Category Archives: Varia

Blumen in Berlin

Berlijn, de metropool van Duitsland, telt ruim 3,2 miljoen inwoners. Opvallend is het aantal tuincentra met een Nederlandse eigenaar, zoals Der Holländer, Pflanzenmarkt Rudow en Gartencenter Holland. Ondernemers met jarenlange ervaring in deze wereldstad.

Theo Roelofs, Gartencenter Holland: Klanten reageren positief op themaweken’

Theo Roelofs, foto ©Allard van Gent

Theo Roelofs, foto ©Allard van Gent

Naam: Gartencenter Holland Locatie (wijk): Berlijn Tegel, Berlijn Märkisches Viertel, Schwanebeck
Opgericht in: 1995
Assortiment: 60% bloemen/planten, 40% hardware
Specialiteit: planten/hardware
Aantal medewerkers: 39
Website: www.gartencenter-holland.de

In Schwanebeck, net buiten de grenzen van Berlijn, bevindt zich één van de drie filialen van Gartencenter Holland. De uit het Gelderse Lint afkomstige Toine Houterman en Theo Roelofs openden deze vestiging vier jaar nadat ze in 1995 het eerste filiaal in de Berlijnse wijk Tegel uit de grond stampten. Vijf jaar geleden opende in de Berlijnse wijk Märkisches Viertel het derde filiaal zijn deuren.

Gartencenter Holland verkoopt naast bloemen en planten veel boetiekspullen en cadeauartikelen. “Wij kiezen misschien meer de Intratuin-achtige methode”, vertelt Theo Roelofs, de man van het eerste uur. De vestiging in Schwanebeck is de grootste en biedt ook alles op het gebied van dieren en vijvers aan. Toch staat het groen centraal. “Op het gebied van planten en bloemen willen we de beste zijn. We hebben een breed en diep assortiment.”

De klanten in Schwanebeck zijn vooral mensen uit de omgeving, uit de zogenaamde spekgordel van Berlijn. Ze leven op stand en dragen fors bij aan de stijgende omzet. In de andere filialen is de koopkracht iets lager. Theo Roelofs: “De omzetontwikkeling is positief. We hebben de afgelopen jaren een stijging gehad. We zijn ook zeer positief over de toekomst.”

Net als bij de andere ‘Nederlandse’ tuincentra is klantvriendelijkheid belangrijk. Alle medewerkers van het bedrijf bezoeken twee tot drie keer per jaar een cursus waar ze leren hoe je met de klanten omgaat. Theo Roelofs, die ook zegt het niet te merken als het minder gaat met de Duitse economie, weet veel over zijn klanten. “Twintig procent weet wat hij wil kopen, de rest kijkt wat er staat en gaat op een bepaald gevoel af. Dat gevoel verkopen wij ook door bijvoorbeeld themaweekenden te organiseren. We hebben ongeveer vijftien keer per jaar een themaweek. We merken dat er heel erg positief op gereageerd wordt. De mensen willen toch elke keer wat nieuws. Bij de kruidenshow hadden we honderd soorten kruiden, normaal hebben we er vijftig in het assortiment.”

Gartencenter Holland is aangesloten bij de grote Duitse inkooporganisatie Sagaflor. De bloemen en planten kopen ze zelf. “We kopen onze boomkwekerijproducten in Nederland bij de firma’s Altena en Den Dekker, dat zijn de belangrijke inkoopkanalen. Daarnaast kopen we nog wat in Italië en Denemarken. Snijbloemen doen we in concessie, omdat het niet rendabel is voor ons. Kamerplanten hebben een aandeel van 70%. De hardware wordt hoofdzakelijk in Duitsland gekocht, waarbij de decoratieve artikelen weer veel bij Nederlandse bedrijven vandaan komen.”

Daarnaast rijden er drie keer per week eigen vrachtwagens naar de veiling in Herongen. Daardoor heeft het bedrijf een tijdsvoordeel. Het bieden op de producten gebeurt op afstand, in Berlijn achter de computer. “Daarbij kopen we puur op kwekersnaam.” Over merken en labels zegt Roelofs: “We hebben een bepaald merk voor de plastic potten. En we werken met een dierenafdeling. Daar merk je wel dat merknamen belangrijk zijn, in het tuincentrum niet.” Roelofs en Houterman zien veel kansen voor de toekomst. Roelofs:”We gaan het accent op het thema Holland leggen. Daarnaast breiden we in de toekomst het assortiment uit en proberen ervoor te zorgen dat de klant nog langer in het tuincentrum vertoeft. Wie nu de verkeerde weg inslaat, heeft over vijf jaar problemen. Wij denken dat we al weten waar de reis naar toe gaat.”

