Tag Archives: Berlijn

Vliegende koffie

fliegBestel je een „vliegende koffie‘, dan betaal je praktisch gezien twee kopjes koffie, maar je drinkt er maar één. De andere kop koffie gaat op de lijst met “vliegende koffie’s”. Deze al betaalde kopjes koffie kunnen worden gedronken door gasten, die eventjes wat krap bij kas zitten. Zo kan ook iemand die geen geld heeft om in een café koffie te drinken, toch een “vliegende” koffie bestellen en ontspannen de krant lezen of vrienden ontmoeten.

Het idee van de “vliegende koffie” is niet nieuw. In Napels, het Mekka van de koffie, is het idee al langere tijd een onderdeel van de stedelijke koffiecultuur. Al langer dan 100 jaar bestaat daar de “open koffie”. Iedere Napolitaan kent “sospeso”. Nu hebben de drie “Berlijners” Maik, Tim en Marcel dit concept als “vliegende koffie” in Berlijn neergezet, met als doel om het over heel Duitsland te verspreiden. Na de start in 2010 nemen vandaag de dag ook cafés uit Flensburg, Lüneburg en St. Gallen deel aan het project, waarbij solidariteit tussen café-eigenaren en de gasten centraal staat. Daarom biedt het deelnemende café de “vliegende koffie” ook voordeliger aan dan twee aparte kopjes koffie. Op die maner ondersteunt het café het project vrij naar het motto: ons café is ook toegankelijk voor mensen, die minder geld hebben. De initiatiefnemers denken daarbij vooral aan daklozen, studenten, werklozen en alle mensen die niet in staat zijn om een kop koffie in een café te drinken.

De organisatoren roepen op hun website iedereen op om dit project te ondersteunen. Wie wat kleingeld over heeft of gewoon een goede dag heeft, kan een “vliegende koffie” bestellen. Iemand die dan later in het café komt, drinkt een koffie op zijn of haar gezondheid, zonder de persoon persoonlijk te kennen. De cafés die aan het project deelnemen, zijn aan een sticker op de voordeur te herkennen. In het café zelf bevindt zich ook nog een informatiebord waarop de bezoekers de lijst met “vliegende koffie’s” kunnen bekijken. Meer informatie over dit Berlijnse project: http://www.fliegender-kaffee.com/

Toeval of niet

De vraag of iets, dat toevallig gebeurt, wel toeval is, wordt vaker gesteld dan ooit. Ik kan het niet laten om,hoe flauw het ook moge klinken, me dan af te vragen of dat ook geen toeval is. Voor mij was het een gelukkig toeval dat ik in een Duitse bibliotheek een boekje vond, dat voor mij tot de persoonlijke categorie bijzondere mooie boekjes behoort. Mijn verzameling bijzonder mooie boekjes is beperkt en ik was dan ook meer dan verrast om in Berlijn een bijzonder mooi Nederlandstalig boekje te vinden. Eerder vond ik al een Nederlandstalig boek van Remco Campert in deze Amerika Gedenk Bibliothek. Dat was ook een vorm van toeval maar niet echt toevallig. Ik wist namelijk al dat de bibliotheek Nederlandstalige boeken in de schappen had staan.  Evenmin was dat het geval bij een boek van Cees Nooteboom, wiens werk ik net zo bewonder als het werk van Remco Campert. Je kunt zeggen, beide schrijvers behoren tot mijn categorie favoriete schrijvers, hoewel het eigenlijk dichters zijn. Toevallig, daar gaat ie weer, ga ik in februari naar een lezing van Cees Nooteboom en toevallig vond ik laatst zijn allereerste dichtbundel „De doden zoeken een huis“ in mijn papieren chaos.

Dit stukje gaat erg op een column lijken en dus zie me nu genoodzaakt om to the point te komen, om bekend te maken welk bijzonder mooi boekje ik in de bibliotheek vond. Het boekje, dat zo licht is als een veertje en kleiner is dan een normale enveloppe, heeft in de uitgave van de bibliotheek een spierwitte omslag met twee klein geschreven namen erop, waartussen een pijltje in twee richtingen staat. Dat ziet er dan zo uit: Remco Campert ↔ Cees Nooteboom. Sla je het boekje open, dan staat op een mat witte bladzijde precies hetzelfde. De volgende twee pagina’s zijn blanco. Ik weet niet of dit met opzet is gedaan,maar ik vind het wel passen. De stilte voor de poëzie. Misschien is het ook toeval.

