Perdu, 20 jaar na dato

shutterstock_172002743 In 1995 maakte ik als studieopdracht voor de opleiding Tekstschrijven aan de Hogeschool Holland in Diemen een maandelijkse brochure met daarin alle literaire activiteiten in Amsterdam. Destijds interviewde ik Peter Gorgels van de literaire stichting Perdu, die net van de Kerkstraat naar de Kloveniersburgwal was verhuisd. Onderstaand interview geeft weer hoe Perdu in dat jaar aan nieuwe programma’s werkte.

Perdu werd in 1984 in het leven geroepen door Chris Keulemans. Naar aanleiding van het 10-jarig jubileum in 1994 schreef de NRC ‘misschien is Perdu wel de VPRO onder de literaire podia.’ Misschien wel. In ieder geval bestaat Perdu nog steeds en dat is bijzonder. Hieronder het interview met Peter Gorgels, die destijds de literaire programma’s bij Perdu organiseerde.

Kun je je kort voorstellen?
– Mijn naam is Peter Gorgels. Ik werk sinds augustus 1993 bij Perdu en organiseer de literaire programma’s. Momenteel ben ik degene die er het langst bij zit, bij de programma’s.

In de Kerkstraat organiseerde je ook al literaire avonden?
– Ik heb van begin af aan programma’s gedaan. Perdu is ooit opgericht door Chris Keulemans..

Perdu zit nu aan de Kloveniersburgwal. Wat is het verschil met de Kerkstraat?
– Op zich verschillen de programma’s niet zo. Alleen heb je hier professionele theatertechnische faciliteiten en je hebt meer plek voor tribunes. Wat we veranderd hebben is dat we meer de theatrale kant opgaan. Perdu is eigenlijk bekend geworden door programma’s met veel discussies.

Veel politiek, althans vroeger.
– Ja, literatuur én politiek hebben we ook wel gedaan en dat doen we nog steeds. Maar nu heb je de mogelijkheid theatraler te worden en dat past volgens mij ook meer bij deze tijd. Het is toch het postmoderne tijdsgewricht en er moet ook een bepaald entertainment komen. Die discussiecultuur is eigenlijk een beetje verdwenen, dat hoorde bij de jaren zeventig, tachtig. Dat doen we nog wel geregeld, maar dan moet er echt iets aan de hand zijn. Of we moeten iets sluimerends zien waar we dan een issue van maken. Maar ik vind het ook leuk om met de vorm van programma’s veel dingen te gaan doen. Het leukste vind ik eigenlijk om de vorm van de programma’s aan te laten sluiten bij de vorm van het onderwerp. Vorig jaar hadden we een programma over Cortázar, een Argentijnse schrijver, Julio Cortázar. Die heeft een roman geschreven in een soort hypertekst. Je hebt een hoofdstuk, dan heb je een noot, dan moet je naar een soort metatekst gaan, dan weer terug en dan ga je als een avonturier door de roman. Als een hinkelspel. Die avond werden de verzamelde verhalen van Cortázar gepresenteerd en toen hebben we eigenlijk dat systeem van dat hinkelspel aangehouden. Een bekend verhaal van hem was de rode draad en steeds braken schrijvers en muziek in op dat verhaal. Dus het aardige is dat je dan ook in de vorm, dus de sfeer, de kwaliteiten van die bepaalde literatuur weerspiegelt.