Frits Seelen, Der Holländer: ‘De meeste Duitsers kopen altijd weer hetzelfde’

Frits Seelen, foto ©Allard van Gent

Frits Seelen, foto ©Allard van Gent

Naam: Der Holländer
Locatie (wijk): Berlijn Charlottenburg (13.000m2) en tweede filiaal in Berlijn Treptow (10.000 m2)
Opgericht in: 1985
Assortiment: 70% planten, 10% potgrond, 20% hardware (gieters, potten, klimplantenrekjes, etc.)
Specialiteit: planten
Aantal medewerkers: circa 60
Website: www.der-hollaender.de

‘Der Holländer’ is een begrip in Berlijn. Vijf jaar voordat de Berlijnse muur verdween, zette ondernemer Frits Seelen tegenover het Olympia stadion zijn inmiddels beroemde tuincentrum neer. Alles wat prominent is in de Duitse hoofdstad is hier langs geweest.

Frits Seelen verkocht als 18-jarige al tomaten, komkommers, sla en andere groenten. Tien jaar later hield hij de groenten voor gezien en stapte over naar de plantengroothandel. Hij reed dwars door Europa en zette in 1983 koers richting West-Berlijn met maar één doel: twee vrachtwagens vol planten ophalen van een klant die niet betaalde. Frits Seelen: “Ik kon op de terugweg met die spullen de grens niet over, er ontbraken papieren. Maar eigenlijk had ik allang besloten om die planten gewoon in Berlijn te slijten.” Die dag zocht hij midden in de stad een grasveld op, in Britz, en lost daar al zijn planten. “Op zaterdagochtend was alles in tweeënhalf uur verkocht. Van lieverlee is het eigenlijk zo begonnen”, vertelt hij en geniet nog zichtbaar van de actie die leidde tot zijn huidige miljoenenbedrijf.

De plant staat van begin af aan centraal in het tuincentrum, dat er in 1995 nog een tweede filiaal in stadsdeel Treptow bij kreeg. In een stad als Berlijn heeft de plant het soms hard te verduren. Je hebt er meer ziektes dan op het platteland. Er zijn luizen, meeldauw, noem maar op. Daarom werkt Der Holländer met drie plantendokters. Zij vormen een bedrijf binnen het bedrijf, compleet met een eigen laboratorium, microscopen en allerhande andere noodzakelijke apparatuur.

De klanten van Der Holländer komen vooral uit het midden- en hogere segment. Onder hen bevinden zich hotels, restaurants, de Berlijnse jetset en ambassadeurs uit de hele wereld. De Nederlandse ambassade in Berlijn staat bijvoorbeeld vol met planten uit dit tuincentrum.

Veel planten komen uit Nederland, uit Boskoop. Eén keer per week haalt hij een groot aantal planten van de veiling Rhein-Maas in het Duits-Nederlandse grensgebied. “En Denemarken. In Denemarken ligt net even wat mooier spul dan in Nederland en Duitsland”, aldus Frits Seelen.

Met labels of merken doet Seelen niets. “Ik wil niks opgelegd krijgen van andere bedrijven of iets in hun naam promoten. Soms kun je er niet omheen, omdat het werkelijk nut heeft. Maar we doen er verder niks aan. We proberen het tegenovergestelde. Er zijn in Berlijn zeventig bouwmarkten met een tuincentrum. Die hebben allemaal hetzelfde. Ik heb hier geen bouwmarktproducten. Ik heb planten, potten, aarde, kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Voor de rest niks.”

De meeste Duitsers kopen altijd weer dezelfde producten. Vooral rododendrons, hortensia’s, rozen en thuja’s doen het goed. Op nummer één staan de haagplanten. “Daarvan verkopen we er veel, heel veel”, vertelt Frits Seelen. “In het voorjaar wel eens een vrachtwagen per dag, alleen maar haagplanten. Waar het allemaal blijft, dat weten wij ook niet, de stad is groot. Maar we leveren ook tot honderd kilometer buiten de stad, bijvoorbeeld naar Leipzig en Dresden; dat is geen uitzondering.” De kwaliteit van de boomkwekerijproducten uit Nederland vindt Seelen matig. Die van de kamerplanten, die 15% van het assortiment innemen, redelijk. “Je moet goed zoeken naar de goede planten.”