Ik sla om en nu wordt het spannend. Wederom beide namen, maar nu staat er een titel onder, in het Nederlands én in het Duits: Over en weer / Hin & Her. Ook de ondertitel is tweetalig: Gedichten als brieven /Gedichte als Briefe. En dan tot slot: gedichten tussen Iviers, Amsterdam en San Luis en Gedichte zwischen Iviers, Amsterdam und San Luis. Helemaal onderaan staat „Kleinheinrich“. Eerlijk gezegd wis ik niet waarom dat daar stond. Een kort Google-moment leerde  me dat dit de naam van de uitgeverij is. Heerlijk om te zien dat de uitgeverij zich enkel en alleen bescheiden met de naam onderaan op de pagina ophoudt. Toeval?

En dan sla ik weer een pagina om en beland midden in het eerste gedicht van Remco Campert aan Cees Nooteboom. Ik lees het nog niet, omdat ik nu al zie dat het erg mooi is. Ik wacht op een mooi moment om volop te genieten van een briefwisseling in gedichten tussen twee grootmeesters. Daarna kan ik het boekje nog eens helemaal in het Duits lezen, want van ieder gedicht staat op de rechterbladzijde een vertaling naar het Duits, gemaakt door Ard Posthuma. Dit is wederom een grootmeester op het gebied van vertalen. Hij vertaalde niet alleen veel gedichten van Cees Nooteboom naar het Duits, ook werken van onder andere Martinus Nijhoff, Gerrit Kouwenaar en Jan Jacob Slauerhoff verschenen door zijn toedoen in de Duitse taal. Dat juist hij de briefwisseling tussen de dichters vertaalde, dat lijkt me geen toeval.

Kevin Kuhn leest uit debuutroman in Brechthaus Berlin

Schrijver Kevin Kuhn en literatuurcritica Wiebke Porombka

Schrijver Kevin Kuhn en literatuurcritica Wiebke Porombka

Altijd ben ik weer verbaasd hoe weinig belangstelling er is voor lezingen van schrijvers. Natuurlijk hangt de opkomst samen met de bekendheid van de auteur. Een Günter Grass zal meer publiek trekken, zeker nu, dan een debuterende auteur zoals Kevin Kuhn met zijn romandebuut „Hikikomori“. Een kwartier voor aanvang van zijn lezing in het Brechthaus in Berlijn zat ik gisteravond samen met nog drie andere personen in het zaaltje en vreesde het ergste voor de auteur. Gelukkig vulde de ruimte zich kort voor aanvang nog tot circa 20 personen. Niet echt veel animo, terwijl de FAZ (Frankfurter Allgemeine Zeitung) vorig jaar positief over het boek berichtte: “En zo ontstond uit een gewaagd experiment een debuutroman van een verbazingwekkend zekere intensiteit.”

Kuhn las deze avond in Berlijn veel voor uit zijn eerste boek “Hikikomori”. Hierdoor bleef er helaas weinig tijd over voor een gesprek tussen hem en de literatuurcritica Wiebke Porombka. Een uitgebreid bericht over de debuutroman schrijf ik overigens op een later tijdstip, omdat ik deze avond tegen mijn gewoonte in een lezing bezocht zonder eerst het boek gelezen te hebben. De aankondiging van de boekpresentatie las ik vlak voor het optreden en dus moet ik nu noodgedwongen het boek later lezen. Ik geef de tijd maar weer eens de schuld.  Natuurlijk hebben de cultuurjournalisten in Duitsland het boek al lang gelezen en er één en ander over geschreven. Bijvoorbeeld dat het verhaal over een 21-jarige jongen gaat, die zich na de middelbare schooltijd thuis bij zijn ouders op zijn kamer opsluit en zich geheel afzondert van de wereld. In Japan is dit een gebruikelijk fenomeen onder adolescenten. Men noemt het Hikikomori, waarmee de titel van de debuutroman meteen is verklaard.

De hoofdpersoon Till neemt na verloop van tijd een exotisch dier op zijn kamer, een vreemd dier dat hij via internet in Mexico heeft gekocht. Dit dier verandert op den duur in een soort monster. Dit gedeelte doet natuurlijk erg sterk denken aan “Die Verwandlung” van Franz Kafka.  Kuhn vertelde gisteravond dat hij “Die Verwandlung”meermaals heeft gelezen en dat hij dit stuk met opzet zo had geschreven, als een soort hommage aan Kafka.  Zo laat hij in zijn verhaal ook zo nu en dan wagens met loeiende sirenes over straat rijden, iets dat in Kafka’s verhalen ook vaak gebeurt. Bij Kafka sterft de hoofdpersoon Gregor Samsa uiteindelijk. Hoe het met hoofdpersoon Till in “Hikikomori” afloopt, dat wilde Kuhn niet verraden. “Als je het boek positief leest, dan eindigt het ook positief”, is alles wat hij erover kwijt wilde.

