Category Archives: Cultuur

Eyes of Laura Mars

Eyes of Laura MarsTijdens het opruimen van oude teksten uit de vorige eeuw ontdekte ik een door mij geschreven filmrecensie van de film Eyes of Laura Mars (1978).  Aangezien deze film nog gewoon op dvd verkrijgbaar is, publiceer ik de tekst hieronder.

Eyes of Laura Mars is een ware thriller. De modelfotografe Laura Mars, gespeeld door Faye Dunaway, is een eigenzinnige vrouw van ongeveer 35 jaar. Ze is wereldberoemd door haar erotische foto’s van schaars geklede modellen tegen gewelddadige stadse achtergronden.

Als kijker kruip je in de eerste scène al meteen in de huid van de moordenaar, c.q. de camera. Je beweegt je sluipend door de kamer van een vrouw. Het ritme van de hartkloppingen wordt sneller en sneller, de spanning stijgt. Je nadert een vrouw die nietsvermoedend in een keuken staat af te wassen. Bijna in close up zien we dat de vrouw omkijkt naar de camera. Ze schreeuwt, er vloeit bloed en direct daarna zien we hoe Laura Mars gillend uit een soort droom ontwaakt. Ze zag hoe haar vriendin werd vermoord. Als ze die vriendin opbelt, dan blijkt dat ze daadwerkelijk slachtoffer van een moord is. Dit is het begin van een serie moorden die op identieke wijze plaatsvinden. Laura Mars ziet door de ogen van de moordenaar wie er wordt vermoord. De slachtoffers blijken allemaal kennissen van haar te zijn.

Natuurlijk ontbreekt de politie niet. Inspecteur John Neville (Tommy Lee Jones) bemoeit zich met de zaak. Hij is begripvol, attent en romantisch. Het is dan ook niet geheel onverwacht dat er een romance tussen Laura Mars en de inspecteur ontstaat.

Het karakter van de privéchauffeur van Laura Mars, een rustig en geestig type, verandert naarmate de film vordert. Hij wordt angstig, reageert zijn woede op andere mensen af en vlucht als de politie hem wil ondervragen. Deze hoofdverdachte wordt in de vlucht neergeschoten. Alles lijkt rustig en de politie is ervan overtuigd dat de moordenaar is uitgeschakeld.

Maar, en nu word je als kijker weer enthousiast, opnieuw kijken we door de ogen van de moordenaar. Hij is er nog! Het is nog lang niet duidelijk wie de moordenaar kan zijn. En dat is één van de sterke kanten van deze thriller. De film blijft spannend tot aan het einde. Dan pas, in de allerlaatste scène, doet de inspecteur een schokkende ontdekking. Nu pas wordt alles duidelijk en dan is de film afgelopen.

De thriller Eyes of Laura Mars is bedoeld om angstgevoelens bij de kijker op te roepen en daarin is regisseur Irvin Kershner geslaagd. De muziek van Artie Kane speelt een belangrijke factor als het om het verhogen van de spanning gaat.

In de film worden geen flashbacks gebruikt. De ex-man van Laura Mars, een schrijver die te veel dronk, komt bijvoorbeeld langs om wat informatie over Laura Mars’ voorgeschiedenis te vertellen. Als er iets over de voorgeschiedenis van een ander personage vermeld dient te worden, dan gebeurt dat altijd door middel van een gesprek in het heden.

Op een gegeven moment worden de moorden wel voorspelbaar, maar het slot van de film blijft een complete verrassing. Dit uiterst onverwachte einde kan echter ook op ongeloof bij de kijker stuiten. Wat gebeurt er dan in die laatste scène? Dat verklap ik niet. Kijk en oordeel zelf.

Faye Dunaway
Tommy Lee Jones
Brad Dourif
Rene Auberjonois

Screenplay by John Carpenter and David Zelag Goodman
Story by John Carpenter
Executive producer Jack H. Harris
Produced by Jon Peters
Directed by Irvin Kershner
“Love theme From Eyes of Laura Mars(Prisoner)” sung by Barbara Streisand
Music by Artie Kane

Wapengekletter op papier

Vandaag is de Nederlandse schrijver Hugo Brandt Corstius (78) overleden. In dag- en weekbladen ging de man vaak flink te keer. Oud-minister van financiën Ruding noemde hij ‘de Eichmann van onze tijd’, oud-premier Biesheuvel ‘een ontstellende slijmjurk’, de ministers Udink, Geertsema en Veringa noemt hij achtereenvolgens ‘debiel’, ‘opgeblazen’ en ‘zielepieterig’.