Wat de kleuren van de planten betreft gedragen de Duitsers zich zeer behoudend. Frits Seelen: “Het gaat gewoon zo verder als 25 jaar geleden. We verkochten vroeger wit, rood, blauw en geel. Wat verkopen we vandaag de dag: wit, rood, blauw en geel. Dat is niet te veranderen.”

Seelen klaagt niet over de economische malaise. “Als het minder gaat met de economie, dan gaan de mensen thuis het nest mooier maken. Dan komen er een paar plantjes en bloemetjes. Dat geeft heel veel mensen een ongelooflijke balans. Mensen komen hiernaartoe om iets te kopen waarmee ze zich thuis lekker voelen. En toevallig is dat een plant. Als de conjunctuur in elkaar klapt, dan zijn wij de laatsten die daardoor betroffen zijn.”

Bert Rutten en Huub Schriever, Pflanzenmarkt Rudow: ‘We zijn begonnen met een kassa op een stapel pallets’

V.l.n.r.: Bert Rutten en Huub Schriever, foto ©PÍlanzenmarkt Rudow

V.l.n.r.: Huub Schriever en Bert Rutten, foto ©PÍlanzenmarkt Rudow

Naam: Pflanzenmarkt Rudow
Locatie (wijk): Berlijn Rudow
Opgericht in: 2009
Assortiment: 40% haagplanten, 20% boomkwekerijplanten, 30% balkonplanten, 10% rest
Specialiteit: planten
Aantal medewerkers: 4
Website: www.pflanzenmarktrudow.de

Twee jaar geleden openden de twee Nederlandse ondernemers Bert Rutten en Huub Schriever Pflanzenmarkt Rudow in de Berlijnse wijk Rudow. Bert Rutten komt uit de kwekerijwereld. Hij werd in Leende geboren en volgde in Boskoop de middelbare tuinbouwschool tot boomkweker.

Bert Rutten (rechts op de foto) woont als vijftien jaar in Berlijn en heeft hier de nodige ervaring opgedaan in de plantenbranche. Daarna werd het tijd voor een eigen bedrijf. “In de winter van 2009 vonden we deze plek. Het is een oud goederenstation op de oude spoorweg van Neukölln naar Mittenwalde. We haalden een vrachtwagen met planten uit Nederland, nog een paar planten van de groothandel in Berlijn, we kochten een kassa die we op een stapel pallets zetten en zo begonnen we. Dan is het klein beginnen en heel hard werken. Dag en nacht werken.”

Inmiddels loopt het bedrijfje goed. Rutten is tevreden. Hij heeft een mooi assortiment boomkwekerijplanten uit Nederland. “Dat krijg je voor een goede prijs. Als je een beetje verstand hebt van de boomkwekerij-artikelen, dan vind je mooie spullen die je hier niet krijgt of waarvoor je t veel betaalt”, legt hij uit. De planten halen ze op diverse locaties. Bijvoorbeeld bij Arie Bouwman in Wijk en Aalburg, ze kopen vaak bij Groen Direkt in Boskoop en voor de bloembollen gaan ze langs bij Baltus Bloembollen in Vaassen. “Voor de coniferen en de haagplanten hebben we verschillende adressen in Brabant, daar moet je dan een beetje de weg kennen.” De potgrond kopt hij gewoon in de buurt, net als de balkonplanten, de petunia’s en de geraniums. Daarnaast koopt hij ook spullen in Denemarken en Italië. Met labels doet hij niets.

In stadsdeel Rudow staan vooral eengezinswoningen en rijtjeshuizen. “Veel klanten zijn tussen de veertig en zestig jaar. Ze kopen vooral balkonplanten. Daarnaast heb je de ‘haagplantenklanten’. Dat zijn vaak jongere mensen uit een nieuwbouwhuis net buiten Berlijn. Vaak hebben ze een dubbel inkomen, iets wat hier in Berlijn niet zo vanzelfsprekend is als in Nederland”, aldus Bert Rutten, die zegt weinig tot niets te merken als het met de Duitse economie minder gaat.

