Vorige week was ik op weg naar de Leipziger Buchmesse. Op een regenachtige zaterdagochtend wachtte ik op het perron van Berlin Hauptbahnhof op de trein naar Halle. Mijn vingers zochten in mijn broekzak naar muntgeld om een flesje water uit een automaat te halen. Op dat moment liep een vrouw met kranten op haar arm bijna tegen me op. Ik had een 2 euro munt in mijn hand. Ze knikte vriendelijk en gaf me het Karuna Kompass, een Berlijnse straatkrant waarvan de verkoopprijs 100% ten goede komt aan de persoon die de krant verkoopt. Ik had nog net voldoende muntgeld over om een flesje water te kopen. Dat dronk ik een kwartier later op in de trein. Ondertussen bladerde ik door de straatkrant en ontdekte een interessante bijdrage over verandering.
Kan een korenbloem een roos worden? Zo luidt de titel van de bovengenoemde bijdrage. In dat stuk gaat het om de vraag wat verandering precies is en wat voor verandering mensen vandaag de dag voor ogen hebben. Het eindigt met de interessante vraag of we een andere weg in willen slaan als we het perspectief van een wenselijke toekomst hebben verloren. Volgens Hanna Arendt (1906 – 1975) zijn we zeer goed in staat andere perspectieven te kiezen – we hebben alleen de moed daartoe nodig.
De auteur van het stuk is de Duitse filosofe en schrijfster Ina Schmidt. Ik heb haar toestemming om de complete tekst in de Nederlandse vertaling op mijn blog te zetten. Deze staat hieronder.
Kan een korenbloem een roos worden?
Alles verandert. Dit is geen bijzonder nieuw inzicht, dat weet iedereen. En toch lijkt het erop dat verandering heel verschillende en soms tegenstrijdige gevoelens en reacties oproept: van je schouder ophalen bij een verandering die algemeen bekend is tot existentiële angsten bij huidige, bedreigende veranderingen. Wat betekent verandering? Ina Schmidt stelt een paar vragen bij het begrip verandering.
De schrijver James Baldwin (1924 – 1987) schrijft: “De verantwoordelijkheid van vrije mensen ligt in het vertrouwen en vieren van de constanten in het leven: geboorte, strijd en dood zijn constanten, net als liefde, ook al lijkt het voor ons niet altijd zo – en de aard van ‘verandering’ te begrijpen, om in staat en bereid te zijn voor de ‘verandering’. Hiermee bedoel ik geen oppervlakkige, maar diepgaande ‘verandering’ – ‘verandering’ in de zin van vernieuwing.”
Momenteel is echter een maatschappelijke onrust over mogelijke of op handen zijnde veranderingen onmiskenbaar . Een onrust die eerder aansluit bij de opvatting dat we midden in crises naar veiligheid en stabiliteit moeten zoeken en dus niet meer mogen veranderen. Maar wat willen we daarbij precies behouden, vasthouden en tegen verandering beschermen? En verander je ondanks alles sowieso niet, wat je ook doet of niet doet?
Wat betekent eigenlijk verandering? Wat voor soort verandering willen we, wat kunnen we daarvoor doen of laten en wat verandert ook onder veranderde omstandigheden niet, zelfs als we dat echt willen? De Griekse filosoof Heraclitus (ca. 520 v.Chr. – ca. 460 v.Chr.) wist al dat vergankelijkheid – dus een permanente staat van verandering – de enige constante is. Van hem stamt de beroemde uitspraak dat we nooit twee keer in dezelfde rivier kunnen stappen: “Alles stroomt”. Verandering in de zin van ‘anders worden’ heeft altijd te maken met tijdgebonden processen en vindt plaats in de ‘tijd’. Toch hebben we soms de indruk dat in de loop van de tijd slechts een paar dingen werkelijk veranderen, terwijl andere dingen vrijwel onveranderd de tijd doorstaan. Er wordt dus nog iets anders met verandering bedoeld dan alleen het feit dat dingen of mensen, situaties of overtuigingen in de tijd bestaan en deel zijn van levende processen.
De ontmoeting met de ander
Aan verandering wordt dus een waarde toegekend die zeer verschillend kan uitvallen: een hoedanigheid die we afgebakend kunnen onderscheiden van het bestaande, het gebeurde en het toekomstige. Iets is veranderd, het is gewoon niet meer wat het eenmaal was. We veranderen zelf – of we veranderen iets of iemand. Een plek, een persoon, een smaak of een gevoel: we houden niet meer van onszelf, of we vinden een nieuw thuis of verliezen het, we slopen een gebouw of we kiezen een nieuw perspectief. Dit zijn allemaal veranderingen die innerlijk of uiterlijk zichtbaar of voelbaar een toestand in een andere toestand laten veranderen.
Wanneer we het hebben over verandering die plaatsvindt, noodzakelijk is of ons zorgen baart, dan gaat het kennelijk over de verhouding tussen wat is en wat zal zijn, die ons op zoveel verschillende manieren bezighoudt. Wat ons angst inboezemt of nieuwsgierig maakt: hoeveel invloed heeft wat ik wil of doe op wat zal zijn, zou moeten zijn of juist niet zou moeten zijn? Is dit ‘anders worden’ iets waar ik controle over heb, volgt het voorspellingen en wensen op? En zo niet, hoe kan ik dan weten welke verandering ik kan willen?