Dit herinnerde ik mij vandaag, omdat ik in april 1996 een stuk schreef over columns en polemiek. Het essay heette “Wapengekletter op papier” en staat hieronder.

Wapengekletter op papier

Vriendelijkheid in de literaire kritiek leidt alleen maar tot slechte boeken. Goede boeken zijn niet de boeken die vernuftig in elkaar zijn gezet, maar welke iets te zeggen hebben en daardoor de persoonlijkheid van de schrijver uitdrukken. De vorm is ondergeschikt aan de inhoud: wat gezegd wordt, moet ‘gewoon’ gezegd worden, niet in een of andere literaire kunsttaal.”

Bovenstaande opvatting is letterlijk opgeschreven door H.A. Gomperts en heeft betrekking op de criticus Menno ter Braak en de criticus, dichter en romanschrijver E. du Perron. Het jaar is 1932. Beide heren verkondigden hun meningen in het bekende tijdschrift Forum. De stukken van Ter Braak en Du Perron zijn altijd uiterst kwaadaardig, maar toch ook steeds elegant, spits en sportief. Ze vielen alles aan wat in hun ogen tweederangs was: de Nederlandse zelfgenoegzame volksaard die Du Perron aanduidde met “Jan Lubbes”, de impressionistische woordkunst, de streekroman, de boeken met een ethische ‘boodschap’ en het hoogdravende gepraat over kunst. De heren trokken ten strijde op papier en dat is wat een polemiek een polemiek maakt: een pennestrijd.

Hugo Brandt Corstius schrijft over prins Bernard: ‘Een man die het liefst een vliegtuig in een Zuid-Amerikaans bordeel zou verkwanselen’. Politici noemt hij ‘Haagse ratten’, die ‘zich volvreten ten koste van de bijstandstrekkers’. NOS-verslaggever Hugo van Rhijn is volgens hem een ‘huurmoordenaar’ en een ‘fascist’, oud-minister van financiën Ruding ‘de Eichmann van onze tijd’, oud-premier Biesheuvel ‘een ontstellende slijmjurk’, de ministers Udink, Geertsema en Veringa noemt hij achtereenvolgens ‘debiel’, ‘opgeblazen’ en ‘zielepieterig’, Beatrix en Claus zijn ‘twee uitgedroogde rozijnen’. Enzovoorts, enzovoorts.

Gerrit Komrij schrijft achterin zijn boek Horen, zien en zwijgen (1977) een zogenaamd “Vergeetregister”:
ABRAHAM, VADER. Zanger. Weeë liederen, valse kop, wraakzuchtige inborst. Volksheld dus.
HENK VAN DER MEYDEN. Journalistieke dief, werkzaam bij de Telegraaf. Verzamelt poppen en hult zich ’s avonds op zijn flat in ragdunne dameslingerie; vocabulaire van driehonderd woorden.
ZANGERES ZONDER NAAM. Zangeres. Mag geen naam hebben.

En zo zijn er talloze voorbeelden van schrijvers die andere mensen in hun geschriften onderuit halen. Zo noemde Hermans de dichter-essayist J.B. Charles een “literaire gorilla”, Renate Rubinstein een “oud blind grootmoedertje” en “kleine ondeugd”, en de dichter H. van Galen Last steevast “Van Gal en Last”. Over professor Gomperts, hoogleraar Nederlandse Letterkunde te Leiden en volgens Hermans “de echoput van Ter Braak en Du Perron”, schreef hij: “Zodra ik vind dat mijn naam weer in de krant moet, trap ik op Gomperts, niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een trambestuurder trapt op de bel.”

Maar er werd natuurlijk ook terug gescholden. Gomperts noemde hem een “beerput” en een “kinderachtig kwakertje dat in zijn opwinding nog het meest doet denken aan Donald Duck.” J.B. Charles zei dat Hermans “stellig gerekend moet worden tot de beste 321 dichters die Nederland heden ten dage heeft” en Van Galen Last vond hem “de grootst levende prozaschrijver van Groningen.”