Zijn er in dit tuincentrum trends te bespeuren? Bert Rutten: “Trends zoals je ze in Nederland kent, zie je hier niet zo sterk. Dat komt ook doordat we hier aan de stadsrand zitten. De trends heb je denk ik wel in wijken als Mitte en Friedrichshain, dat zijn de echte trendy wijken van Berlijn.”

Pflanzenmarkt Rudow biedt naast een paar gietertjes en mandjes geen extra accessoires aan. Rutten wil alleen mooie planten verkopen waar hij verstand van heeft en niet te veel dingen eromheen. “De traditionele dingen verkopen we het meest. Geraniums, surfinia’s en coniferen.” Over de kwaliteit van de planten uit de Berlijnse groothandel Landgard is hij tevreden. “Als we daar boomkwekerij-artikelen kopen, dan is de kwaliteit vaak nog beter dan in Nederland. Voor kamerplanten is er geen markt in de buurt. “Er zijn hier veel volkstuintjes. Mensen gaan voor tuinplanten. En van snijbloemen hebben we geen verstand, schoenmaker blijf bij je leest, geldt bij ons.”

Het jaar zit er bijna op. In december verkopen ze nog kerstbomen uit Denemarken en dan gaar vanaf kerst de deur op slot. “Dan gaan we naar Nederland. In februari heb je beurzen bij verschillende boomkwekers.”

Dit artikel verscheen in oktober 2011 in het Vakblad voor de bloemisterij, uitgave 39.

Wist u dat ….

gm…de film Het gangstermeisje in 1967 op de Berlinale werd genomineerd in de categorie beste film? Het scenario is gebaseerd op de gelijknamige roman van Remco Campert uit 1965. De internationale titel luidde The Gangstergirl.

Regisseur Frans Weiz begon al met de filmopnames, terwijl het scenario nog niet af was. Op blauwe luchtpostvelletjes stuurde Remco Campert voortdurend nieuwe dialogen op uit Antwerpen, waarna Weiz weer verder kon.

Volgens Wikipedia was de regisseur destijds verliefd op actrice Kitty Courbois, die met deze film haar speelfilmdebuut maakte. De titelsong werd geschreven door Jan Elburg en gezongen door Liesbeth List.

Tempo Dulu

tempoduluVorige week bezocht ik op Mallorca de inmiddels 89-jarige Jean Schalekamp, die ooit de onderstaande tekst voor mijn maandblad Mallorca Vandaag schreef. Het is een tijdloos stuk en daarom zet ik het graag op dit blog.


Tempo Dulu staat in het Indonesisch voor de verleden tijd, het weleer, en het heeft nostalgische connotaties, vooral voor de al bijna uitgestorven generatie van vroegere kolonisten en Indische Nederlanders.

Dit artikel verscheen op vrijdag 29 juli 2005 in de cultuurbijlage „Bellver“ van de „Diario de Mallorca“. De Spaanse én Nederlandse versie zijn beide geschreven door Jean Schalekamp (Rotterdam, 1926), die regelmatig culturele bijdragen levert aan de Diario de Mallorca. Hij is literair vertaler van Engelse, Franse en Spaanse literatuur en o.a. vaste vertaler van schrijver/journalist Arturo Perez Reverte. Jean Schalekamp woont en werkt sinds 1960 op Mallorca.

Ik herinner me een moment, op een herfstmorgen van 1998 in Parijs: ik liep naar de hoek van de Boulevard Saint-Michel om de krant te kopen. Plotseling had ik een gevoel alsof ik in de tijd verplaatst was. Ik was geen 72 jaar meer, maar het baardeloze jongmens van even in de twintig dat iedere morgen naar dezelfde hoek liep om de krant te kopen. Het was een uiterst vluchtig moment, maar het veroorzaakte een gevoel dat heel sterk en zeer reëel was. Zoiets als een ‘déjà vu’, misschien alleen te verklaren door de theorieën van J.W. Dunne over circulaire tijd. Een ogenblik dat vluchtig en eeuwigdurend was.

