Tag Archives: Berlijn

2 mei demonstratie

werkAl enkele weken hingen op de deuren aan de buitenkant van het huis waarin ik woon gele papiertjes met de mededeling, dat op 2 mei tussen 11:00 en 13:00 uur de meteropnemer langskomt. Ik heb de hele dag gewacht maar geen meteropnemer gezien. Hierdoor miste ik de 2 mei demonstratie tegen de dwang van loonarbeid, die door een groep schrijvers uit de literaire subcultuur uit Oost-Berlijn in het leven is geroepen. Ik kende die groep nog, omdat ik ooit een artikel schreef over deze Surfpoeten en de Lesebühne in het algemeen. Ik wilde zo’n demonstratie met knipoog wel eens meemaken.

Eén van de schrijvers die graag over dit thema schrijft en vooral spreekt is schrijver en lid van Lesebühne LSD Andreas Krenzke, beter bekend onder de naam „Spider“. Hij is tegen loonarbeid „omdat er niet genoeg arbeidsplaatsen voor iedereen zijn“. De mensen die aan de demonstratie deelnemen zijn ook tegen de productie van zinloze producten. Hoewel de organisatoren jaarlijks veel plezier beleven aan hun optocht vanaf de Senefelder Platz, staan ze wel serieus achter het doel van hun demonstratie.

Spider met zijn verhaal „Im Arbeitslosenpark“:

Ademnood

braNa een week afwezigheid loop ik weer het Indiase restaurant bij mij aan de overkant binnen, met als lekker vooruitzicht een middagmenu. De serveerster lacht vriendelijk en wil bewijzen dat ze mij nog goed kent. In gebrekkig Duits vraagt ze of ik weer chika en iets wat ik niet versta wil hebben. Ik knik uit beleefdheid ja.
„Perfect“, zeg ik er nog bij, terwijl ik geen idee wat ik nu bestel. Immers, bij mijn laatste twee of drie bezoeken was zij er niet en nam de kok mijn bestelling op. Ik verheug me op een Mango Lassi, want volgens mij zei ze zoiets. Nee, niet goed verstaan, ze zet een glas Yogi thee op tafel. Dat heb ik  in een ver verleden eens bij haar besteld. Ik protesteer niet, daarvoor is het te laat. Ik weet dat ik in ieder geval een kop kerriesoep krijg, want die zit standaard in het menu. Na de soep komt een groot bord met rijst, groenten, stukjes kip en kerriesaus op tafel. Dat is een lekkere verrassing.

Ik ben de enige gast. De kok komt uit de keuken en neemt plaats aan een tafeltje, niet al te ver bij mij vandaan. Hij puft en puft. Daarna neemt een jonge jongen aan het tafeltje van de kok plaats. Hij zit tegenover hem. Het is één van de koeriers van het restaurant, dat ook alle maaltijden en drankjes bij de gasten in Kreuzberg en omgeving naar huis brengt. De jongen kijkt bezorgd, de kok wanhopig. Hij zucht weer, slaat met zijn arm tegen een onzichtbare vlieg en straalt een enorme onrust uit. Iets is er aan de hand, dat is duidelijk. Ik vermoed dat het enorm druk is in de keuken en dat hij het echt helemaal heeft gehad. Opeens staat de kok op en loopt snel naar buiten en dan weer naar binnen. De serveerster praat met de jonge jongen. Ik versta niet alles. De serveerster lijkt me wel iemand die de situatie kan redden, hoewel het mij nog een raadsel is wat er te redden valt. Ze noemt de naam van het nabij gelegen U-Bahnstation en spreekt over een ziekenhuis. De jongen springt op. Net niet rennend maar wel pijlsnel loopt hij met de zwaar ademende kok naar een kleine auto, ze springen erin en scheuren met piepende banden weg. Ik ben weer alleen met de Indiase serveerster.

„Problemen met adem“, zegt ze. Ze beweegt haar handen voor haar borst op en neer om duidelijk te maken wat ze bedoelt.
„Niet goed. Nu naar het ziekenhuis,“ vervolgt ze.
„Dat is gevaarlijk“, zeg ik. „Ziekenhuis is goed“. Raar, als iemand met mij gebrekkig Duits spreekt, dan pas ik me direct aan en spreek ook gebrekkig Duits terug.