Vorig jaar hadden we ook een programma over Avant-pop, dat stond overigens in de laatste Zoetermeer (literair tijdschrift). In de Kerkstraat hebben we daar een programma over gehad. Dat zijn dus schrijvers die zich heel erg op internet manifesteren. De teksten van die mensen werden door een spraaksimulator, door een computer, met een vervormde stem voorgedragen. We hadden ook een interview met Mark Amerika, een Amerikaanse schrijver uit New York. Dat was online via internet. Je hebt dan van die speciale platte beeldschermen die je op een overheadprojector kunt leggen en waarmee je alles aan de zaal kunt laten zien. Het aardige was, er waren een aantal jonge schrijvers uitgenodigd om hierover te praten. Daar zat ook Rob van Erkelens bij, die het voor Zoetermeer heeft gebruikt door de vraag op te werpen ‘vinden jullie dit nu een goede manier om met de nieuwe media om te gaan als schrijver’, zoals die Avant-pop auteurs dat deden. Het aardige was dat ze dus ook met die auteur konden schrijven. Iemand typte de vragen in, dat was heel simpel. Dit was allemaal van tevoren geregeld door Ernie Jonker. Die had alles in scene gezet. En het voordeel van dit pand is, je hebt gewoon een volledige theaterruimte, je kunt veel meer doen. Vroeger hadden we echt een soort kelder achter een boekhandel. Idealiter willen we van elk programma een evenement maken. En natuurlijk alleen als het echt aansluit, als je er écht iets mee kan. Het onderwerp moet zich er ook voor lenen. Bijvoorbeeld de SLAA, die zijn veel statischer, een paar lezingen en dan vaak met een discussie. Wij proberen daar toch veel avontuurlijker in te zijn. Dat is eigenlijk het grootste verschil.

De auteurs zijn moeilijk te krijgen voor een avond. Is dat nog zo?
– Perdu is echt gegroeid en de sfeer van de beginnende schrijvers zetten wij eigenlijk gewoon door. Dat is één kant. Laat ik het zo zeggen: we richten ons eigenlijk op vier dingen. Nieuwe ontwikkelingen in de literatuur, poëzie, avant-garde literatuur van deze eeuw en het grensgebied tussen literatuur en andere literaire disciplines. Zoals dat stripprogramma dat we volgende maand hebben. Schrijvers en striptekenaars zijn aan elkaar gekoppeld. Daarnaast zijn we bezig met poëzie,  avant-garde literatuur en dan kom je vaak op hele specialistische onderwerpen. Daar zijn ook vaak grote namen mee bezig, omdat ze het leuk vinden dat wij dat doen, dat we echt geïnteresseerd zijn. Dan komen ze ook gewoon voor heel weinig geld. In die zin hebben ook regelmatig grote namen. Gerrit Kouwenaar, Adriaan van Dis en Rudie Kousbroek, die bijvoorbeeld geïnteresseerd is in de Franse avant-garde literatuur. Maar het is niet zoals bij de SLAA dat je een bijvoorbeeld een taboe lezing hebt. SLAA had zo’n taboe reeks. Dan kunnen ze bijvoorbeeld Gerrit Komrij vragen, die krijgt dan 1.500 gulden en hij houdt vervolgens een taboe lezing. Dat doen wij niet. Maar stel dat Gerrit Komrij in één of andere hele gekke auteur is geïnteresseerd waar wij hier iets mee doen. Dan benaderen we hem waarschijnlijk wel. Op die manier heb je dan ook vaak grote namen die meedoen, vooral ook omdat je midden in Amsterdam  zit.

Structurele subsidie. Geen gevaar voor gemakzucht?
– Dat gevaar zit er natuurlijk in. Maar ten eerste zouden we de mensen niet zo gênant zestig gulden hoeven geven, maar zouden we ze eindelijk gewoon eens tweehonderd of tweehonderdvijftig gulden geven. Het is natuurlijk een gevaar waar je voor moet opletten. Maar het is ook zo dat wij steeds uit jonge mensen bestaan die net afgestudeerd zijn. Er komen altijd nieuwe mensen bij en die zijn even enthousiast als Chris in 1984 was, toen hij begon. Dat is ook de truc van Perdu. Vaak zie je dat deze dingen heel erg snel inzakken, want je krijgt steeds weer een nieuwe aanwas van jonge, enthousiaste medewerkers. Maar de mensen die er langer bij zitten geven dat enthousiasme en de kennis ook gewoon door. Dan heb ik er dus alle vertrouwen in dat die lijn gewoon wordt doorgezet en dat staat ook heel duidelijk in onze aanvragen, die positief worden gehonoreerd. Als je dan toch in de fout gaat, dan word je na vier jaar genadeloos afgestraft. Vroeger moesten we ieder jaar bedelen en nu is het iedere vier jaar, dat is wel iets prettiger. We zijn open, dat is een openheid naar het publiek toe. Tegenwoordig wil iedereen dat. De RAI wil ook cafés hebben, de RAI wil ook opener zijn, het is iets van deze tijd, je moet heel erg open zijn. De Balie heeft ook een café. Het is heel belangrijk, ook voor mensen die met ideeën komen. Maar je moet wel ontzettend goed oppassen dat je je geld verantwoordt.