Nu, zeven jaar later, ben ik in Bandung, Indonesië, een groene stad met weinig hoge gebouwen en veel grote villa’s met indrukwekkend hoge daken, half verborgen achter reusachtige bomen en omgeven door tuinen. Ik herinner me die in Nederlands-koloniale bouwstijl opgetrokken huizen van de sepiakleurige foto’s, die ik lang geleden in oude, nostalgische boeken over Nederlandsch Oost Indië zag, boeken over de Tempo Dulu. Tweedehands herinneringen natuurlijk, want hier zou ik nooit die gewaarwording kunnen krijgen die ik toen in Parijs had. Zij loopt enkele passen voor me uit. Ze blijft staan, kijkt strak naar een van die villa’s. Ze is niet meer dan enkele meters van me af, maar oneindig ver, zowel in tijd als ruimte. Ik blijf ook staan, afstand bewarend om haar niet te storen, en probeer me haar voor te stellen, een meisje van zes of zeven, misschien kwam ze net uit school, maar ik zie niets anders voor me dan een sepiakleurige foto van een klein meisje met een reusachtige witte strik in het zwarte haar.

Ineens draait ze zich om, kijkt me aan, maar haar blik is nog heel ver, alsof ze terugkeert uit een van die oneindig vluchtige ogenblikken waarin verleden en heden samensmelten. Twee verledens komen samen op deze plek: dat van het Hollandse jongetje dat als betoverd naar de beelden van de ‘gordel van smaragd’ keek, zoals de kolonies in het verre oosten toen werden genoemd, en dat van het half-Indonesische meisje, ruw weggerukt uit het groene paradijs waar ze geboren was en naar dat verre, koude land overgeplant. Nu is ze terug, 60 jaar later.

‘Ja’, zegt ze, ‘hier was het, het huis waar ik in de laatste jaren voor de oorlog woonde. Ik herken de ingang, het grote gebogen raam op de hoek.’
We lopen nog een eindje verder naar het einde van de straat met de slagboom die dichtgaat zodra het donker wordt, om de welgestelde Indonesiërs die nu deze eens door de Hollanders gebouwde villa’s bewonen te beschermen. Je hoort het geraas van het verkeer over de Martadinatalaan, verborgen achter de kruinen van de bomen. Op geringe afstand van deze Wassenaar-achtige wijk bedelen kinderen, proberen jongens met fluitjes wat geld te verdienen door op hun manier het chaotische verkeer te regelen of wanneer het regent met paraplu’s de klanten te beschermen die van de supermarkt naar hun auto lopen. Maar zelfs in de wijken van de rijken stapelt voor de villa’s het vuilnis zich op dat door niemand wordt opgehaald. Af en toe steekt iemand de brand erin.

Ze heeft zich van me verwijderd. Ze is een steegje in gegaan tussen twee hoge tuinmuren. Aan het eind van het steegje verdwijnt ze om een hoek. Het heden, denk ik, bestaat niet. Iedere seconde begint een nieuwe toekomst, iedere seconde wordt verleden. Alles vloeit. Ik kijk op mijn horloge. Er zijn tien minuten voorbijgegaan sinds ze verdween. Juist als ik me ongerust begin te maken, zie ik haar wit-grijze kopje in het steegje verschijnen. ‘Ik heb het huis gevonden waar ik iedere dag met de kinderen ging spelen’, zegt ze. ‘Eigenlijk mocht dat niet van mijn stiefmoeder, want het waren mensen van lagere stand.’
We lopen over de Martadinatalaan. Een meisje van nauwelijks drie jaar, dat op het trottoir ligt, kijkt me aan met haar onmetelijk grote donkere ogen als ik een munt van honderd roepiah laat vallen in de kartonnen doos die tussen haar blote voetjes staat. Terug in de rustige wijk waar we onze intrek hebben genomen, luisteren we naar het melodieuze roepen van de straatverkopers met hun karretjes en schouderjukken vol lekkernijen. Zij herkent het onmiddellijk, het is hetzelfde roepen als zestig jaar geleden. Alweer het verleden. Hier is niets veranderd. In de steden van Europa zijn de straatventers al sinds tientallen jaren uitgestorven. Daar hebben hele generaties nooit hun melodieuze roepen gehoord. Alleen wij, stokouden, herinneren het ons nog.

