesneden T-shirt met borsthaar-look, een aantal oorbellen in beide oorlellen en een versleten jeans. In het rijtje “beroepen en hun vooroordelen” zou hij prima bij sociaal werker passen. Het opvallende aan de situatie vind ik, dat iedereen gewoon zijn kaartje laat zien. Niemand vraagt wie hij is en waarom hij naar vervoersbewijzen vraagt. Ook maakt niemand een opmerking over zijn vrijetijdsoutfit. Ik kan het niet laten om, als hij naar mijn vervoersbewijs vraagt, te vragen of hij de conducteur is. Ik ben immers al een tijdje niet in Nederland geweest en misschien mogen de conducteurs nu ook gewoon zonder uniform kaartjes controleren, zoals de controleurs die in de Berlijnse S- en U-Bahn in vrijetijdskleding zwartrijders proberen te vangen. Na het stellen van mijn vraag hoor ik om mij heen een licht gelach.

“Wij doen reizigersonderzoek”, vertelt de vlotte man. Hij is een beetje het type Willem Ruis en maakt bij iedereen een kort praatje of grapje.
“Zo, Berlijn en naar Amsterdam Sloterdijk, dat is ver”, zegt hij luid en bekijkt mijn uitgeprinte ticket.
Ik kijk hem aan. Waarom moet de hele wagon weten waar ik vandaan kom en ook nog eens waar ik naartoe ga? Dat vraag ik hem. Hij lacht.
“Zo grappig is dat niet”, zeg ik nu ernstig.
“Stel dat de conducteur bij iedere passagier roept waar de persoon heen gaat en vandaan komt. Dat gaat niemand wat aan. Zoals artsen niet met derden over medische gegevens spreken, laten  conducteurs of mensen zoals u zich niet uit over de reisgegevens van de personen die ze controleren.”
De man voelt zich nu duidelijk op zijn pik getrapt. Zijn gezicht betrekt.
“Mijnheer, ik kan zeggen wat ik wil. Het interesseert namelijk niemand waar u vandaan komt en ook niet waar u heen gaat. Dus dat maakt niets uit.”
“U heeft een behoorlijk grote bek voor iemand die eigenlijk alleen maar in de trein aanwezig zou moeten zijn om reizigersonderzoek te doen. Ik denk dat het verstandig is dat u zich eerst zelf laat onderzoeken voordat u aan dit werk begint”, antwoord ik en schrik van mijn eigen reactie.
Twee mensen klappen aarzelend.
“Nu niet grof worden, mijnheer. Ten eerste heb ik een mond en geen bek, en ten tweede moet ik me uw gedrag niet laten welgevallen.”
Nu klinkt er een licht applaus uit een andere hoek.
“En u mag doen wat u wilt? Gewoon iedereen vertellen waar ik vandaan kom en waar ik heen ga? U bent degene die hier als een onbeholpen boerenlul gewoon alle reisgegevens van de passagiers openbaar maakt, ik niet!”
“Wat is hier aan de hand?”
Ik zie dat er nu een echte conducteur de wagon binnenkomt. Het is de man die eerder mijn kaartje controleerde.
“Deze passagier denkt dat hij alles tegen mij kan zeggen”, begint de sociaal werker.
“Mijnheer schreeuwt hier doodleuk al mijn privégegevens door de wagon”, onderbreek ik hem.
“De man heeft gelijk”, roept een oudere man achter mij.
“Maar de controleur ook”, schalt een jongedame voor me.
“Heren, het feest is voorbij. Mijnheer de controleur, u gaat verder met uw onderzoek en u, mijnheer de passagier, u blijft rustig zitten waar u zit. Mag ik uw vervoersbewijs nog even zien? Oh ja, mijnheer komt uit Berlijn en wil naar Amsterdam”, zegt de conducteur luid en duidelijk.

Niemand in de wagon kan zijn lachen meer inhouden. Het heeft iets weg van een ontlading, na een lang opgebouwde komische sketch. Sommige mensen brullen het uit, een oudere dame roept “ik pies in m’n broek”. Ook de controleur van het reizigersonderzoek kan een lach op zijn gezicht niet meer onderdrukken. Ik kan ook niets anders meer dan enorm lachen. Uiteindelijk schudden de nepconducteur en ik elkaar de hand, hij geeft me zelfs nog een korte omhelzing en dan kan ik mijn reis weer rustig voortzetten. De conducteur heeft inmiddels schouderophalend de wagon verlaten en ik weet, over een dergelijke situatie kun je een column schrijven.

