Tag Archives: polemiek

Wat is een column, wat is een columnist?

Vandaag besteedde ik mijn vrije tijd aan het opruimen van een flinke hoeveel cd’s met muziek en met oeroude tekstbestanden. Zo nu en dan keek ik even wat erop stond en onderstaand stukje vond ik wel aardig om op mijn blog te zetten. Ik vond de bijdrage op een schijf vol met teksten die ik tijdens mijn opleiding Tekstschrijven (1992-1996) schreef. Hier was het waarschijnlijk de bedoeling iets zinnigs over de column en de columnist op papier te zetten.

Hofland in NRC/Handelsblad (31 december 1982):
1. Het stukje moet kort zijn zijn, niet langer dan één kolom in de lengte. Het kan iets langer zijn als het over twee of drie-kolommen staat afgedrukt, maar, zegt Hofland, de moerassen van drukinkt over een halve pagina of meer zijn geen columns, het zijn ontboezemingen; een heel ander genre.
2. Het moet goed geschreven zijn. De zinnen moeten allemaal iets betekenen, mogen geen vulsel zijn en de schrijver moet er met zijn ‘muziekje’ in aanwezig zijn. Je moet onmiddellijk kunnen horen dat dit Blokker is, of Spaan, of Komrij.
3. Een column moet altijd een mening hebben die op één of andere manier verpakt is. Een opeenhoping van andermans meningen is geen column.
4. Het bevat nieuws, althans iets nieuws. Een feit door de schrijver persoonlijk opgediept of een waarneming vanuit een onverwachte hoek. De lezer moet verrast worden met iets wat hij nog niet wist.
5. De polemiek, iemand uitschelden, te lijf gaan, kabaal maken, schreeuwen etc., alhoewel dat niet noodzakelijk is. Te veel schelden is gevaarlijk, het wordt dan al gauw gekijf en dat is een ramp. Beter is iets bizars, een krankzinnige wending in een redenering, zoals Piet Grijs dat kan.
6. De beste stukjes moeten zo goed zijn dat ze gebundeld kunnen worden. Het moet de lezer dan duizelen van de variaties in onderwerpen en vondsten. Het boek moet propvol met stukjes zitten waardoor de lezer de ene keer ontroerd wordt, dan weer hard moet lachen. Zijn blik wordt verhelderd, op zo’n manier had hij het nog noot bekeken, en na lezing blijkt het boek opeens een klein universum te zijn.

Gerrit Krol in de Haagse Post van 27 oktober 1979:
De columnist is de enige schrijver die nooit faalt. Nooit zal een columnist zich voor een slecht geschreven stukje verontschuldigen. Het belangrijkste is dat hij present is. Als op maandagochtend zijn huis afbrandt en hij heeft zijn stukje nog niet geschreven, dan schrijft hij eerst zijn stukje.
Niet weten waarover hij schrijven zal is voor een schrijver geen excuus, maar voor een columnist helemaal niet. Desnoods jat hij iets uit een onbekend buitenlands boek, maar zijn stukje zal op de afgesproken tijd op de redactie liggen.
Een columnist is nooit met vakantie. Columnisten die hun lezers laten weten dat ze ‘met vakantie’ zijn, tonen daarmee hun zwakke en al te menselijke kant; in mijn ogen zijn ze geen echte columnisten. Een columnist is een machine die, invariant onder de wisselingen van de seizoenen, de humeuren die hem omgeven of zijn eigen humeur, zijn stukjes schrijft. (Een echte columnist noemt zijn werk ‘stukjes’. ‘Ik moet mijn stukje nog schrijven.’)

Piet Grijs op de achterflap van Piet Grijs is gek:
Niets is eenvoudiger dan columnist te zijn van een weekblad. Je moet elke maandag een stukje inleveren. Je moet niet eerder dan die maandag aan dat stukje gaan denken. De tekst loopt van de duim die verzint naar de vinger die tikt, zonder hart of hersens te passeren. De enige vereiste is lef.