De filosoof Emmanuel Levinas (1906 – 1995) betitelde de ontmoeting met de ander als een existentiële basiservaring van de mens – en volgens Levinas is die ander iets ‘absoluuts’, iets dat we nooit echt kunnen begrijpen of ons eigen kunnen maken. We ontmoeten een ander mens, wonen in een ander land of leren een ander perspectief kennen – we ervaren iets als vreemd en onbekend of we zijn enthousiast en nieuwsgierig. Het maakt niet uit hoe we deze of gene leren kennen, er blijft in de ander altijd iets dat we niet zullen zijn, niet kunnen zijn. Zelfs als we ons willen veranderen, anders zijn of anders zouden willen zijn. En toch is in de ontmoeting met de ander iets mogelijk dat ons laat groeien – een andere weg, een nieuwe ziens- of handelswijze. De wanden van onze ruimtes met mogelijkheden verschuiven, echter op verschillende manieren.
Ontwikkeling of verandering?
Op dit punt bakenen ontwikkelingen zich af van veranderingen, hervormingen van revoluties of bruggen van breuken: in een ontwikkeling ontstaat een proces van continue verandering, een vloeiende overgang van de ene toestand in de andere. Een dergelijke ontwikkeling is meer een overbrugging die na verloop van tijd organisch groeit en weinig ruimte laat voor andere wegen: een plant groeit uit tot de plant waarvoor hij is geconcipieerd, ook al is het kiemplantje heel anders dan de bloeiende korenbloem. Blijven we bij deze beeldspraak, dan zou er in dit proces alleen sprake zijn van echte verandering als de korenbloem tijdens zijn groeiproces een roos wordt. Korenbloemen hebben hier echter niet werkelijk een keuze. De situatie is anders bij de menselijke ruimtes met mogelijkheden: kunnen wij kiezen voor ontwikkeling of verandering? Althans soms? Dus wanneer volgen we een ontwikkeling en hoe precies maken we de verandering mogelijk?
Wij mensen zijn niet alleen wezens die in de loop van de tijd aanvoelen wat vergankelijkheid betekent, die zich door de wetenschap van hun eigen dood kunnen verhouden tot hun eigen eindigheid – daar is weinig aan te veranderen. Maar we zijn ook wezens die in deze tijdelijke ontwikkeling ‘beginnen’ kunnen maken of een nieuw begin kunnen wagen. Het is deze beslissing die verandering in de eigen ontwikkeling mogelijk maakt: zolang we ons realiseren wat we kunnen bereiken binnen het ‘kader’ van onze mogelijkheden. Een begin maken betekent niet roekeloos beginnen aan een riskante onderneming waarvan de uitkomst volkomen onzeker is. Een begin heeft altijd een richting nodig die wijst naar een mogelijk doel. Zelfs als dit doel verandert, de voorwaarden verschuiven en we nooit kunnen garanderen dit doel ooit daadwerkelijk te bereiken.
Verkeerde afslagen en doodlopende wegen horen erbij
Dit vermogen om in ons eigen leven een ‘andere’ persoon te kunnen worden, om de loop der gebeurtenissen te veranderen, simpelweg, omdat we dat willen en dit hebben besloten, is geen narratief over vooruitgang. Het is dus geen verhaal dat ons vraagt voortdurend succesvol te zijn en verandering als weg naar permanente verbetering als misvatting te beschouwen. We moeten ook toestaan dat dit vermogen ons net zo goed op een dwaalspoor kan brengen, dat sommige beginnen nergens toe leiden en dat nieuwe wegen doodlopen. En dat is precies wat we momenteel ook binnen op veel verschillende gebieden van het sociale leven meemaken: op dit moment lijkt verandering meer te maken te hebben met verlies of de angst ervoor.
De socioloog Andreas Reckwitz (*1970) heeft het over existentiële verlieservaringen in de huidige tijd, de zogenaamde laatmoderne tijd. Sinds de Verlichting heerst de opvatting dat door de mens gemaakte veranderingen het beste voor onze wereld zijn. Onze verlieservaringen, die niet alleen uit het heden komen, maar die heden ten dage overal zichtbaar worden, logenstraffen deze opvatting zeer. Daarmee verandert onze kijk op de wereld, op een toekomst die ons dwingt een nieuwe start te maken die we niet zouden hebben gekozen. We verliezen het perspectief van een voorheen wenselijke toekomst. En tegelijkertijd hebben we niet de moed een weg in te slaan die een andere toekomst mogelijk maakt. Volgens Hanna Arendt (1906 – 1975) zijn we echter perfect in staat om andere perspectieven te kiezen – we hebben alleen de moed daartoe nodig. Alleen zo leren we de verandering van wat is geweest niet alleen als een “mindere” te beschouwen, maar kunnen we met James Baldwin iets anders leren. Een ander perspectief dat in de bewegende constanten van het leven, waartoe ook geboorte en liefde behoren, een verandering zichtbaar maakt die, ondanks de verlieservaringen van het oude, een aanzienlijke verrijking betekent.
Ina Schmidt werkt als publicist, spreker en auteur. Ze groeide op in Flensburg en houdt nog steeds van de frisse wind aan de Deense grens. Ze is gepromoveerd in de filosofie en richtte in 2004 “denkräume” op om buiten de universitaire wereld te filosoferen. Sindsdien is ze vooral geïnteresseerd in vragen die van antwoord naar antwoord leiden, iets wat ze ook van haar drie kinderen heeft geleerd.
Vind-ik-leuk Aan het laden...