Author Archives: AvG

Sociale structuren in Berlijn

Berlijn Kreuzberg

Berlijn Kreuzberg

Berlijn kent armoede, dat is geen geheim. Het is ook geen geheim dat in de Duitse hoofdstad ieder derde kind in armoede opgroeit.  Maar waar in stad wonen dan de arme Berlijners en waar wonen de rijken? Waar wonen de academici en waar de werklozen? Hoe zijn de bewoners over de verschillende wijken, stadsdelen en districten verdeeld? Die gegevens zijn onlangs vastgelegd in een 300 pagina’s tellende ‘sociale structuuratlas’, die afgelopen vrijdag aan de senator voor gezondheid Mario Czaja (CDU) werd overhandigd.

Het zuigelingensterftecijfer, het aantal rokers, het aantal werklozen, de woonsituatie, de genoten opleiding, het inkomen of het aantal hulpbehoevenden, dat op overheidssteun is aangewezen. Het zijn enkele van de 66 verschillende criteria in het tot nu toe omvangrijkste onderzoek naar de sociale situatie in Berlijn.

De Thielallee in de villawijk Dahlem, niet ver van de Vrije Universiteit, beschikt over de gunstigste sociale structuur. Maar ook in de buurt van Dahlem en aan de Krumme Lanke (plaats 3 en 5) is het niet slecht vertoeven. Volgens de sociale structuuratlas zijn in het zuidwesten van de stad de inkomens, het aantal academici en de levensverwachting het hoogst. De bevolking bestaat in dit gebied uit jonge gezinnen, gepensioneerden, hoge ambtenaren en academici, die zich de vaak niet echt goedkope woningen kunnen permitteren.

In sommige districten en wijken, zoals Kreuzberg, bestaan binnen het district grote verschillen. Dat kan ik beamen, want ik woon alweer twee jaar in Kreuzberg en ik zie hoe ook bij mij in huis de huurprijzen na een renovatie van een woning de hoogte in schieten en soms zelfs worden verdubbeld. Hetzelfde geldt voor Neukölln, het stadsdeel dat in het rapport de laagste plaats inneemt. Deze laatste plaats is verklaarbaar, omdat de gegevens van de sociale structuuratlas uit het jaar 2011 stammen. Momenteel is Neukölln een stadsdeel dat erg in trek is en dan laat de gentrificatie niet lang op zich wachten.

Uit de sociale structuuratlas blijkt dat de sociale structuur in het district Spandau wankelt. In een krantenbericht wordt Spandau de verliezer van de gentrificatie genoemd. Het is de opvangplek voor de armere lagen van de bevolking die door de stijgende prijzen uit het centrum worden verdreven. Spandau staat in de sociale structuuratlas op de drie na laatste plaats.

Ook het district Reinickendorf bevindt zich in de onderste helft van de tabel met sociale structuren. De bevolking is hier bovengemiddeld oud en daardoor stijgt het aantal hulpbehoevenden dat op overheidssteun is aangewezen. De sociale structuur in Marzahn-Hellersdorf is stabiel gebleven, ook al bevindt de wijk zich eveneens in de onderste regionen van de lijst. De wijk zakte tussen 2003 en 2008 van plaats vijf naar plaats negen. Sindsdien is de sociale structuur hier niet verslechterd.

De sociale structuuratlas kent één grote winnaar en dat is stadsdeel Pankow, dat na Steglitz-Zehlendorf en Charlottenburg-Wilmersdorf op plaats drie staat. In 2003 stond Pankow nog op de negende plaats. Dat was nog in de tijd voordat de mensen met hogere inkomens naar Prenzlauer Berg (behoort tot Pankow) trokken.

Bronnen:
Berliner Zeitung 28.02.2014 “Hier wohnen die ärmsten Berliner

Download de sociale structuuratlas (16,2 MB)

Oogsttijd

In het Drentse Westwolde is nog nooit bij iemand ingebroken. De circa achthonderd bewoners leiden een evenwichtig en harmonieus bestaan. Het is hier een gulden regel dat je iedere inwoner op de hoogte brengt van wat je precies doet. Kortom, niemand vraagt wat de ander doet; ons kent ons.

