Berlijn: op zoek naar flessenverzamelaars

Het interview met Jonas Kakoschke over pfandgeben.de

Het interview met Jonas Kakoschke over pfandgeben.de

‘U haalde net flessen uit de vuilnisbak. Wilt u hier over praten?’ Nee, verkeerde openingszin, dacht ik afgelopen dinsdag aan het begin van de middag. De studente van de School voor Journalistiek in Utrecht en ik achtervolgden de man die we zojuist van grote afstand hadden betrapt op het in een vuilnisbak zoeken naar flessen met statiegeld. Ik voelde me een soort CIA-agent. We zochten al zeker een half uur naar een flessenophaler, omdat de studente het fenomeen ‘statiegeldflessen verzamelen in Berlijn’ als onderwerp had gekozen voor haar mini-radioreportage van vier minuten. Ik was hierbij betrokken, omdat ik via internet en een email spontaan mijn hulp had aangeboden bij het zoeken naar een flessenophaler én bij het vertalen in het geval ze hem of haar wilde interviewen.

Eerder op de dag waren we op bezoek bij Jonas Kakoschke. Hij is de man die in 2011 de website ‘pfandgeben.de‘ in het leven riep. Dat non-proft project loopt nog steeds goed. Heb je na een feestje je woning vol met lege flessen en je kunt het statiegeld wel missen, dan kijk je gewoon eventjes op die website welke flessenophaler er bij jou in de buurt actief is. Vervolgens bel je hem of haar op en je flessen worden opgehaald. Je hoeft niet naar de winkel en de flessenophaler is blij met de flessen. Bovendien heeft de flessenverstrekker ook nog eens iemand ondersteund die iedere eurocent kan gebruiken. Kortom, een bekende win-win situatie. Over dat project, dat in 2011 een ware mediahype beleefde, spraken de studente en Jonas, terwijl ik zo nu en dan wat woorden van het Duits naar het Nederlands vertaalde en andersom.

‘Het is in Duitsland soms gewoon pure noodzaak om flessen op te halen, want je moet toch ergens van rondkomen.’ Met woorden van gelijke strekking sprak ik de man op Hauptbahnhof aan en klopte hem voorzichtig op zijn schouder. Ik schatte hem midden 60. Hij droeg een verwilderde korte baard, op zijn neus stond een bril met kapotte pootjes en een lichte, penetrante geur van ongewassen lichaamsdelen duidde erop dat hij wellicht de nachten op straat doorbracht. Hij keek mij aan en knikte toen ik snel uitlegde dat een studente uit Nederland hem graag een paar vragen wilde stellen i.v.m. haar studieopdracht. ‘Daarom wordt het ook niet uitgezonden’, voegde ik er nog aan toe.

De man sprak over de bagagekarretjes op vliegveld Tegel. Vroeger waren die karretjes met één of twee euro of Duitse mark een bron van inkomsten voor de mensen die nu naar statiegeldflessen zoeken. ‘Trittin was toen minister. Die karretjes met geld werden afgeschaft en direct daarna werd het statiegeld op blikjes ingevoerd’, vertelde deze man op het Berlijnse Hauptbahhof. Hij vertelde ook dat hij gisteren maar twee euro had verdiend en dat het slechte tijden waren, dat de concurrentie met mensen uit Polen, Roemenië en voormalige Oostblok landen groot was. ‘Die sturen hun kinderen gewoon op pad’, zei hij met een duidelijke verontwaardiging in zijn stem. De man praatte en zowel de studente als ik waren blij dat we eindelijk iemand hadden gevonden die flessen zocht én praatte. Blij maar ook aangedaan. Immers, de man is door wat voor omstandigheden dan ook in een dergelijke situatie beland. Tussen de rollende Samsonites, de geur van koffie en curryworst, tussen de schelle omroepberichten en een Whatsappende menigte schuifelt hij telkens van vuilnisbak naar vuilnisbak en als hij buigend zijn gezicht boven het afval houdt, hoopt hij vurig op een achteloos weggegooid flesje of blikje en de paar eurocent die hij daarmee verdient.