Komrij in speciaal polemiekennnummer van Maatstaf in 1983:
De pamflettist gaat uitbundig tekeer – uit wanhoop. Hij vernietigt – uit idealisme. Hij vloekt – bij wijze van preek. Redders en idealisten. En toch vindt men haast onder geen groep zo’n afkeer van boodschappen en zo’n verlangen naar ontnuchtering als onder polemisten. De boodschap is ze een gruwel, en ze vertellen ons dat in een genre dat bij uitstek een boodschap is. Want wat wil directer overtuigen dan de polemiek? Zèlfs didactisch, haat ze de steile, humorloze didactiek. De humor van de polemiek ligt niet zelden in het feit dat de vijand zo onverstoorbaar serieus wordt aangevallen.

Al lijkt de aanval serieus, bij het helse af, de eigenlijke vijand interesseert de polemist soms maar matig. Hij is voortdurend in de weer zijn tegenstander op te blazen om hem vervolgens leeg te laten lopen. Hij maakt zijn vijand groter om meer schietoppervlak te hebben. Wat hem belang inboezemt is de polemiek zelf. Hij lijkt bezeten van een heilig vuur omwille van een goeie zaak, maar wat hem uiteindelijk drijft is niets anders dan zijn polemische aard. Zijn tegenstander kleinerend streelt hij zichzelf. (…)
De kwaliteit van een polemiek is niet afhankelijk van de aanleiding: we behoren er niet aan af te lezen of die heel miniem is of berust op een obsessie. Gekwetste ijdelheid, een onwaardige zaak kan tot groter resultaten leiden dan een krankzinnige betrokkenheid. Wereldvraagstukken leiden vaak tot pijnlijke, infantiele discussies. Een ruzie om een knikker kan, eenmaal geformuleerd, de wereldbol verlichten.
De polemist doodt om in leven te blijven, ontkent uit zelfbehoud. Alles heel nobel. Meestal is het een kwestie van maagzuur.

Als columnist hanteert Nico Scheepmaker vijf onwrikbare principes:
1. Een columnist moet altijd bereikbaar zijn voor zijn lezer. Scheepmaker zegt dat hij de kranten altijd de opdracht geeft zijn adres en telefoonnummer door te geven. Een geheim nummer vindt hij in strijd met het wezen van de columnist. Wie bij honderden of duizenden thuis komt, kan niet aan de andere kant de deur dicht houden.
2. Elke ingezonden brief tegen een column moet in principe worden geplaatst. En zonder naschrift, behalve wanneer de briefschrijver met nog leugenachtiger beschuldigingen komt dan waarmee de schrijver zelf is gekomen. De columnist heeft zijn column en het is onjuist, aldus Scheepmaker, als hij zich ook nog eens de ingezonden brievenrubriek toe-eigent.
3. Alles wat in de column staat, moet waar zijn. Een columnist moet de werkelijkheid niet verdraaien, hij moet eerlijk blijven. Deze stelregel staat dus diametraal tegenover die van polemische columnisten. Scheepmaker zegt over zijn polemische vakbroeders dat die vaak dingen beweren die helemaal niet waar zijn; ze doen dat met opzet, ze verzinnen vaak iets om het effect te versterken. Zo zou Hugo Brandt Corstius, overigens zijn favoriete columnist, eens in een stukje hebben geschreven dat Renate Rubinstein, zoals bekend een aartsvijandin van Brandt Corstius, jaloers op hem was, omdat hij een baan in Amerika had aangeboden gekregen.

Wapengekletter op papier

Vandaag is de Nederlandse schrijver Hugo Brandt Corstius (78) overleden. In dag- en weekbladen ging de man vaak flink te keer. Oud-minister van financiën Ruding noemde hij ‘de Eichmann van onze tijd’, oud-premier Biesheuvel ‘een ontstellende slijmjurk’, de ministers Udink, Geertsema en Veringa noemt hij achtereenvolgens ‘debiel’, ‘opgeblazen’ en ‘zielepieterig’.

Dit herinnerde ik mij vandaag, omdat ik in april 1996 een stuk schreef over columns en polemiek. Het essay heette “Wapengekletter op papier” en staat hieronder.