Zo’n zestig jaar geleden voltrok zich in Westwolde een groot drama. De destijds achttienjarige Sieb Klootstra, nu een legendarische figuur, speelde hierin een hoofdrol. Hij groeide op in het Westwolde van de jaren veertig. Sjaak Klootstra, de dorpsdokter uit die tijd, verloste zijn vrouw Krieltje eigenhandig van de kleine Sieb. Een paar weken na die bevalling gaven de Duitsers zich over en eindigde de oorlog. De mannen van het dorp ploeterden om hun bedrijfjes weer op poten te zetten. De vrouwen hadden hun handen vol aan het verzorgen van de vele pasgeboren inwoners.

Alle kinderen in het dorp genoten dezelfde opvoeding. Rond het tiende levensjaar werkten de jongens op het land, terwijl de meisjes de slaapkamers poetsten en zich in de keuken ophielden. Het was de dorpsonderwijzer Leo de Braam die op een dag de familie Klootstra bezocht en hen vertelde over de buitengewoon goede prestaties van hun zoon Sieb. Vanaf die dag wist het hele dorp dat Sieb zijn vader zou opvolgen als dorpsdokter. Iedereen leefde met de hoogintelligente Sieb mee en ondersteunde hem bij zijn toekomstige carrière. Hij werd anders behandeld dan de andere kinderen. Zo kreeg hij op zijn twaalfde verjaardag van zijn vader een gloednieuwe stethoscoop cadeau. Zijn moeder verblijdde hem met een prachtig glimmende verlostang. Buiten schooltijd hielp hij z’n vader met het leggen van vingers op wonden en het knippen van pleisters. Siebs bestemming lag vast.

In het jaar dat Sieb zijn zeventiende verjaardag vierde mocht hij als enige Westwoldenaar het dorp verlaten. De universiteit bevond zich immers in Amsterdam. Zijn vader had alles geregeld. Hij kon bij Theo en Sjaan, oude studiegenoten van hem, een kamer betrekken. Het echtpaar reageerde enthousiast. Sieb kon immers een goede vriend worden van hun zoon Gilbert, die in de eindexamenklas van het gymnasium zat en Klassieke Talen wilde studeren. Gilbert had geen vrienden, behalve zijn twee marmotten Alpha en Omega.

Bij het uiteindelijke vertrek van Sieb naar de grote stad kwamen alle bewoners van Westwolde op het dorpsplein bijeen. Er werd gejuicht, gelachen maar ook gehuild. Sieb moest het dorp uit maar eens zou hij als de nieuwe dokter van Westwolde terugkeren. In een zwart confectiepak, hetzelfde pak dat zijn vader droeg bij zijn vertrek naar de universiteit, stond Sieb in de statige zwarte koets en zwaaide hij naar de uitzinnige bewoners. Vader Sjaak stuurde vol trots op het station aan.

Het is zes jaar geleden dat Sieb het dorp verliet. In het dorp wacht iedereen vol verwachting op de terugkeer van hun verloren zoon. Volgens de laatste berichten kan de inmiddels vijfentwintigjarige Westwoldenaar ieder moment arriveren. In Amsterdam, ten huize van Theo en Sjaan, heerst een zeer gespannen sfeer. Hier is geen sprankje vreugde te bekennen. Theo lijkt ten einde raad, maar uiteindelijk besluit hij tot het schrijven van een brief, die hij vervolgens per expres naar Westwolde wil versturen. Na vele aarzelingen en enkele diepe zuchten neemt Theo zijn kroontjespen ter hand en schrijft:

