Author Archives: AvG

Door

we kregen klappen
vielen om, droegen
maskers

maskers vielen
van gezichten

niemand kwam de klap
te boven, niemand
stelde de vraag naar
het gebeurde

maar het gebeurde

door moesten we, door
naar hoe het was
door had niemand
hoe het was
hoe het is

adembenemend

ja, adembenemend
maar nu niet zeuren

door!

Bovenstaand gedicht is opgenomen in de bundel Literatuurprijs Zeist 2022

Woorden

Ochtend

de dag vangt stokkend aan
ik stap op een startblok
wacht
en spring ze dan tegemoet
onschuldig zijn ze, betekenisloos en
van een schoonheid, daar kan
geen woord tegenop

letters ontbreken, althans, zijn
niet herkenbaar, sterker nog
niemand ziet hier woorden in
ik zie ze trappelen, ik trappel mee
dat vinden ze o zo fijn
en zo groeien zij en ik
tot woorden, en
mijn dag kan niet meer stuk

Middag

ik loop mijn dagelijks rondje
en stamp woorden uit de grond
ik vang ze op en neem
ze mee naar huis

ik leg ze op papier
het zwijgen op, breng ze terug
tot de stilte waarin ze ooit
werden geboren, pas dan
wek ik ze met mijn vingertoppen
tot leven

sommige leven langer dan andere

maar vergaan doen ze nooit
zoals een ziel altijd weer
een lichaam zoekt en
woorden inkt, of aanslagen
op een toetsenbord

Avond

tot de stem komt, gevuld met
vluchtige woorden kondigt hij aan
dat ik stoppen moet
de pen neerleggen

wolken schuiven voor de zon
de temperatuur daalt
mijn adem stokt
woorden stokken
ik schrijf nog snel iets op
probeer krampachtig de woorden
bij elkaar te houden, maar ze zijn
al leeg, koud, ijskoud,
ik capituleer

Dit gedicht verscheen eerder op de website van MEANDER

Op weg

‘Ik zoek het ziekenhuis.’
‘Je volgt dit pad. Eerst rechts, dan links en dan weer rechts’, zei één van de twee oude dames.
Een fietsbel waarschuwde, maar ik kon het geluid niet snel genoeg thuisbrengen.
‘Jezus, kun je niet uitkijken? Heb je geen ogen in je lijf?’
Ik maakte een flinke smak. Het bloed sijpelde uit mijn hoofd.
‘Ik bel een ambulance’, zei één van de twee oude dames. Ze waren me gevolgd, omdat ze verder niets om handen hadden.
‘U hebt een aardige smak gemaakt’, zei de dokter. ‘Een hersenschudding. U blijft nog twee dagen om uit te rusten.’
Op de dag dat ik uit het ziekenhuis werd ontslagen, adviseerde de dokter me de eerste week niet te fietsen. Ik stapte in een bus.
‘Chauffeur, u gaat verkeerd’, riep één van de twee oude dames naar voren.
‘We gaan goed hoor, mevrouwtje’, riep een man achter mij. Ik keek om. Daar zat de fietser die mij had aangereden.
‘Wie bent u?’, vroeg ik.
‘Wie denkt u?’, lachte hij en haalde een dode kat uit zijn binnenzak.
‘Jezus, u bent gek!’
‘Tot nu toe leek alles nog zoals het was, nietwaar’, zei de man.
‘Ik snap het niet.’
De man smeet de kat door het raam van de bus. De kat was weg. Het raam was heel.
‘Je droomt, idioot. Je moet wakker worden en niet in je droom blijven zitten. Daar komen ongelukken van.’
Direct na het horen van deze woorden maakte de chauffeur mij wakker.
‘Dit is het eindpunt. U hebt zitten slapen. Het is niet mijn taak iedereen wakker te houden. Ik hoop dat u er hier uit moet, want verder ga ik niet.’
‘Ik ben alles’, las ik in graffiti letters op de ruit van het verlaten bushokje.
‘Ik ben alles’, dacht ik en vertrok.

« Oudere berichten Recent Entries »