Op bezoek bij de familie Kafka

Vandaag heb ik dan eindelijk de expositie Das Fotoalbum der Familie Kafka bezocht. Als bezoeker maak je kennis met familie van de beroemde schrijver. Aan bod komen zijn ouders, zijn grootouders, maar ook zijn zussen, zijn oom en natuurlijk Franz Kafka zelf.

Hieronder enkele foto’s die ik heb genomen. De expositie is nog tot 2 juni 2024 te bezichtigen in de Berlijnse Staatsbibliothek, op vijf minuten loopafstand vanaf de Brandenburger Tor. Meer informatie over de tentoonstelling staat in het bericht Expositie in Berlijn: foto’s van de familie Kafka.

Siri Hustvedt: “Hij stierf thuis in een kamer waar hij van hield, de bibliotheek.”

Na de dood van de Amerikaanse schrijver Paul Auster doet zijn vrouw Siri Hustvedt haar beklag over het “geschreeuw op internet” voordat ze zelf het nieuws over de dood van haar man verkondigde.

De schrijfster Siri Hustvedt, die 42 jaar lang met Paul Auster was getrouwd, had liever zelf het nieuws over de dood van haar man naar buiten gebracht. In een lange post op Instagram uit ze haar ongenoegen over het feit dat die mogelijkheid haar uit handen werd genomen. “Ik was naïef, maar ik had me voorgesteld dat ik degene zou zijn die de dood van mijn man Paul Auster verkondigt.” Ze laat in het bericht weten hoe haar man is gestorven: “Hij stierf thuis in een kamer waar hij van hield, de bibliotheek, een kamer met boeken aan iedere muur, van de vloer tot het plafond, maar ook met hoge ramen die het licht naar binnenlieten. Hij stierf met ons, zijn familie om hem heen, op 30 april 2024 om 18:58 uur.”

Een tijdje later ontdekte ze dat het nieuws over zijn dood in de media de ronde deed en er in memoriams werden gepubliceerd nog voordat zijn lichaam uit het huis was gehaald. “Noch ik, noch onze schoonzoon Spencer, noch mijn zussen, die van Paul hielden zoals zijn eigen zussen en getuige waren van zijn dood, hadden tijd ons pijnlijke verlies te verwerken. Niemand van ons was in staat onze dierbaren te bellen of een e-mail te sturen voordat het geschreeuw op internet begon. Die waardigheid werd ons ontnomen. Ik ken niet het hele verhaal over hoe dit is gebeurd, maar ik weet wel één ding: het is verkeerd.”

Siri Hustvedt schrijft over hoe Paul Auster omging met zijn leven als kankerpatiënt. “Paul heeft Kankerland nooit verlaten.” Nadat de behandelingen mislukten, bood zijn oncoloog hem palliatieve chemotherapie aan, maar hij weigerde. Hij wilde thuis sterven. “Hij toonde nooit enig teken van zelfmedelijden, niet met woorden en niet met gebaren. Zijn stoïcijnse moed en humor tot het einde van zijn leven zijn voor mij een voorbeeld. Hij heeft verschillende keren gezegd dat hij zou willen sterven terwijl hij een mop vertelde. Ik zei hem dat dat onwaarschijnlijk was en hij glimlachte.”

De laatste dagen van zijn leven

Paul Auster had geen computer, hij schreef met de hand en typte zijn manuscripten op een Olympia typemachine. “In de laatste dagen van zijn leven schreef hij brieven aan onze kleinzoon Miles. Zijn priegelige kleine handschrift wankelde door de tremor waaraan hij behandeld werd. Maar hij worstelde om deze brieven te schrijven, totdat hij geen kracht meer over had.” Hij had gewild dat dit zijn laatste boek zou zijn. “Zijn leven als schrijver eindigde met deze brief.”

Siri Hustvedt heeft duidelijke kritiek op de media en het literaire establishment. Ze heeft hard gelachen om het cliché dat in de Amerikaanse en soms Britse media werd verspreid over Paul Auster, de koele, slimme, “postmoderne”, “intellectuele” schrijver. “Deze gefabriceerde karikatuur staat zover af van zowel de persoon als het werk, dat ik al 43 jaar heel goed ken, en was eerlijk gezegd zo verwarrend voor hem dat hij gewoon niet begreep waar het over ging.” Als zijn vriendin, geliefde, collega-schrijver en eerste lezer kon ze alleen maar zeggen dat hij schreef vanuit de diepten van het gevoel, uit de droomruimtes waarin grote boeken worden geboren, zich ontwikkelen en eindigen.

Het pashokje

In het warenhuis zochten we een broek voor mij. „Deze past bij je, die moet je maar even proberen.” Ze legde de gevouwen broek op mijn uitgestrekte armen alsof het een pasgeboren baby was.

„En deze”, zei ze en legde een donkerbruine ribbroek op de beige pantalon. Ik liep de paskamer in, trok het gordijn achter me dicht en voelde me allesbehalve op mijn gemak. Buiten wachtte mijn vrouw tot ik het hokje uit zou komen. „Kunt u alles vinden?”

Er stond nog een vrouw aan de andere kant van het gordijn. De verkoopster. „Mijn man probeert twee broeken. Misschien kunt u straks ook even kijken hoe ze staan.” „Maar natuurlijk”, hoorde ik de verkoopster zeggen. Vervolgens zei ze zacht, met haar hand deels voor haar mond alsof niemand het mocht horen: „Mannen.” Ze keek bij het uitspreken van het woord mijn vrouw veelbetekenend aan. Zo moet het zijn gegaan. Ik kon het niet zien, want ik was op dat moment met de nieuwe broeken weer.

Ik trok het gordijntje open en zag hoe de twee vrouwen keurend mijn kant opkeken. „Je billen mogen best gezien worden!” Dat zei mijn moeder altijd als we een broek kochten. Nu zei mijn vrouw het en trok een plooi van de nieuwe broek strak.
„Hij is iets te kort, wat zegt u?”, vroeg ze aan de verkoopster. „Ja. Als u even een paar passen loopt.”

Ik liep een paar passen en voelde me weer het kind dat met zijn moeder een broek kocht. Ik was nu 65 jaar, maar de tijd leek geen invloed te hebben op dergelijke gebeurtenissen. „Ja, een maatje langer”, ze de verkoopster en zocht in een stapel broeken naar een broek die een maatje langer was.

„En nu ook even die donkerbruine passen, lieverd.” Het waren wederom exact dezelfde woorden als die van mijn moeder, die nu uit de mond van mijn vrouw kwamen. Ik liep in de iets te korte broek terug naar de paskamer en voelde hoe mijn ergernis in een rap tempo toenam. Ik haatte broeken passen met mijn moeder.

„Lukt het, jongen”, hoorde ik mijn moeder zeggen. En ja, ook mijn vrouw wist deze woorden te vinden. Het waren woorden die als druppels water de spreekwoordelijke emmer deden overlopen. Wild trok ik het gordijn open. „Nee”, brulde ik, „het lukt niet, mevrouw. En nee, het interesseert me niet hoe anderen de billen in mijn broek zien.”

De verkoopster sloeg nu haar hand voor haar mond. Mijn vrouw bleef stokstijf staan. „Beneem je”, riep ze. „Altijd hetzelfde spelletje. Zo, nu ga je terug in je hok en pas je die tweede broek. Man, man, man.” Ik gaf me geslagen en kroop op handen en voeten terug naar het pashokje. „Mannen”, zei mijn vrouw en keek de verkoopster veelbetekenend aan. Zo moet het zijn gegaan.

Deze tekst staat ook op metronieuws.nl

« Oudere berichten Recent Entries »