We zoeken de vroegere theesalon Boogerije waar stiefmoeder met haar heenging in de gelukkige jaren voor de oorlog. Twee studenten helpen ons de zaak te vinden. We nodigen hen uit iets met ons te gebruiken op het terras. Ze willen elk wel een flesje mineraalwater. We praten wat. Plotseling brult door de luidsprekers de stem van de muezzin van de nabije moskee. De jongens kijken op hun horloge, verontschuldigen zich en vertrekken. De flesjes water staan nog op het tafeltje, onaangeroerd. Natuurlijk, het is vrijdag, bijna twaalf uur. Hun godsdienst verbiedt hen iets te eten of te drinken voordat ze hun gebedsplichten hebben vervuld, maar de hoffelijkheid van hun land belet hen iets af te slaan dat hun is aangeboden. Ze hebben hun verschrikkelijke dilemma keurig opgelost.

Een maand later zijn we in Yakarta, het vroegere Batavia. Zestien miljoen inwoners die zich verdringen tussen wolkenkrabbers, koloniale villa’s en eindeloze krottenwijken, maar iets van het verleden is er nog: de oude Hollandse huizen met hun trapgevels, een ophaalbrug die zich in het water van de Kali Besar weerspiegelt, de haven van Sunda Kelapa met zijn majestueuze schoeners van Makassar, en een oud, zwart stoomschip. ‘Het lijkt de Kota Baru wel,’ zegt ze, ‘de vrachtboot die me na de oorlog naar Holland bracht, al die vluchtelingen opeengepakt in die nauwe, verstikkende ruimte.’ Met een huivering zet ze die nare herinnering van zich af. Voor de een de nostalgische schoonheid van oude zwarte vrachtschepen, voor de ander de verschrikking van een langdurige nachtmerrie.

Nu brengt een taxi ons naar de Grogolwijk, waar het krankzinnigengesticht van dezelfde naam is. Tijdens de oorlog hadden de Japanners het als concentratiekamp ingericht, waar de gevangen vrouwen en kinderen samen met de gekken leefden. De taxi komt niet vooruit. De snelweg die dwars door de stad gaat heeft tien rijbanen, maar aan weerszijden van de middenberm is het verkeer volledig tot stilstand gekomen. De taxi vordert iedere vijf minuten twintig meter. ‘Zo is het nou iedere dag’, zegt de bestuurder met de beminnelijke lach die alles wat de Indonesiërs zeggen begeleidt. Het is, denk ik, het heden en de toekomst van een geglobaliseerde wereld. Een uur later lopen we tussen de paviljoens van de psychiatrische kliniek. Een van de ‘psikiaters’, dr. Surya Widya, begeleidt ons. Het grasveldje van de ingang – ‘hier dwongen de Japanners ons, kinderen, met nagelschaartjes het gras te knippen, en ze stonden er lachend bij te kijken’, zegt ze – is in een geasfalteerde parkeerplaats veranderd. Er staan veel nieuwe gebouwen, maar de dokter, die heel goed begrijpt wat ze wil, laat ons de oude terreinen en paviljoens zien, waar sinds die jaren ’40 niets is veranderd.

‘Hier,’ zegt ze met een heel dun stemmetje, ‘straften de Japanners de vrouwen die probeerden te vluchten. Ze moesten naakt in de volle zon staan tot ze flauwvielen of stierven. Ze werden ook geslagen, en wij moesten toekijken. Hun gegil zal ik nooit vergeten.’

De laatste avond dineren we in het oude Café Batavia met zijn luxe van de jaren twintig, in de Tempo Dulu bezocht door de Hollanders van de hogere kringen en hun dames. Hun ingelijste foto’s hangen nog aan de wanden van de zalen en trappen. ‘Op een avond,’ zegt ze, ‘kwam stiefmoeder helemaal opgewonden thuis en vertelde: ‘De Gouverneur-Generaal heeft mijn hand gekust.’

In de toiletten van het Café zie ik mijn gezicht in de spiegel. Ik denk: dat gezicht had van een van die godvrezende kolonisten kunnen zijn die hier altijd kwamen. Maar uiteindelijk ben ik in deze omgeving alleen maar een beetje weerloze, hulpeloze, onhandige toerist, een onhandige, onnozele ‘belando’. Alleen zij is weer in haar land gekomen, bij haar eigen mensen met wie ze zich werkelijk verwant voelt, zij heeft verleden en heden op volmaakte wijze weten samen te brengen.

Bovenstaande bijdrage van Jean Schalekamp verscheen in Mallorca Vandaag, september 2005

« Oudere berichten Recent Entries »