Nu maak ik een bruggetje, want het toeval wil, dat ik ruim twee jaar geleden een avond in het Goethe Institut in Amsterdam bezocht, die in het teken stond van het boek “De gedaanteverwisseling” (Die Verwandlung). Destijds had ik nog geen blog, nu wel. En een blog lijkt mij een geschikte plek om een dergelijke tekst alsnog te parkeren. Daarom volgt hier het verslag van die avond, voor alle mensen die er destijds niet bij waren. Aan het woord kwamen Kafka-vertaler Willem van Toorn, schrijver/bioloog Midas Dekkers, NRC-Handelsblad redacteur en columnist Frits Abrahams en Cor de Back van de Stichting Nederlandse Kafka-kring.

Kafka lezing foto

Willem van Toorn (l) en Cor de Back.

Dinsdag 12 oktober 2010, Goethe-Institut Amsterdam

In een uitverkochte bovenzaal van het Goethe-Institut stonden het boek  De gedaanteverwisseling” en de schrijver “Frans Kafka” deze avond centraal. Cor de Back, voorzitter van de Stichting Nederlandse Kafka-kring, noemt Kafka één van de belangrijkste schrijvers in de wereldliteratuur. De Franse schrijver Gustav Flaubert ziet hij als een bloedverwant van de schrijver die vooral bekend werd door zijn romans “Het Proces” en “Het Slot”. Daarnaast valt de naam van de Deense filosoof Kierkegaard meermaals als inspiratiebron voor Kafka. Nu we toch namen aan het noemen zijn: volgens Cor de Back las Kafka graag de werken van Dostojewski en Shakespeare. Als ook Goethe en Kleist de revue hebben gepasseerd, eindigt De Back met  een opsomming van Nederlandse schrijvers, die volgens hem beïnvloed waren door Kafka. Hij noemt onder andere Bordewijk, Hermans en Willem Brakman.

Frits Abrahams, columnist en redacteur bij NRC-Handelsblad, begint zijn betoog met het noemen van de boeken die over Kafka zijn geschreven zoals de biografie van Max Brod. Daarna memoreert hij aan de Tsjechische auteur Gustav Janouch, die in 1949 het boek “Gesprekken met Kafka” schreef. Abrahams legt uit dat Janouch veel met Kafka had gesproken, maar dat hij twijfelt aan de authenticiteit van het boekje dat Janouch in 1949 schreef. Frits Abrahams vertelt dat hij ook de brieven van Kafka heeft gelezen en dat daaruit in zijn ogen een beeld ontstaat van een gekwelde persoon die gebukt gaat onder de nodige problemen in relaties met vrouwen. Hij noemt de vrouwen met wie Kafka kortstondige relaties onderhield. Dora Diamant ziet hij als de vrouw met wie Kafka de innigste band had. Frits Abrahams eindigt zijn betoog met het thema seksualiteit. Franz Kafka zou volgens hem geregeld prostituees bezocht hebben. In een van de boeken over Kafka wordt geschreven over de vondst van pornografische tekeningen. Die zijn inderdaad gevonden maar vandaag de dag zouden die tekeningen eerder als karikaturaal bestempeld worden.

Dan is het woord aan de bioloog en schrijver Midas Dekkers, die zijn verhaal begint met de vraag of niet iedereen wel eens iemand anders zou willen zijn. Op humoristische wijze legt de bekende bioloog uit dat we, als we ’s ochtends opstaan, al zijn veranderd in vergelijking met de persoon die we overdag waren. Vervolgens noemt hij de rups, die na verloop van tijd ineens geen rups meer is. Het publiek lacht, de toon is gezet. Midas Dekkers gaat over naar het boek “Die Verwandlung”.  Hij noemt de eerste beroemde zin, waarin Gregor Samsa “zu einem ungeheueren Ungeziefer verwandelt“.  Het woord „Ungeziefer“ is door vele vertalers op uiteenlopende manieren vertaald. Kever, kakkerlak, ondier. De juiste vertaling is ongedierte, dus zoiets als een kever of een kakkerlak.