Beste Sjaak en Krieltje,
Vorige maand berichtte ik jullie nog over Sieb z’n goede prestaties op de universiteit. Het zag er naar uit dat hij op korte termijn zijn studie zou voltooien. Helaas is er iets tussen gekomen. Het doet me erg veel pijn dit te moeten schrijven, maar Sieb is al een maand niet meer op de universiteit verschenen. Ik weet niet waar hij nu verblijft, want hij heeft ook zonder opgaaf van reden ons huis verlaten. Het enige wat ik weet, is dat hij z’n geld verdrinkt in cafés en dat hij in de buurt van de lichten zeden geen vreemde is. Aan Gilbert vertelde hij dat hij voor altijd in de stad zou blijven, dat hij zich nooit meer zou scheren en dat hij absoluut geen dokter wilde worden.
Ik ben niet Siebs vader en kan hem dus ook niet een flink pak slaag geven voor al zijn slechte daden. Sjaan is, net als ik, heel erg overstuur. Na het bijbrengen van een gezonde discipline krijgen we dit ervoor terug. Het lijkt mij het beste dat Sjaak zo snel mogelijk naar Amsterdam komt en Sieb onder handen neemt. Ik weet op welke plaatsen hij veel vertoeft, dus het zal geen probleem zijn hem snel te vinden.
Groeten,
Theo (en Sjaan)

‘Oké’, roept Sjaak luid over het dorpsplein, ‘wij hebben een probleem. Ik wil nu een spoedberaad met de alle mannen van Westwolde.’
Iedereen op het plein begrijpt meteen dat er slecht nieuws in de brief staat. Als de mannen van Westwolde bijeen moesten komen, nou, dan is het goed mis. En het is dan ook goed mis. Nog geen dag later vertrekt er vanuit het dorp een groep van dertig stevig uitziende mannen richting Amsterdam. De oude vrachtwagen, die normaal dient voor het vervoer van varkens, leent zich perfect voor deze reis.

Sjaak stapt als eerste uit het logge voertuig. Vastbesloten betreedt hij het trapje voor de woning van zijn oude studiegenoten.
‘Waar is die schoft?!’
Theo stamelt wat onverstaanbaars.
‘Sorry Theo, ik ben een beetje overstuur. Hoe gaat ‘t, jongen?’
Theo legt kameradelijk zijn hand op Sjaaks schouder.
‘Ik begrijp ‘t, ik begrijp ‘t.’
Theo steekt maar meteen van wal.
‘Bij de hoertjes moet je zijn, in een café in het district der verderf. Ik weet precies waar hij nu zit. Als je het niet erg vindt, dan rij ik met jullie mee.’
Sjaak kijkt peinzend naar de donkere wolken boven de oude Amsterdamse grachtenpanden. Zwijgend draait hij zich om in de richting van de mannen in de truck.
‘Oké, ga maar mee. We zullen die jongen eens even leren hoe het moet.’
Met opgeheven hoofd, de schouders omhoog en een vastberaden blik in de ogen stapt Sjaak in de cabine. Theo volgt.

‘Hier is het’, schreeuwt Theo.
De truck komt zo plotseling tot stilstand dat de inzittenden nog even naschudden. De lege whiskyflessen en jeneverkruiken rollen over de bodem van de veewagen.
‘Oké, mannen, we zijn er!’, roept Sjaak.
Hij spreekt tegen de harde kern van Westwolde, die gekleed in blauwe overalls en gewapend met rieken en batsen op de kade langs de Brouwersgracht staat.
‘Ik ga met Theo naar binnen. Als we hem hebben, dan komt één van ons naar buiten en kunnen jullie je werk doen.’
De mannen knikken begrijpend.
Met grote passen lopen Sjaak en Theo naar binnen. Niemand kan deze woedende heren nog tegenhouden. Ze bevinden zich in een groot, donker hol met jonge in zwarte kleding gestoken mensen. Er hangt een zware rooklucht met een aparte, zoete geur. De muziek klinkt Sjaak vreemd in de oren. Sjaak heeft het gevoel dat hij ieder moment kan ontploffen van woede. Hij ziet mensen die hevig met elkaar discussiëren en mensen die roerloos voor zich uit staren.
‘Dit is de hel,’ schiet er door zijn hoofd. Door de duisternis kan hij z’n zoon niet meteen ontdekken.
‘Licht’, brult de stevige dorpsdokter, ‘licht, licht!!’
Geschokt kijkt iedereen naar de deuropening, die door de fors gebouwde Sjaak in beslag wordt genomen. Hij heeft de hanglamp in z’n hand en schijnt ermee door de duistere ruimte.
‘Daar is ie!’ Het licht schijnt in de ogen van een verlegen jongen.
‘Je zo kwetsbaar opstellen dat je op straat wordt weggeveegd door de wind/een deuk oploopt door een vallend blaadje/of wordt weggespoeld door de regenval/dat is volharding/dat is leven’ spreekt de jongen.
Theo is inmiddels naar buiten gelopen.