Vijf minuten later opnieuw actie. Voor de deur parkeert een busje van de Berlijnse brandweer. Het blauwe licht op het dak van de wagen straalt alle kanten op, ook in de richting van het restaurant. Ik voel me opeens figurant in een Tatort-aflevering. De bijrijder stapt als eerste uit de bus. Hij rekt zich uit, opent een zijklep van de bus en haalt er een rugzak uit met het opschrift „Eerste Hulp“. De bestuurder is inmiddels ook uitgestapt. In zijn linkerhand bungelt een zuurstofflesje, in zijn rechterhand klemt een schrijfbord met daarop een stapel formulieren. Ik heb geen idee waarom ze zo enorm traag te werk gaan. Ik neem aan dat ze een melding hebben gekregen over iemand in ademnood. Ze draaien nog net geen shaggie voordat ze op hun dode gemak de zaak binnen slenteren, alsof ze hier de meterstand op moeten nemen.

De serveerster legt uit dat de patiënt niet zo lang kon wachten en dat hij al naar het ziekenhuis is. Jut en Jul van de Berlijnse brandweer knikken en verlaten de zaak net zo traag als ze gekomen zijn. Dit heb ik nog nooit meegemaakt. Zo heb ik ook nog nooit gezien dat deze jongens hun 112-wagens gewoon op de officiële website van de stad én de brandweer als gebruikte wagen te koop aanbieden, met de mededeling dat je de sirene en het knipperlicht er niet bij krijgt. UPDATE: Het is inmiddels ruim twee jaar later en iemand heeft dit bericht vandaag (22-12-2015) gelezen. Daarbij heeft hij of zij vastgesteld dat de link naar de site met gebruikte wagens niet meer bestaat. Ik heb nog even gezocht, maar de verkoop van de wagens bleek een tijdelijke actie. Dat las ik in de Bildzeitung, de link naar dat bericht doet het nog wel.

De moraal van dit verhaal: voel je je onwel in Berlijn, zoek zelf het dichtstbijzijnde ziekenhuis en bel alleen 112 als het niet écht spoedeisend is.

Uitzendkracht in Berlijn 2/2

029040_BK_Flasche3_ICv2_2011

Vervolg van “Uitzendkracht in Berlijn 1/2“.

De brouwerijwagen beschikte over een comfortabele vrachtwagencabine, van waaruit ik zag hoe de stad langzaam ontwaakte. De chauffeur had zijn thermoskan met koffie bij zich en schonk zichzelf tijdens het rijden een bakkie in. Ik moest iets zeggen, want we zouden de hele dag samen op pad zijn. Hoe langer je niets zegt, des moeilijker het wordt om nog iets te vertellen.

“Dit is de eerste keer dat ik dit werk doe,” vertelde ik. Het klopte en ik had me hiermee tevens ingedekt tegen mogelijke blunders. Hij reageerde niet echt enthousiast. Dat komt wel goed, zoiets zei hij. Of de vaste bijrijder ziek is, wilde ik weten. Ja, de man was ziek. Aan de toon van het antwoord merkte ik op dat zijn vaste bijrijder wel vaker ziek was. Goede vrienden leken hij en zijn vaste bijrijder in ieder geval niet te zijn. Opnieuw stelde ik een vraag, omdat zijn antwoorden nogal kort waren. De man was duidelijk geen grote prater.
“Hoeveel supermarkten bezoeken we vandaag?” vroeg ik.
“Vandaag zijn het hoofdzakelijk cafés en restaurants in Tegel,” zei hij en nam een slok uit zijn koffiemok met daarop een strippende vrouw. Cafés en restaurants, zijn die om dit tijdstip dan al open, vroeg ik niet. Niet teveel vragen direct achter elkaar stellen, dat lijkt eerder op een interview of zelfs een verhoor. Misschien had de man wel slechte ervaringen met verhoren, we waren immers in Berlijn.