Advertenties

Als het moment klopt

bankDat er in Europa armoede heerst, dat is geen geheim. In grote steden is dat vaak zichtbaarder dan in een dorp, waar de armoede veelal verborgen blijft. Voor je het weet bombardeert het dorpshoofd je tot de arme sloeber van het dorp en dan zijn de rapen gaar. Dan liever doen alsof het goed met je gaat en ondertussen de laatste  eurocentjes twee keer omdraaien, met de gordijnen dicht, zodat het dorpsopperhoofd het niet ziet.

Hier in Berlijn behoren de flessenophalers net zo tot het dagelijkse straatbeeld als de DHL-chauffeurs die alle digitaal aangeschafte waren bij de mensen thuis bezorgen. Immers, in Duitsland leveren vrijwel alle flessen (en ook blikjes!) statiegeld op. Naast de flessenverzamelaars heb je ook de mensen die met een beker voor zich op straat zitten en wachten tot hun beker met geld gevuld is. Een ander fenomeen kwam ik vanavond tegen. Ik moest nog even langs mijn bank om geld uit de automaat te halen. Ik viel bijna naar binnen, omdat een portier de deur voor mij openhield. Het bankfiliaal bij mij in de straat is wel heel bijzonder. Laatst dronk ik hier namelijk nog een glas sekt en liep ’s ochtends al lichtelijk aangeschoten de straat op.

Nu stond hier ’s avonds dus een portier. De jongen, ik schatte hem een jaar of 25, boog zijn arm nog galant opzij om mij hartelijk welkom te heten in dit bankfiliaal. Terwijl ik even later mijn pincode intypte, zag ik uit mijn ooghoeken dat de jongeman ook voor iedereen de deur openhield die het pand wilde verlaten. Naast hem stond een grote doorzichtige plastic beker, die op muziekfestivals vaak met tapbier wordt gevuld. Hier diende de beker als plek om een fooi achter te laten.

Als je in Berlijn iedereen die om geld vraagt ook geld geeft, dan moet je over een bijzonder hoog inkomen beschikken. Zelf geef ik zo nu en dan iets. Mijn gift hangt van mijn gemoedstoestand én de andere persoon af. Deze jongen in de bank, aan zijn accent te horen afkomstig uit één van de voormalige Oostblok-landen, deed me denken aan één van de drie jongens die ik in de documentaire over ex-jeugdgevangenen had gezien. Het was een jongen die je een kans gunt, iemand die het eigenlijk wel goed met de mensen en het leven voor heeft maar door onvoorziene omstandigheden telkens weer in uitzichtloze situaties belandt en het dan niet meer trekt.

Daarnaast vond ik dit wel een mooi gebaar, telkens de deur openhouden en dat dan ook nog vol overgave en met een gulle lach. Overdag zit er iemand voor de bank die ik nooit iets geef. Een man met een wilde baard die gewoon chagrijnig zit te zitten en nog chagrijniger kijkt als je hem niets geeft. Deze portier verkeerde vast en zeker in net zo’n rotsituatie als de chagrijnige zitter, maar hij stond letterlijk nog in het leven en communiceerde op zijn manier met zijn medemensen. Ik wierp 2 euro in zijn beker, hij knikte, drukte zijn hand op zijn hart en wist niet hoe zeer hij zich bij mij moest bedanken. Maar daar ging het mij niet om, om dat bedankje. Die jongen verdiende in mijn ogen gewoon een steuntje in de rug en dan doe je dat. Soms doe je het bij een muzikant, omdat het moment klopt. Soms doe je het niet bij een muzikant, omdat het moment niet klopt. En vanavond deed ik het bij de bank, bij een jongen die voor mij de deur openhield, omdat het moment klopte.

P.S. Een P.S. bij een column is niet gebruikelijk maar ook niet strafbaar. Dus schrijf ik nog eventjes door. Bovenstaande column sluit goed aan op een bericht dat ik vandaag in de krant las. In de Berlijnse wijk Charlottenburg-Wilmersdorf staan sinds twee dagen speciale bakken voor statiegeldflessen naast de normale prullenbakken. Deze speciale bakken zijn speciaal bedoeld voor de mensen die vanwege geldgebrek op zoek zijn naar de statiegeldflessen, die veelal door toeristen argeloos in de prullenbakken worden gedeponeerd. Op deze manier hoeft de flessenverzamelaar niet meer door het vuilnis te woelen om een fles te vinden. Het plaatsen van deze bakken is een pilotproject.