Buitenlandse auteurs uitnodigen?
– Nee, dat gaan we ook niet doen, dat moet de SLAA maar doen. En je hebt nog andere stichtingen in Amsterdam. Maar wat we wel doen, dat heb ik dit seizoen ook al gedaan, is mensen hier te laten optreden die in de stad zijn om een boek te promoten. Dan maken we er ook een speciaal programma van.

Boekpresentaties. De SLAA doet dat principieel niet.
– Jawel hoor, ze noemen het dan misschien niet zo. Dit seizoen hebben ze van George Perec, Het leven een gebruiksaanwijzing, daar hebben ze een programma op gemaakt. Dat zijn gewoon boekpresentaties.

Die ze niet zo willen noemen?
– Ja, dat willen wij eigenlijk ook niet. Kijk, zo’n boekpresentatie ..dan denk je al snel aan zoals een vernissage van een kunstenaar, in een kleine galerie met een borrel, iets receptie-achtigs. Maar wij maken er altijd bijzonder literaire programma’s van en presenteren ook alleen maar een boek als dat past in onze doelstelling. Bijvoorbeeld die Cortázar, dat was een boekpresentatie, maar dat was een hele bijzondere auteur, die een hele grote rol heeft gespeeld in de avant-garde literatuur in deze eeuw. En dan besteden we daar gewoon aandacht aan.

De zaal, wordt die verhuurd aan andere organisaties?
– Het is onder ons beheer, maar we verhuren het aan theatergroepen e.d. Enerzijds wil je het gebruik van de zaal optimaliseren, dat je niet gewoon zo’n mooie ruimte midden in de stad voor je eentje, voor jezelf alleen houdt, terwijl ie vaak gewoon leeg is. Dus een sociale functie. Anderzijds hebben we gewoon geld nodig, vooral dit jaar. Maar nu kunnen we de gewone huurlasten zonder verhuur niet opbrengen. Anders zouden we failliet gaan. Het is nu ook financieel hoog nodig, maar vanaf volgend jaar hopelijk niet meer. Dan gaan we wel door met verhuur, enerzijds om het tekort te dekken en anderzijds om tegemoet te komen aan de grote behoefte aan repetitieruimte die er in Amsterdam is.

Een combinatie poëzie, theater, het Amsterdams poëziefestival. Dat zei je in een vorig interview in de Volkskrant.
– Al die grote plannen. Ja, een poëziefestival zie ik niet zo één twee drie komen. Het is zo, Amsterdam is toch de literaire hoofdstad van Nederland. Alle uitgeverijen zitten hier, er is eigenlijk een continu literair aanbod. En wat je nu ziet in steden die dat niet hebben, zoals Rotterdam en Utrecht, is dat ze van dat soort festivals gaan organiseren. Ze willen zich dan cultureel profileren met een festival zoals bijvoorbeeld de Nacht van de Poëzie in Utrecht en Poetry International in Rotterdam. Op zich is dat een aardig idee, maar hier is eigenlijk iedere maand een poëziefestival.

Geen idee om ook zo’n festival op te zetten?
– Op zich wel, maar van de andere kant denk ik ‘het gebeurt gewoon al’, in Rotterdam en Utrecht. Ik denk dat Amsterdam toch meer de plek is voor dingen zoals de SLAA en Perdu, een continu aanbod van activiteiten, omdat hier continu dingen gebeuren. Schrijvers uit andere landen komen hier naartoe, je moet er alleen op in springen. In oktober, de openingsweek van vorig jaar, hadden we een poëzieboekenbeurs met 17 grote en kleine uitgeverijen die zich richten op poëzie zoals Querido, Bezige Bij, maar ook kleinere uitgeverijen. Dat was een hele middag. Er traden ook een stuk of twintig dichters op. Bij de laatste presentatie van een boek, van de jonge dichter Erik Lindner, treden dan ook gewoon 8 jonge dichters op. Dat zijn dan kleine festivals. Dus dat idee van een poëziefestival klinkt goed, maar je moet er leuks mee weten te bedenken. Je moet een bepaalde invalshoek hebben, een onderwerp. Maar je moet er ook iets leuks voor weten te bedenken en dan kom je weer op die vorm terug.