De chauffeur telefoneerde. Ik begreep uit zijn gesprek dat er iemand een hek moest openen, zodat wij ons werk konden doen. We stopten langs de kant van de weg. Ik zag nergens een café of restaurant in de buurt. De motor sloeg af en mijn chauffeur stapte uit. Daar verderop is het, zei hij en wees in de richting van een slagboom. Eenmaal buiten liet hij me zien hoe je de laadklep naar beneden doet. Ik knikte en onthield welke knoppen ik bij de volgende klant moest indrukken om die klep te laten zakken. Met een lange papieren lijst in zijn hand zette hij een tiental kratten frisdrank en vier fusten bier op een pallet, nam de elektrische palletwagen en trok het geheel op de laadklep. Hij drukte met zijn voet twee keer op een knop, waardoor de laadklep naar beneden zakte. Ik voelde me nogal overbodig.

Gezamenlijk liepen we naar de slagboom, de palletwagen kon er net onderdoor, wij ook. Links en rechts van het geasfalteerde paadje stonden kleine huisjes met een tuintje. Het was een complex met volkstuintjes, die je meestal in de buurt van het treinspoor ziet. In één van de tuinen wapperde zelfs een Nederlandse vlag. Dat verschafte mij aanleiding weer eens iets te zeggen.
“Holländische Flagge”, zei ik en wees.
De man zei niks.
“Morgen!!”
Dat was de vrouw van de telefoon. Ze stond achter een metalen hek met spijlen, stak de sleutel in het slot en liet ons binnen. Ik gaf de vrouw een hand en vertelde dat ik nieuw was. Of we zin hadden in een kop koffie? Ik zei meteen ja, maar voegde er snel aan toe dat we natuurlijk eerst ‘ arbeiten” moesten.
“Drink rustig een kop koffie,” zei mijn chauffeur.
Ik keek hem aan. Het was gelukkig niet cynisch bedoeld, want dan was er nu al een slechte sfeer voor de rest van de dag gecreëerd. Ik protesteerde nog lichtjes, want voor mijn gevoel kon ik nu niet aan de bar zitten en koffie drinken, terwijl hij met bierfusten in de weer was. Hij klopte op mijn schouder en zei dat ik gewoon lekker van mijn koffie moest genieten. Nou ja,dacht ik, beter kan deze werkdag niet beginnen.
“Broodje mét erbij?,” vroeg de vriendelijke kantinedame.
Ze was een vrouw die precies paste in deze kantine met voetbalvaantjes, foto’s van klaverjasavonden, nep gouden kroonluchters en tafeltjes met plastic kleedjes in ruitmotief. Ze herinnerde me aan de Zangeres zonder Naam, omdat ze ook zo’n type volksvrouw was. Een Berlijnse volksvrouw die voor mij een “Mettbrötchen” maakte. De chauffeur lachte en zei “geniet ervan”. Ik vroeg voor de zoveelste keer of ik niet moest helpen, want ik had tot nu toe nog geen krat aangeraakt.
“Nee, we hebben alle tijd. Geen probleem, geniet eerst lekker van je ontbijt.”

Ik genoot van de twee halve broodjes met een soort gehakt, uitjes, peper en zout. Het was niet het ontbijt wat ik zelf zou uitzoeken, maar het smaakte opperbest. Of ik nog een cola wilde. Mijn chauffeur liep weer langs met twee fusten in zijn hand en knikte van “ toe dan, neem dan die cola”. Ik liet me een glas cola inschenken en ik voelde me beter dan ooit. Ik kon ook nog naar de wc. Mijn darmen waren namelijk niet voorbereid op zoveel lekkers deze vroege ochtend. Het was wel een geklungel om de overall te openen, dan de spijkerboek en dan nog proberen te zitten. Ik stootte een paar keer tegen de deur, riep “ scheiss blaumann” en hoorde hoe de vrouw en mijn chauffeur in een deuk lagen.

De eerste anderhalf uur werken zaten erop en ik voelde me goed. Buiten was het al wat lichter geworden. Onderweg naar de tweede klant vroeg ik me af wat me nu te wachten stond. Op straat was het duidelijk drukker geworden. Ik genoot van de drukte, van de volle trams met de beslagen ruiten, de geïrriteerde automobilisten en de gehaaste fietsers. Ik zat hier heerlijk droog in de cabine en mijn Blauwmann bewees dat ik ook aan het werk was.
“Hier moeten we dan wachten tot negen uur,” zei de chauffeur. Ik keek op mijn horloge. Het was half acht. Ik vroeg hem of dat inderdaad anderhalf uur wachten betekende. Ja, knikte hij.

« Oudere berichten Recent Entries »