Wapengekletter op papier

Vriendelijkheid in de literaire kritiek leidt alleen maar tot slechte boeken. Goede boeken zijn niet de boeken die vernuftig in elkaar zijn gezet, maar welke iets te zeggen hebben en daardoor de persoonlijkheid van de schrijver uitdrukken. De vorm is ondergeschikt aan de inhoud: wat gezegd wordt, moet ‘gewoon’ gezegd worden, niet in een of andere literaire kunsttaal.”

Bovenstaande opvatting is letterlijk opgeschreven door H.A. Gomperts en heeft betrekking op de criticus Menno ter Braak en de criticus, dichter en romanschrijver E. du Perron. Het jaar is 1932. Beide heren verkondigden hun meningen in het bekende tijdschrift Forum. De stukken van Ter Braak en Du Perron zijn altijd uiterst kwaadaardig, maar toch ook steeds elegant, spits en sportief. Ze vielen alles aan wat in hun ogen tweederangs was: de Nederlandse zelfgenoegzame volksaard die Du Perron aanduidde met “Jan Lubbes”, de impressionistische woordkunst, de streekroman, de boeken met een ethische ‘boodschap’ en het hoogdravende gepraat over kunst. De heren trokken ten strijde op papier en dat is wat een polemiek een polemiek maakt: een pennestrijd.

Hugo Brandt Corstius schrijft over prins Bernard: ‘Een man die het liefst een vliegtuig in een Zuid-Amerikaans bordeel zou verkwanselen’. Politici noemt hij ‘Haagse ratten’, die ‘zich volvreten ten koste van de bijstandstrekkers’. NOS-verslaggever Hugo van Rhijn is volgens hem een ‘huurmoordenaar’ en een ‘fascist’, oud-minister van financiën Ruding ‘de Eichmann van onze tijd’, oud-premier Biesheuvel ‘een ontstellende slijmjurk’, de ministers Udink, Geertsema en Veringa noemt hij achtereenvolgens ‘debiel’, ‘opgeblazen’ en ‘zielepieterig’, Beatrix en Claus zijn ‘twee uitgedroogde rozijnen’. Enzovoorts, enzovoorts.

Gerrit Komrij schrijft achterin zijn boek Horen, zien en zwijgen (1977) een zogenaamd “Vergeetregister”:
ABRAHAM, VADER. Zanger. Weeë liederen, valse kop, wraakzuchtige inborst. Volksheld dus.
HENK VAN DER MEYDEN. Journalistieke dief, werkzaam bij de Telegraaf. Verzamelt poppen en hult zich ’s avonds op zijn flat in ragdunne dameslingerie; vocabulaire van driehonderd woorden.
ZANGERES ZONDER NAAM. Zangeres. Mag geen naam hebben.

En zo zijn er talloze voorbeelden van schrijvers die andere mensen in hun geschriften onderuit halen. Zo noemde Hermans de dichter-essayist J.B. Charles een “literaire gorilla”, Renate Rubinstein een “oud blind grootmoedertje” en “kleine ondeugd”, en de dichter H. van Galen Last steevast “Van Gal en Last”. Over professor Gomperts, hoogleraar Nederlandse Letterkunde te Leiden en volgens Hermans “de echoput van Ter Braak en Du Perron”, schreef hij: “Zodra ik vind dat mijn naam weer in de krant moet, trap ik op Gomperts, niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een trambestuurder trapt op de bel.”

Maar er werd natuurlijk ook terug gescholden. Gomperts noemde hem een “beerput” en een “kinderachtig kwakertje dat in zijn opwinding nog het meest doet denken aan Donald Duck.” J.B. Charles zei dat Hermans “stellig gerekend moet worden tot de beste 321 dichters die Nederland heden ten dage heeft” en Van Galen Last vond hem “de grootst levende prozaschrijver van Groningen.”