‘De dood heelt al m’n wonden. Genees me’, mompelt de schuchtere Sieb.
Hij voelt dat er iets te gebeuren staat maar door het felle licht van de lamp kan hij zijn vader niet zien. Evenmin ziet hij dat een peloton van dertig onvervalste Westwoldenaars naar binnen stormt. Met hun roestige rieken rennen ze dreigend op de terneergeslagen Sieb af. Een hysterisch geschreeuw, het licht dat uitvalt en dan een angstaanjagende stilte. Met meerdere rieken prikken de mannen de flarden van Sieb van de vloer. Er is niet veel meer van het lichaam over. Alle stukken worden routineus in de truck gesmeten. Boeren en winden latend vertrekt het gezelschap vervolgens richting Westwolde. Theo wuift de mannen uit en loopt trillend op zijn benen het eerste het beste café binnen.

Moe en versuft bereiken de Westwoldenaars hun dorp. De bewoners zijn inmiddels door de dorpsdominee van de situatie op de hoogte gebracht. Sjaak en nog wat mannen werpen de lichaamsdelen van Sieb op het plein. In eerste instantie lijkt het alsof de omstanders hiervan schrikken, maar het tegendeel is waar. Met de vuisten omhoog en een luid gejuich maakt iedereen duidelijk dat het recht zegeviert. Mensen beginnen zelfs met het aanheffen van liederen, terwijl de dorpsdominee de bij elkaar gelegde lichaamsdelen in brand steekt. Zingend en vol vreugde verlaat de menigte uren later het plein. In de nacht blaast een oostenwind Siebs as naar de nabij gelegen akkers, waarop enkele uren later de eerste ijverige Westwoldenaars de oogst binnenhalen.

Lees ook: Het oosten

Wapengekletter op papier

Vandaag is de Nederlandse schrijver Hugo Brandt Corstius (78) overleden. In dag- en weekbladen ging de man vaak flink te keer. Oud-minister van financiën Ruding noemde hij ‘de Eichmann van onze tijd’, oud-premier Biesheuvel ‘een ontstellende slijmjurk’, de ministers Udink, Geertsema en Veringa noemt hij achtereenvolgens ‘debiel’, ‘opgeblazen’ en ‘zielepieterig’.

Dit herinnerde ik mij vandaag, omdat ik in april 1996 een stuk schreef over columns en polemiek. Het essay heette “Wapengekletter op papier” en staat hieronder.

Wapengekletter op papier

Vriendelijkheid in de literaire kritiek leidt alleen maar tot slechte boeken. Goede boeken zijn niet de boeken die vernuftig in elkaar zijn gezet, maar welke iets te zeggen hebben en daardoor de persoonlijkheid van de schrijver uitdrukken. De vorm is ondergeschikt aan de inhoud: wat gezegd wordt, moet ‘gewoon’ gezegd worden, niet in een of andere literaire kunsttaal.”