Met hoeveel mensen organiseren jullie de avonden?
– Met z’n vijven.

Nog steeds 4 programma’s per maand?
– Ja, zo’n 34 programma’s per jaar over 8 maanden. December en juni zijn eigenlijk halve maanden.

Controverse avonden
– Die dikke Komrij kwam er aan. Wat je dan ziet, is dat het ontzettend goed verkoopt, maar in de kranten en de tijdschriften schrijft bijna niemand er een stuk over. Terwijl hij toch de ‘Maximale dichters’ weer een plaats geeft in de canon, zal ik maar zeggen. Door een boel van die dichters erin op te nemen, heeft hij ze opgewaardeerd. Dus hij doet wel degelijk controversiële dingen. We hebben het even aangekeken en als er dan niemand op reageert, dan doen wij het wel weer. Dat bleek dus zo te zijn. Dit vonden we nou echt een ‘controverse programma’. Het gaat dan over de waarde van die bloemlezing. Hij wordt ontzettend veel verkocht, hij wordt echt als een soort canon beschouwd, maar anderzijds lijkt het wel of hij ook niet echt serieus wordt genomen, omdat niemand er een stuk over schrijft, laat maar gaan die gekke Komrij. Maar toch is het een enorme autoriteit. De vorm is dan vrij simpel, gewoon vier mensen gaven er een reactie op, een minuut of tien per persoon en dan was er na de pauze een discussie o.l.v. Maarten Doorman. Pieter Boskma is bijvoorbeeld zo’n Maximale dichter die dus echt met zes gedichten in één keer werd opgenomen, dus die was in een keer..

…gevestigd.
– Ja. En dan Rogi Wieg, een iets ander type. Hij schrijft ook recensies in het Parool en heeft zelf ook ‘gebloemleesd’, dus hij is een kenner en schrijft ook weer andere poëzie dan Boskma. Toen moesten we iemand hebben die er niet in stond en gingen we op zoek naar onbekende namen. We  kwamen uit bij Yvonne Né, een vrouw. Dat is ook wel belangrijk, dat het geen mannenclub wordt, wat het wel vaak wordt, dat is een beetje vervelend. En H.H. ter Balkt was er, iemand die begon als een soort Lucebert epigoon, maar later een heel eigen toon ontwikkelde. Dat is ook iemand die een beetje van statements houdt. Je moet voor zo’n soort programma geen dooie vogels hebben, laat ik maar zeggen. En je probeert ook vanuit psychologisch oogpunt zo’n programma een beetje in elkaar te zetten. Maarten Doorman is bijvoorbeeld een hele goede gespreksleider. Hij is een paar jaar poëziecriticus van de Volkskrant geweest, is zelf ook dichter en hij kan bijzonder goed zo’n gesprek leiden.

Kees Ouwens
– Deze avond gaat over de dichter Kees Ouwens. Rein Bloem kwam naar ons toe. Kees Ouwens is niet genomineerd voor de VSB Poëzieprijs en Kees Ouwens behoort toch tot de grote dichters. Zijn bundel wordt overal genegeerd of niemand doet moeite om het echt goed te lezen, omdat hij toch vrij ontoegankelijk werk produceert. Ja, toen vonden we het aardig om daar wat aan te doen, dus organiseerden we een polemische vond. Een statement, hij is niet genomineerd, maar wij vinden het de moeite waard. Toen zijn er wat mensen bij elkaar gezocht die wel feeling hebben met het werk van Kees Ouwens. Ze hebben er later dan ook over gesproken, over de problemen van de kritiek bij het bespreken van dergelijk toch wel moeilijk werk. Dit past ook wel erg in de nieuwe ontwikkelingen, maar het heeft ook met avant-garde te maken. Kees Ouwens sluit ook erg aan bij een soort moeilijke poëzie, die een beetje met de Vijftigers te vergelijken is.