Uit al deze voorbeelden blijkt dat de polemiek altijd twee partijen telt en dat er zo nu en dan op het scherpst van de snede wordt geschreven. Voor de één kan een stuk bijzonder komisch zijn, maar voor een ander kan hetzelfde stuk bijzonder kwetsend zijn. Jan Blokker zegt in een interview dat de polemische columnist voortdurend grensjes verlegt. “De één zal dat voorzichtiger doen dan de ander”, aldus Blokker.

Er zijn in de afgelopen jaren nogal wat columnisten voor de rechter verschenen in verband met het aanvallen van personen of instituten. Bij de kort gedingen blijkt dat de rechter rekening houdt met de min of meer ‘literaire’ aard van de column. Een columnist mag sterke bewoordingen gebruiken, overdrijven, simplificeren, insunueren, altijd binnen het kader van het algemeen belang.

Maar mag je in je column iemand met Hitler vergelijken? Leo Derksen van de Telegraaf associeerde Frits Bom met Hitler en hij erkende die associatie ‘doelbewust te hebben willen opwekken’. Persoonlijk vind ik dat een schrijver mag schrijven wat hij wil. Een makkelijk standpunt, maar ik kan niet beoordelen waar in een polemisch stuk de grenzen moeten liggen, althans, niet in z’n algemeenheid. Als iemand in zijn column de naam Hiltler gebruikt, dan hangt het van de context af of die naam wel of niet gebruikt kan worden. In het geval van Leo Derksen vond de rechter dat de columnist te ver was gegaan en Derksen werd veroordeeld. ‘De herinnering aan de Tweede Wereldoorlog is bij velen nog te levendig om het in relatie brengen van iemands persoon met de figuur van Hitler, anders dan in zeer uitzonderlijke en evidente gevallen (…) te kunnen rechtvaardigen’, aldus de rechter. Maar wat schreef Derksen dan precies? “Bom, die op de mestvaalt pas tot volle bloei komt, zoals de geschiedenis ons telkens weer figuren toont, voor wie onlustgevoelens de kweekbak zijn voor hun glorieuze opkomst, geniet zichtbaar van deze ellende. Hier voelt hij zich thuis als een vis in het water. Voor deze mensen is hij de Grote Leider, wat in het Duits Führer betekent, maar ja, elke taal heeft zo zijn eigen grapjes.”

Naar mijn mening had Derksen niet veroordeeld hoeven worden. Hij associeert Bom weliswaar met Hitler, maar de manier waarop hij dat doet vind ik toelaatbaar. Het was anders geweest als Derksen had geschreven dat Frits Bom een pleitbezorger van concentratiekampen is, dat hij het arische ras in stand wil houden en dat daarom allerlei andere rassen uitgemoord moeten worden. Dan ga je te ver, want dan maak je iemand letterlijk uit voor een beul, een massamoordenaar, een fascist. Wat Derksen volgens mij duidelijk wilde maken is dat hij het optreden van Bom gevaarlijk vindt, omdat zo’n optreden misbruik maakt van de ellende van de medemens. Daar kun je het wel of niet mee eens zijn. Ik kan de invalshoek van Derksen in ieder geval wel begrijpen, alleen zou ik me niet zo druk maken over het zogenaamde gevaar van ene Frits Bom.

De polemiek kent eigenlijk drie partijen, want wat is een polemiek zonder publiek? Gerrit Komrij zegt in een interview dat het publiek ervan geniet als een polemische columnist zijn tegenstander omsingelt, uitkleedt en vervolgens vermoordt. “Het publiek schept een heimelijk genoegen in vernedering en bloedvergieten. Leedvermaak en voyeurisme beantwoorden aan de kwaadaardigheid en onbetrouwbaarheid van het publiek”, aldus Komrij. Maar volgens mij onderschat hij het publiek, dat vaak twijfelt aan de morele betrouwbaarheid van de polemische columnist. Neem nou Theo van Gogh. In HP/De Tijd las ik een ingezonden brief, waarin de afzender duidelijk maakt niet langer gediend te zijn van de smakeloze stukjes van Theo van Gogh en dat hij daarom besluit zijn abonnement op te zeggen. Dit gevaar dreigt natuurlijk voor iedereen die zich van de polemiek bedient. Een polemist kan zich veel veroorloven, maar kan niet zijn publiek verspelen.