Kleingeld

Vaak genoeg was ik degene die bijna ontplofte. Vandaag was het aan mij om eens iemand anders te laten ontploffen. Begrijp me niet verkeerd, er was geen opzet in het spel. Of, als je het leven een spel noemt, dan was het hoogstens toeval, dat een rol speelde, hier, op U-Bahn-station in Berlijn-Kreuzberg. Toeval of niet, ik had mijn jaszakken vol gestopt met het al het muntgeld dat ik in mijn woning kon vinden. Op zoek naar iets heel anders, ik ben vergeten wat, ontdekte ik her en der munten in mijn woning. In dit land krijg je iedere eurocent terug en worden prijzen niet afgerond zoals in Nederland. Ik kende deze situatie nog van vroeger, toen de Nederlandse cent een betaalmiddel was en je in de winkels ook iedere cent afrekende. Veel huishoudens kampten destijds met het overschot aan kleingeld. In Duitsland is dat probleem nooit weggeweest. Het overschot aan Duitse centen was veranderd in een overschot aan eurocenten. De afgelopen maanden had ik de munten overal “even” neergelegd, in de fruitschaal, op de schrijftafel, onder het aanrecht, in een pennenbakje, in de wasmachine, in broekzakken en ook in de badkamer lagen talloze munten. Ik vulde de verzameling aan met het muntgeld uit mijn portemonnee en dat leverde een bedrag op, waarmee ik drie enkeltjes voor de U-Bahn kon kopen. Altijd handig om op zak te hebben, als je om wat voor reden dan ook heel snel in de U-Bahn moet springen en geen tijd hebt om een kaartje te kopen. De display van de automaat gaf het ook door mij thuis al uitgerekende bedrag aan, dat ik moest betalen voor 3 kaartjes. Bij € 7,20 begon ik met het inwerpen van de 10 cent munten. Naast mij stond een dame met zwart haar, een donsjack en een piercing in haar wenkbrauwen. Ze trappelde net niet op de grond maar voor de rest wekte ze de indruk haast te hebben. De display gaf € 5,90 aan op het moment dat ik een nieuwe lading munten uit mijn broekzak haalde. De dame keek om zich heen en begon nu toch echt te trappelen. Ik had geen zin om vanwege haar mijn transactie af te breken.

“Aan de andere kant staat ook een automaat”, vertelde ik. Het was geen leugen om van haar af te komen, ik wist dat er een automaat stond.
“Ik moet met een bankpasje betalen en dat kan alleen hier “, zei ze noch vriendelijk, noch onvriendelijk. Waarschijnlijk wist ze net als ik geen raad met de situatie. Haar metro kon elk moment uit de donkere schacht opdoemen en ik was pas bij € 3,80.
“Nog even geduld”, hoorde ik mezelf zeggen. Gek, ik had eigenlijk geen woorden voor handen en dan toch blijken er nog een paar in voorraad te zijn. Ze begon nu een beetje boos te kijken. Ik trok me er niets van aan en haalde de laatste munten uit mijn jaszak.
“Nog vijf munten”, zei ik, maar de vrouw was weg. Oh nee, daar was ze weer. Ze trappelde niet meer maar liep nu nerveus heen en weer, als een muis in een val. Hier was echter geen val te bekennen en bovendien was ze geen muis. Ze was op het verkeerde moment op de juiste plaats, dacht ik en riep ”klaar”!  Nu stond ze opeens naast me. Beiden keken we gespannen naar de plastic klep, waarachter nu een lichtje flikkerde. De machine maakte vreemde geluiden. Het kostte het apparaat duidelijk moeite om uit te rekenen hoeveel geld ik er nu ingeworpen had. Je hoorde hem rekenen.
“Dat is één”, zei ik, drukte het plastic klepje omhoog en pakte het kaartje.
“Nog twee”, riep ik en zag dat op dat moment twee metrotreinen het stationnetje binnenreden.
“Nee, nee, neeeeee!!!”, schreeuwde de vrouw met de zwarte haren en de piercing. Ze stampte woedend op de grond, sprong omhoog, viel naar beneden en sprong weer omhoog.

“Ik ben klaar”, zei ik en pakte de laatste twee kaartjes uit de automaat.
De vrouw was niet meer aanspreekbaar, ze was ontploft. Er was niets meer van haar over. Ik was de enige persoon op het uitgestorven perron. De metro’s waren alweer op weg naar de volgende bestemming. Vandaag was het gelukkig een keertje iemand anders die ontplofte en niet ik, dacht ik opgelucht en liep tevreden met mijn drie metrokaartjes naar huis.

« Oudere berichten Recent Entries »