Dekkers neemt het publiek mee op de zoektocht naar het soort dier dat Franz Kafka beschrijft. “Een insect heeft zes poten, dat hebben we allemaal op school geleerd“, vertelt hij. Aangezien de hoofdpersoon problemen heeft met de vele poten, sluit hij een insect uit. Dekkers sluit vervolgens ook de duizendpoot of de honderdpoot uit, omdat die een andere vorm hebben dan in het boek beschreven staat. Na veel grappige uiteenzettingen rest voor Midas Dekkers maar één conclusie: Gregor Samsa was veranderd in een pissebed. Hij verdedigt zijn vondst met drie punten:

1) Met de breedte van de pissebed paste hij onder de canapé
2) Hij wordt dikker na het eten. Een kever bijvoorbeeld niet.
3) Hij droogt uit aan het einde van het verhaal.
4) Last van ademhaling hebben is ook typisch voor een pissebed.

Midas Dekkers sluit rondt zijn betoog af door te zeggen dat er zo’n 4.000 soorten pissebedden bestaan. De nieuwe soort, uit het boek van Kafka, doopt hij deze avond met de naam “Rentokillus kafkaensis”

De schrijver en vertaler Willem van Toorn spreekt deze avond over zijn opvattingen van Kafka en hij noemt als eerste de humor doe je volgens hem in zijn boeken terugvindt. “Het lijkt wel of er bij Kafka een verbod op humor geldt,”  vertelt de vertaler. Hij noemt de schrijver K. Schippers, die net als hij ook de lichtheid van Kafka ziet. Sommige scènes lijken precies op scènes uit een slapstick film en Kafka bezocht in zijn tijd vaak de bioscoop, waarin films van Charlie Chaplin draaiden. Van Toorn geeft toe, de schrijfstijl van Franz Kafka is droog, hij schrijft zakelijk over onmogelijke gebeurtenissen. Zo is ook het woord Kafkaiaans ontstaan. Volgens Willem van Toorn was het ook geen gangbaar Duits maar was het wel helder. Een ander opvallend stijlelement noemt hij het feit dat Kafka halverwege een zin opeens een andere wending neemt. Van Toorn refereert ook nog even aan het “Ungeziefer” in de eerste zin. De Britse vertaler Pasley  noemde het een  “monstrous insect”.  Destijds stond Kafka erop dat op het kaft van  het boek “Die Verwandlung” absoluut geen dier afgebeeld mocht worden.

Van Toorn spreekt ook over de gevaren bij vertalingen van Kafka.  Bijvoorbeeld het gevaar dat je als vertaler zaken aan de lezer probeert uit te leggen. De neiging om wonderlijke zinnen glad te strijken. Hij noemt als voorbeeld de zin “Er ging ein Nachtlager suchen” uit “Het Slot”. Volgens Van Toorn gaat het hierbij om een slaapplaats. Een andere vertaling rept over een “onderkomen voor de nacht’. Met deze laatste vertaling was Van Toorn het niet eens. Tenslotte noemt hij de kritiek op zijn vertaling van de zin “auf dem schon langsam gewordenen Schiff” uit het boek “Amerika”.  Hij vertaalde de zin met “het langzaam gewordende schip” en vindt dat nog steeds een juiste vertaling.

Het slotonderdeel van de avond is een podiumdiscussie tussen Willem van Toorn en Cor de Back. Laatstgenoemde daagt de vertaler uit en vraagt waarom hij vindt dat Kafka tot de humoristische schrijvers uit Praag behoort. Van Toorn zegt dat hij in Amerika meer humor ziet dan de meeste andere mensen. In de discussie gaat het ook over de manier van vertalen. Cor de Back noemt Kafka ook wel de “aber” schrijver, omdat hij zo vaak het woordje “aber” gebruikt. Cor de Back vraagt aan Van Toorn hoe hij dat met vertalen doet. Als Kafka zes keer achter elkaar aber schrijft, vertaalt hij dat dan ook zes keer met “maar”? Van Toorn knikt. “IK vertaal wat er staat”,  is zijn stelling.

Er komt een tweede vertaling van “Die Verwandlung”? Waarom? Van Toorn legt uit dat hij de eerste vertaling samen met Gerda Meijerink maakte. Iedere vertaalde een deel. Teruglezend ziet Van Toorn de compromissen in de vertaling. Daarom wil hij er nu eentje helemaal alleen maken. Deze vertaling is inmiddels verschenen (2012).

« Oudere berichten Recent Entries »