De onderwerpen dienen zich aan?
– Je moet wel alles volgen. Enerzijds wel, anderzijds ..

De Sonde.
– De Sonde heeft eigenlijk te maken met onze ambitie, ook in het nieuwe pand, om een ander soort programma’s te maken. Het was de bedoeling een iets snellere show te maken, een mengeling van wat banalere programmavormen die vaak op televisie te zien zijn…

David Letterman-achtig, zei Rob vorige week.
– Ja, een beetje dat soort elementen vermengen met de wereld van literatuur en dat zou dan iets moeten opleveren. We hebben het vanaf februari vier keer gedaan. De eerste twee avonden waren ook qua publieke opkomst redelijk goed. De eerste programma’s trokken wel 30 betalende bezoekers. Plus de rest, dan zit je toch wel met zestig, zeventig man in de zaal. De publieke belangstelling zakt nu aan het einde van het seizoen een beetje in. Misschien moet je in mei niet te veel van dat soort programma’s doen. Maar die avond met Kees Ouwens werd bijvoorbeeld heel goed bezocht. Dat is ook een heel specialistisch onderwerp én het is iemand die fans heeft, al 20 jaar. En de Sonde, kijk, het is een idee wat Chris Junge en mij ook voor ogen stond. Chris heeft wel vaker van dit soort dingen bij ons gedaan. Het is meer een soort theatraal idee. Na de IRT affaire bijvoorbeeld een soort literaire inquisitie of zo, met critici en schrijvers. Maar het zat dus boordevol met allemaal gekke ideeën en het bleek al heel snel dat Chris gewoon het interviewen heel erg belangrijk vond. Die gekke dingen die wij er omheen bedachten werden dus steeds minder. En wat hij eigenlijk deed was gewoon een gesprek voeren met twee gasten. Het werd steeds meer een soort televisieshow. En dan heb ik ze wel eens beter gezien. Dus het is een beetje teleurstellend geworden. Chris is theatermaker en kreeg ook opeens allemaal opdrachten waar hij zich helemaal op moest storten. Het is dan jammer dat zo’n show niet helemaal wordt wat je wilt en daar kun je dan ook niet mee de boer op, zal ik maar zeggen. Wat dat betreft hebben we gefaald.

Wil je ermee verder gaan?
– Ik wil er wel mee verder gaan, maar dan echt onder hele specifieke condities. Kijk, het was de eerste keer dat we zo’n show deden en het probleem was ook, het was actueel. Je weet niet wie er komt. Dat is een publiciteitsprobleem voor zo’n show. Het klinkt vrij lullig, maar als je ermee begint, dan trap je toch echt in beginners valkuilen. Dus als we ermee doorgaan, dan moet de publiciteit goed zijn. Iedereen moet weten, dit gaat er gebeuren. En punt twee, de show moet gewoon veel bijzonderder worden. Als Chris Junge ons niet het vertrouwen kan geven dat het zo wordt, dan is het gewoon moeilijk en voor hem zelf ook zo niet leuk.

