Ratatouille

Vandaag wilde ik hier iets schrijven, maar wat ? Deze eerste zin duidt er al op dat ik het nog steeds niet weet. Dat is juist. Toch begin ik maar, zodat de kop er af is. Vandaag boden zich zo veel potentiële onderwerpen aan, dat ik geen beslissing kon of liever gezegd wilde nemen.

God is een ingenieur
Ik las bijvoorbeeld een interview met de schrijver Erst-Wilhelm Händler naar aanleiding van zijn nieuwe boek „Der Überlebende“. De titel van het interview trok, zoals het een goede titel betaamt, direct mijn aandacht: „Gott ist ein Ingenieur“. De hoofdpersoon in de roman is een ingenieur, zijn vrouw is kunstenares. Een belangrijke bijfiguur blijkt een pater te zijn, die als bestuurslid bij een hightech bedrijf werkt. Een geestelijke als topmanager? Heeft de auteur zijn creatieve fantasie de vrije loop gelaten? Dat vraagt de interviewer aan de auteur. Händler ontkent dit ten zeerste en zegt dat hij zich zelfs nog eufemistisch heeft uitgelaten.

Onderdrijven
Letterlijk zegt hij in het interview “ Ich habe sogar noch untertrieben“. Dat is leuk, tenminste, dit woordgebruik. In het Duits kun je übertreiben en untertreiben. In het Nederlands kun je weliswaar overdrijven maar onderdrijven is een woord dat niet bestaat. Dat is voor een vertaler altijd weer leuk om te lezen. Die verschillen tussen de talen, dat was ook een onderwerp waar ik meer over wilde schrijven.

Soep
Maar er lag vandaag ook nog een column op de loer. Bijvoorbeeld over de man die vanmiddag het Indiase eetcafé verliet om buiten een sigaret te roken. Op het moment dat hij de deur achter zich dichttrok, zette de dikke Indiase kok de kop soep op tafel van de man die buiten stond. Daarbij dacht ik meteen dat ik van geluk mag spreken dat ik nog een roker was in de tijd dat er gewoon een asbak op tafel stond en je de sigaret even uitmaakte om je soep op te eten. Daar wilde ik ook over schrijven.

Nieuwe krant
Of over de opkomst van nieuwe kranten. Zelf bereid ik al langere tijd een nieuwe krant voor, omdat ik denk dat vandaag de dag veel mensen in staat zijn om nieuws te verkopen. Je moet alleen weten hoe en ik weet dat. Het is interessant om te zien dat er momenteel op journalistiek gebied van alles gebeurt, net als op wetenschappelijk gebied. De geloofwaardigheid en de competentie van beide gebieden worden door meer en meer mensen al langere tijd in twijfel getrokken, een tendens die dagelijks stijgt. De nieuwe initiatieven zoals De Nieuwe Pers en De Correspondent zie ik als een eerste, in mijn ogen nog zeer lauwe, reactie. Wat visie betreft zijn het toch geen vernieuwende media. De Correspondent gaat bijvoorbeeld op zoek naar de verhalen achter het nieuws (was dat niet de naam van de actualiteitenrubriek van de VARA, waar Paul Witteman ooit furore maakte) en De Nieuwe Pers brengt nieuws in een andere vorm.

Nog nieuwere krant
Ik ga nieuw nieuws creëren, er een andere betekenis aan geven en hou me verre van de traditionele berichtgeving. Hoe dat precies in zijn werk gaat, dat verklap ik natuurlijk niet. Mijn journalistieke vorm wordt nu al van harte financieel ondersteund door bedrijven die zich in mijn visie kunnen vinden. Tot nu toe impliceert dat, dat ik ook achter de visie van die bedrijven sta. Samen zetten we iets nieuws op poten voor iedereen die benieuwd is hoe we het er op deze planeet de komende jaren het beste van kunnen maken, in tal van opzichten. Over dat onderwerp wilde ik ook nog meer schrijven. Maar de tijd is op. Er is nog veel ander werk aan de winkel.

Ratjetoe
Al met al had ik voor vandaag meer dan voldoende onderwerpen. Nu is dit stukje noch een column, noch een nieuwsbericht of een artikel geworden. Het is eerder een soort ratatouille. Ach, ook best lekker op z’n tijd. Bovendien bekt het mooi als titel.