Uit al deze voorbeelden blijkt dat de polemiek altijd twee partijen telt en dat er zo nu en dan op het scherpst van de snede wordt geschreven. Voor de één kan een stuk bijzonder komisch zijn, maar voor een ander kan hetzelfde stuk bijzonder kwetsend zijn. Jan Blokker zegt in een interview dat de polemische columnist voortdurend grensjes verlegt. “De één zal dat voorzichtiger doen dan de ander”, aldus Blokker.

Er zijn in de afgelopen jaren nogal wat columnisten voor de rechter verschenen in verband met het aanvallen van personen of instituten. Bij de kort gedingen blijkt dat de rechter rekening houdt met de min of meer ‘literaire’ aard van de column. Een columnist mag sterke bewoordingen gebruiken, overdrijven, simplificeren, insunueren, altijd binnen het kader van het algemeen belang.

Maar mag je in je column iemand met Hitler vergelijken? Leo Derksen van de Telegraaf associeerde Frits Bom met Hitler en hij erkende die associatie ‘doelbewust te hebben willen opwekken’. Persoonlijk vind ik dat een schrijver mag schrijven wat hij wil. Een makkelijk standpunt, maar ik kan niet beoordelen waar in een polemisch stuk de grenzen moeten liggen, althans, niet in z’n algemeenheid. Als iemand in zijn column de naam Hiltler gebruikt, dan hangt het van de context af of die naam wel of niet gebruikt kan worden. In het geval van Leo Derksen vond de rechter dat de columnist te ver was gegaan en Derksen werd veroordeeld. ‘De herinnering aan de Tweede Wereldoorlog is bij velen nog te levendig om het in relatie brengen van iemands persoon met de figuur van Hitler, anders dan in zeer uitzonderlijke en evidente gevallen (…) te kunnen rechtvaardigen’, aldus de rechter. Maar wat schreef Derksen dan precies? “Bom, die op de mestvaalt pas tot volle bloei komt, zoals de geschiedenis ons telkens weer figuren toont, voor wie onlustgevoelens de kweekbak zijn voor hun glorieuze opkomst, geniet zichtbaar van deze ellende. Hier voelt hij zich thuis als een vis in het water. Voor deze mensen is hij de Grote Leider, wat in het Duits Führer betekent, maar ja, elke taal heeft zo zijn eigen grapjes.”

Naar mijn mening had Derksen niet veroordeeld hoeven worden. Hij associeert Bom weliswaar met Hitler, maar de manier waarop hij dat doet vind ik toelaatbaar. Het was anders geweest als Derksen had geschreven dat Frits Bom een pleitbezorger van concentratiekampen is, dat hij het arische ras in stand wil houden en dat daarom allerlei andere rassen uitgemoord moeten worden. Dan ga je te ver, want dan maak je iemand letterlijk uit voor een beul, een massamoordenaar, een fascist. Wat Derksen volgens mij duidelijk wilde maken is dat hij het optreden van Bom gevaarlijk vindt, omdat zo’n optreden misbruik maakt van de ellende van de medemens. Daar kun je het wel of niet mee eens zijn. Ik kan de invalshoek van Derksen in ieder geval wel begrijpen, alleen zou ik me niet zo druk maken over het zogenaamde gevaar van ene Frits Bom.

De polemiek kent eigenlijk drie partijen, want wat is een polemiek zonder publiek? Gerrit Komrij zegt in een interview dat het publiek ervan geniet als een polemische columnist zijn tegenstander omsingelt, uitkleedt en vervolgens vermoordt. “Het publiek schept een heimelijk genoegen in vernedering en bloedvergieten. Leedvermaak en voyeurisme beantwoorden aan de kwaadaardigheid en onbetrouwbaarheid van het publiek”, aldus Komrij. Maar volgens mij onderschat hij het publiek, dat vaak twijfelt aan de morele betrouwbaarheid van de polemische columnist. Neem nou Theo van Gogh. In HP/De Tijd las ik een ingezonden brief, waarin de afzender duidelijk maakt niet langer gediend te zijn van de smakeloze stukjes van Theo van Gogh en dat hij daarom besluit zijn abonnement op te zeggen. Dit gevaar dreigt natuurlijk voor iedereen die zich van de polemiek bedient. Een polemist kan zich veel veroorloven, maar kan niet zijn publiek verspelen.