De aankondiging, polemiek met theater, etc.
– Het is wel grappig om dat te lezen, maar waarom zou je er naartoe moeten gaan? Als het gewoon iets bijzonders wordt, ja. Dat is ook met die avonden. Kijk, wij hebben voor de rest een heel specialistisch programma, maar het staat wel ergens voor, mensen weten wat ze daar aan hebben, het heeft een eigen gezicht en dat is heel erg belangrijk. De show moet ook een eigen gezicht krijgen en niet teveel lijken op wat je al elke dag op de televisie kunt zien. Die programma’s, waar heb je die voor de rest? Nergens. Ja, de SLAA, maar wij hebben toch een andere doelstelling. Je poogt uniek te zijn, iets te presenteren wat nergens anders plaatsvindt en dan heb je gewoon een bepaald publiek. Weliswaar geen Carré publiek, maar wel een publiek. Zo’n Sonde moet ook z’n plek verdienen. En dat past natuurlijk heel erg in onze lijn van debutanten en poëzie. Het is een heel specialistisch programma, dus eigenlijk moeten jonge dichters verhalen over hoe zij te werk gaan. Met die titel ben ik achteraf niet erg gelukkig. Je moet een eigen deuntje hebben, dat is van Celine, die had het altijd over het eigen deuntje, een eigen deuntje, een eigen stijl, eigen vormgeving. Iemand als Reve. Alle goede kunstenaars hebben hun eigen stijl. En op dat moment voeg je ook iets toe aan de wereld zal ik maar zeggen. Dat is dan ook de moeite waard. En het moeilijke is, als je dus kunstenaar wilt worden, dat je in het begin toch vaak lijkt op wat er al is…

…op wat je gelezen hebt…
– …en je moet de kunst in huis hebben een eigen geluid te ontwikkelen. Dit programma gaat er dus over dat beginnende dichters over die problematiek verhalen.

Ik vond het een leuk idee.
– Dit zijn meer reeksen. Je hebt een bepaalde doelstelling, een bepaalde interesse. Kijk, die redacties veranderen ook.

Reeks, hebben jullie nog reeksen op stapel?
– Soms is het niet duidelijk of iets een reeks gaat worden. Wij hadden in maart en april de programma’s Na de wending. Dat zijn dus schrijvers uit het Oostblok. Een heleboel van die schrijvers komen naar Amsterdam, verblijven hier als gastdocent aan de universiteit. Er worden ook steeds meer boeken van die mensen vertaald en gepubliceerd. Dus het leek ons aardig om, als ze hier toch zijn, er gebruik van te maken dat ze hier in de literaire hoofdstad van Nederland zitten. Vaak zitten ze drie maanden op hun kamertje en doet wat op de universiteit. Maar het is veel leuker om ze ook in contact te brengen met schrijvers hier in Nederland, met generatiegenoten. Met lezers.

Houden jullie in de gaten wat de Balie programmeert?
– Niet alleen de Balie, maar ook de Rode Hoed, Maison Descartes, het Goethe Instituut, je hebt natuurlijk toch veel dingen. Ook kleinere podia, Winston heb je nog, die hebben een poëzieavond. Dus er gebeurt van alles. Maar als we nu bijvoorbeeld zeggen ‘dit is een interessante reeks en we willen er echt verder mee’, dan kunnen we in juni een brief opstellen en uitgeverijen die met dit soort auteurs bezig zijn gewoon een brief schrijven en vragen ‘goh, is er iemand bij die voor ons naar Nederland komt’. En dan kan zo’n reeks een vervolg krijgen. De voorganger van deze reeks heette de Boek Alfa reeks waarin schrijvers spraken over een schrijver die ze echt bewonderden. Die heeft in ongeveer tien jaar misschien wel zestig afleveringen gehad. Dat is een enorm lange reeks. Maar we vonden het ook goed om daar een keer mee te stoppen en dit is eigenlijk een stapje verder. Je hebt het niet alleen over schrijvers die je heel erg bewondert, wat op zich natuurlijk heel vaak mooie lezingen oplevert, een bewondering is vaak heel vruchtbaar, maar je gaat een stap verder door te zeggen ‘je hebt iemand die je bewondert, maar je moet je er ook van losmaken om zelf een goed kunstenaar te worden.’

Post Perdu, daar komen de mooiste lezingen in te staan. Bepalen jullie zelf wat de mooiste lezingen waren?
– Dat is een aparte redactie, maar daar zitten ook mensen van de Avonden in. Ja, Post Perdu is een beetje de sluitpost van onze activiteiten. Het laatste nummer is ook al weer negentien maanden geleden verschenen. Maar het blijkt dat ook heel veel goede lezingen gewoon gebruikt worden voor kranten of andere literaire tijdschriften. Anderzijds zijn lezingen weer wel interessant de avond zelf, maar om die dan ook echt te publiceren, dan denk je ook, daar is dan weer niet goed genoeg voor.