Advertenties

Een dagelijkse column

npStel je voor, je moet iedere dag een nieuwe column schrijven. Dat lijkt me leuk maar aan de andere kant ook erg vervelend. Iedere dag! Stel, je staat op en je denkt “waar zal ik het eens over hebben?”. Volgens mij is op dat moment de column in spe al mislukt. Ik heb de ervaring dat een column min of meer vanzelf ontstaat. Dat iets je opeens te binnenschiet wat je in de vorm van een column naar buiten brengt. Je staat dus op en denkt na waar je het over gaat hebben. De deadline is over 2 uurtjes, dus je hebt nog even tijd. Eerst een lekkere hete douche, dan een sterke espresso, een uitgebreid toiletbezoek en dan zou in ieder geval het onderwerp of het thema van de column bekend moeten zijn. Wat te doen als er geen onderwerp of thema voorhanden is? Gewoon opschrijven wat je gisteravond hebt gegeten en wie je twee dagen geleden in de supermarkt tegenkwam? Er zijn columnisten die inderdaad dit soort grootse gebeurtenissen met de lezer willen delen. Ik vraag me dan altijd af wat ze zelf van zo’n column vinden, die enkel en alleen is geschreven om een lege plek in de krant te voorkomen. Zou de columnist op het matje worden geroepen? Zou hij een waarschuwing krijgen? Of zou hij of zij er gewoon geen geld voor krijgen? Het zijn allemaal vragen die in mij opkomen als ik er aan denk wat ik zal doen, als ik iedere dag een nieuwe column zou moeten schrijven. Natuurlijk kun je ook een verhaaltje als dit op papier zetten. Eerlijk gezegd denk ik niet dat de lezer daar op zit te wachten.

Dokters zijn ook dichters

titelDe arts vertelde me zijn verhaal over de patiënt van gisteren.
‘Natuurlijk heb ik als arts een geheimhoudingsplicht, dus ik zal de naam niet noemen.’
Ik knikte maar was wel benieuwd wie de man was, die gisteren met dezelfde klachten als ik hier voor de deur stond.
‘Die man had precies hetzelfde als u. Bij hem gebeurde het ’s avonds na het eten, om een uur of negen. Hij had boerenkool gegeten, een kop koffie gedronken, een jazzplaat opgezet en toen was het zover.’
Ik was een en al oor.  Bij mij gebeurde het ’s ochtends, na een onovertroffen ontbijt en een zalige stoelgang. Ik schonk mezelf nog een kop koffie in en dan was het zo ver. Het overviel me totaal, net als bij de man waar de arts over sprak.
‘Het gedicht hing in de lucht, dus pakte de man snel pen en papier om alles op te schrijven’, vertelde de geneesheer. ‘Hij rook de poëzie, zag het in de kleuren, hoorde het in de muziek, zijn hele kamer was één gedicht. En dat kreeg hij niet op papier. Hij kreeg geen woord te pakken. Wat zeg ik, geen enkele letter. Het was tragisch. De man barstte hier in tranen uit.’
Ik keek verbaasd. Dat was wel een heftig geval. In tranen uitbarsten, dat ging erg ver. Ik kreeg net als de man ook wel eens een dosis rauwe poëzie over me heen, die zich niet op papier liet zetten, maar gehuild heb ik niet.
‘Wat deed u toen?’, vroeg ik nieuwsgierig.
De arts lachte.
‘Nee, medicijnen zijn er niet. Ik heb de man iets aangeraden, wat ik u ook zal aanraden.’
Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Een tip tegen vastzittende poëzie of tegen obstipatie der dichterlijke gedachten, daar had ik wel oor naar. Opeens huilde de arts.
‘Hé, dok, wat is er? U wilde iets zeggen.’
Met een betraand gezicht keek hij me aan.
‘Ik was de man van gisteren, die voor mijn eigen deur stond.’
Ik was opeens klaar wakker, voelde me super fit en maakte dat ik hier weg kwam. Ik was voorgoed genezen.

(Deze tekst verscheen eerder in dagblad De Pers)