Tot nu toe heb ik het alleen over de polemische column gehad, maar er zijn natuurlijk nog andere methoden om iemand op papier aan te vallen. De recencent kan iemand aanvallen in zijn recensie, de essayist kan ten strijde trekken in zijn essay en de journalist kan iemand onderuit halen in zijn (opiniërend) artikel. En iemand die zich aangevallen voelt kan in plaats van naar de rechter ook naar de Raad van Journalistiek stappen. De klager die naar de Raad van Journalistiek stapt moet zich er echter wel rekenschap van geven dat het college geen sancties kent. Een voorbeeld: In een recensie in Het Parool van het boek “Wie is van licht?” van Jan Foudraine beticht recensente Fortuin de auteur van leugens en schrijft zij onder meer: “Die Foudraine is inmiddels als Amrito zelf een kwakzalver geworden, maar draagt nog steeds de titel psychiater. Mag dat?” Foudraine klaagde Fortuin aan bij de Raad van Journalistiek. De Raad oordeelde dat in de bespreking voldoende wordt onderbouwd waarom naar de mening van Fortuin Foudraine zich schuldig maakt aan leugens. De aanval van Fortuin op de betrouwbaarheid van Foudraine als psychiater acht de Raad echter niet van behoorlijke argumenten voorzien.

Artikelen in kranten kennen hun eigen criteria. In bijna iedere krant heb je het Commentaar; een stuk waarin de journalist (min of meer namens de krant) commentaar geeft op bepaalde zaken. Dan heb je nog de berichten in grappige en/of maatschappijkritische rubrieken. In de Volkskrant is dat bijvoorbeeld de rubriek Dag in Dag uit. In die rubriek schreef een journalist dat Drs. P op een school lucifersdoosjes uitdeelde, voorzien van de oproep zijn plaat voor 19 gulden te kopen. De plaat liet na bestelling eindeloos op zich wachten en bleek toen ook nog veel duurder te zijn. Onjuist was, dat Drs. P zelf de luciferdoosjes had uitgedeeld; dat had een leraar gedaan. De zanger verweet de krant onzorgvuldigheid en een ‘lasterlijke intentie’. De Raad voor Journalistiek oordeelde dat er geen sprake was van een onbehoorlijke journalistieke gedraging. In haar betoog maakte de Raad duidelijk dat de rubriek “Dag in Dag uit” een rubriek is welke zich qua stijl en inhoud aandient als een enigszins kritische en badinerende rubriek.

Wat is precies een badinerende rubriek en waar liggen de grenzen van de vrijheid van de columnist? Mag je iemand een fascist noemen, mag je iemand associëren met Hitler? Het zijn allemaal vragen waarop ik geen pasklaar antwoord heb. Eerder schreef ik al dat bij een antwoord op dit soort vragen tal van omstandigheden een rol spelen. De context waarin iets wordt gezegd, het medium waarin het wordt geschreven, de rubriek waarin het wordt geschreven, de functie van degene die aanvalt, enz., enz. Als iemand zich in een stuk voelt aangevallen, dan kan hij of zij in de tegenaanval gaan door een stuk terug te schrijven. Hij kan de kritiek ook over zich heen laten gaan én hij kan naar de rechter stappen. Dat zijn de mogelijkheden en daar zal denk ik geen verandering in komen. De polemiek kan een sierlijk steekspel zijn of noeste arbeid met een houweel. Zij kan onduidelijkheden verhelderen of bepaalde politieke uitspraken aan de kaak stellen. Maar het is onmogelijk precies de grens tussen ‘politiek of sociale kritiek’ en ‘belediging, smaad en laster’ bij de polemiek vast te stellen. Dat is maar goed ook, want anders krijg je achttiende-eeuwse toestanden, waarin politieke kritiek of openbaarmaking van feiten die de overheid in een kwaad daglicht stelden, simpelweg gedefinieerd als smaad. Dat was wel zo eenvoudig, maar niet zo democratisch.

Deze tekst verscheen later ook op de opiniepagina joop.nl.

“Word dronken”

’Word dronken (Enivrez-Vous)’, schreef Baudelaire op 7 februari 1864 in de Figaro. Dat was deze maand dus precies 150 jaar geleden.

Een goede reden om hier even bij stil te staan en te luisteren naar de voordracht van Johnny van Doorn, die een groot liefhebber was van deze tekst en zijn versie altijd graag ten gehore bracht.

« Oudere berichten Recent Entries »