Alle Avonden worden opgenomen?
– In principe wel. We vergeten het wel eens, maar ik denk dat van al die jaren sinds het begin toch wel 90 tot 95 procent is opgenomen. En als het goed is moet dat ook eens een keer goed geordend worden. Misschien dat het ooit nog eens naar het letterkundig museum kan.

Een behoorlijk archief.
– Een paar dozen vol. Dus dat is een beetje hoe ideeën groeien. Er zijn nog veel meer manieren. Eén manier die ik erg leuk vind is dat je meer vanuit de vormen begint te denken. Dat je denkt, wat zou nu een leuke vorm zijn voor een avond en dat je daar dan een onderwerp bij zoekt. Bijvoorbeeld die Cortázar avond, toen waren we bezig met een bekend iets, namelijk het zappen, een zap avond. Maar dat vonden we dan weer te flauw, omdat het natuurlijk al heel vaak gebruikt wordt.

Geld en apparatuur
– Nou, het geld is natuurlijk niet voor de apparatuur. Het is zo, wij huren het pand van de stichting theater Captain Fiddle, die bestaat nog steeds. Zij beheren ook de apparatuur van het pand en ontvangen een maandelijkse vergoeding van ons, zodat ze kunnen sparen als er iets kapot gaat of vernieuwd moet worden. Het is dus de bedoeling dat zij de theater attributen verzorgen. Maar als wij bijvoorbeeld speciale dingen willen en zij zeggen ‘nou dat kunnen we niet betalen’, dan denk ik eerder dat we bijvoorbeeld het VSB-fonds moeten aanspreken of een soort aparte investeringssubsidie moeten aanvragen.

Het nieuwe seizoen? Vier avonden per maand?
– Ja, 34 avonden over 8 maanden was het vorig jaar. Gemiddeld vier per maand.

De toegankelijkheid, experimentele dingen.
– Experimenteel. Avontuurlijk zou ik liever zeggen. Experimenteel is in een bepaalde context een ouderwets begrip.

De SLAA zegt dat hun avonden wel op academisch niveau zijn.
– Wat bedoel je precies? Ja, academisch niveau, dat hebben wij ook, maar de benadering is anders. Zelfs als academici spreken, dan willen we dat ze vanuit hun liefde voor een bepaalde schrijver spreken en niet op een academische manier. Bij de SLAA gaat het vaak die kant op. Wij proberen ook door speciale opdrachten mensen juist te pushen om iets anders, iets geks te doen. Zo’n Belcampo avond in april. Daar werd dan aan de mensen gevraagd een verhaal te schrijven waarin de filosofie van Belcampo realiteit zou zijn geworden. Dus ze moesten een verhaal schrijven wat in die wereld speelde. Dat soort ludieke opdrachten bedoel ik.

Mensen uitdagen?
– Ja, om iets anders te doen. Maar altijd wel met betrekking tot die programma’s of dat onderwerp. Dat is dus heel erg belangrijk, vorm en inhoud. Maar je ziet ook vaak mensen die dan zeggen, ‘ja, we gaan nu een bijzondere literaire avond doen’ en dan blijkt dat ze er alleen muziek bij hebben of …er zit dan geen idee achter. ‘We willen het literair wat minder saai doen’, dat is ook zoiets wat je dan vaak hoort. Maar als je écht in een onderwerp geïnteresseerd bent, dan is het niet saai, ook al zijn het gewoon lezingen. Maar als je het minder saai wil doen, wat ik trouwens ook graag wil, dat theatrale en zo, dan moet het wel met het onderwerp te maken hebben en dat moet op een originele manier gebeuren. En daar streven we naar. Soms lukt het, soms niet. Ons slotfeest in juni is een animalfarm met allemaal..nou ja, dat moet je maar lezen in het juni nummer. Maar op zich is het wel aardig dat je met die brochure bezig bent, want ik was in mei in New York op vakantie en daar hebben ze een maandelijks krantje met alle literaire activiteiten in New York. Zelf had ik ook het idee om dat hier in Amsterdam te gaan doen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s