Tot nu toe heb ik het alleen over de polemische column gehad, maar er zijn natuurlijk nog andere methoden om iemand op papier aan te vallen. De recencent kan iemand aanvallen in zijn recensie, de essayist kan ten strijde trekken in zijn essay en de journalist kan iemand onderuit halen in zijn (opiniërend) artikel. En iemand die zich aangevallen voelt kan in plaats van naar de rechter ook naar de Raad van Journalistiek stappen. De klager die naar de Raad van Journalistiek stapt moet zich er echter wel rekenschap van geven dat het college geen sancties kent. Een voorbeeld: In een recensie in Het Parool van het boek “Wie is van licht?” van Jan Foudraine beticht recensente Fortuin de auteur van leugens en schrijft zij onder meer: “Die Foudraine is inmiddels als Amrito zelf een kwakzalver geworden, maar draagt nog steeds de titel psychiater. Mag dat?” Foudraine klaagde Fortuin aan bij de Raad van Journalistiek. De Raad oordeelde dat in de bespreking voldoende wordt onderbouwd waarom naar de mening van Fortuin Foudraine zich schuldig maakt aan leugens. De aanval van Fortuin op de betrouwbaarheid van Foudraine als psychiater acht de Raad echter niet van behoorlijke argumenten voorzien.

Artikelen in kranten kennen hun eigen criteria. In bijna iedere krant heb je het Commentaar; een stuk waarin de journalist (min of meer namens de krant) commentaar geeft op bepaalde zaken. Dan heb je nog de berichten in grappige en/of maatschappijkritische rubrieken. In de Volkskrant is dat bijvoorbeeld de rubriek Dag in Dag uit. In die rubriek schreef een journalist dat Drs. P op een school lucifersdoosjes uitdeelde, voorzien van de oproep zijn plaat voor 19 gulden te kopen. De plaat liet na bestelling eindeloos op zich wachten en bleek toen ook nog veel duurder te zijn. Onjuist was, dat Drs. P zelf de luciferdoosjes had uitgedeeld; dat had een leraar gedaan. De zanger verweet de krant onzorgvuldigheid en een ‘lasterlijke intentie’. De Raad voor Journalistiek oordeelde dat er geen sprake was van een onbehoorlijke journalistieke gedraging. In haar betoog maakte de Raad duidelijk dat de rubriek “Dag in Dag uit” een rubriek is welke zich qua stijl en inhoud aandient als een enigszins kritische en badinerende rubriek.

Wat is precies een badinerende rubriek en waar liggen de grenzen van de vrijheid van de columnist? Mag je iemand een fascist noemen, mag je iemand associëren met Hitler? Het zijn allemaal vragen waarop ik geen pasklaar antwoord heb. Eerder schreef ik al dat bij een antwoord op dit soort vragen tal van omstandigheden een rol spelen. De context waarin iets wordt gezegd, het medium waarin het wordt geschreven, de rubriek waarin het wordt geschreven, de functie van degene die aanvalt, enz., enz. Als iemand zich in een stuk voelt aangevallen, dan kan hij of zij in de tegenaanval gaan door een stuk terug te schrijven. Hij kan de kritiek ook over zich heen laten gaan én hij kan naar de rechter stappen. Dat zijn de mogelijkheden en daar zal denk ik geen verandering in komen. De polemiek kan een sierlijk steekspel zijn of noeste arbeid met een houweel. Zij kan onduidelijkheden verhelderen of bepaalde politieke uitspraken aan de kaak stellen. Maar het is onmogelijk precies de grens tussen ‘politiek of sociale kritiek’ en ‘belediging, smaad en laster’ bij de polemiek vast te stellen. Dat is maar goed ook, want anders krijg je achttiende-eeuwse toestanden, waarin politieke kritiek of openbaarmaking van feiten die de overheid in een kwaad daglicht stelden, simpelweg gedefinieerd als smaad. Dat was wel zo eenvoudig, maar niet zo democratisch.

Deze tekst verscheen later ook op de opiniepagina joop.nl.