Bovenstaande opvatting is letterlijk opgeschreven door H.A. Gomperts en heeft betrekking op de criticus Menno ter Braak en de criticus, dichter en romanschrijver E. du Perron. Het jaar is 1932. Beide heren verkondigden hun meningen in het bekende tijdschrift Forum. De stukken van Ter Braak en Du Perron zijn altijd uiterst kwaadaardig, maar toch ook steeds elegant, spits en sportief. Ze vielen alles aan wat in hun ogen tweederangs was: de Nederlandse zelfgenoegzame volksaard die Du Perron aanduidde met “Jan Lubbes”, de impressionistische woordkunst, de streekroman, de boeken met een ethische ‘boodschap’ en het hoogdravende gepraat over kunst. De heren trokken ten strijde op papier en dat is wat een polemiek een polemiek maakt: een pennestrijd.

Hugo Brandt Corstius schrijft over prins Bernard: ‘Een man die het liefst een vliegtuig in een Zuid-Amerikaans bordeel zou verkwanselen’. Politici noemt hij ‘Haagse ratten’, die ‘zich volvreten ten koste van de bijstandstrekkers’. NOS-verslaggever Hugo van Rhijn is volgens hem een ‘huurmoordenaar’ en een ‘fascist’, oud-minister van financiën Ruding ‘de Eichmann van onze tijd’, oud-premier Biesheuvel ‘een ontstellende slijmjurk’, de ministers Udink, Geertsema en Veringa noemt hij achtereenvolgens ‘debiel’, ‘opgeblazen’ en ‘zielepieterig’, Beatrix en Claus zijn ‘twee uitgedroogde rozijnen’. Enzovoorts, enzovoorts.

Gerrit Komrij schrijft achterin zijn boek Horen, zien en zwijgen (1977) een zogenaamd “Vergeetregister”:
ABRAHAM, VADER. Zanger. Weeë liederen, valse kop, wraakzuchtige inborst. Volksheld dus.
HENK VAN DER MEYDEN. Journalistieke dief, werkzaam bij de Telegraaf. Verzamelt poppen en hult zich ’s avonds op zijn flat in ragdunne dameslingerie; vocabulaire van driehonderd woorden.
ZANGERES ZONDER NAAM. Zangeres. Mag geen naam hebben.

En zo zijn er talloze voorbeelden van schrijvers die andere mensen in hun geschriften onderuit halen. Zo noemde Hermans de dichter-essayist J.B. Charles een “literaire gorilla”, Renate Rubinstein een “oud blind grootmoedertje” en “kleine ondeugd”, en de dichter H. van Galen Last steevast “Van Gal en Last”. Over professor Gomperts, hoogleraar Nederlandse Letterkunde te Leiden en volgens Hermans “de echoput van Ter Braak en Du Perron”, schreef hij: “Zodra ik vind dat mijn naam weer in de krant moet, trap ik op Gomperts, niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een trambestuurder trapt op de bel.”

Maar er werd natuurlijk ook terug gescholden. Gomperts noemde hem een “beerput” en een “kinderachtig kwakertje dat in zijn opwinding nog het meest doet denken aan Donald Duck.” J.B. Charles zei dat Hermans “stellig gerekend moet worden tot de beste 321 dichters die Nederland heden ten dage heeft” en Van Galen Last vond hem “de grootst levende prozaschrijver van Groningen.”

Uit al deze voorbeelden blijkt dat de polemiek altijd twee partijen telt en dat er zo nu en dan op het scherpst van de snede wordt geschreven. Voor de één kan een stuk bijzonder komisch zijn, maar voor een ander kan hetzelfde stuk bijzonder kwetsend zijn. Jan Blokker zegt in een interview dat de polemische columnist voortdurend grensjes verlegt. “De één zal dat voorzichtiger doen dan de ander”, aldus Blokker.

Er zijn in de afgelopen jaren nogal wat columnisten voor de rechter verschenen in verband met het aanvallen van personen of instituten. Bij de kort gedingen blijkt dat de rechter rekening houdt met de min of meer ‘literaire’ aard van de column. Een columnist mag sterke bewoordingen gebruiken, overdrijven, simplificeren, insunueren, altijd binnen het kader van het algemeen belang.

Maar mag je in je column iemand met Hitler vergelijken? Leo Derksen van de Telegraaf associeerde Frits Bom met Hitler en hij erkende die associatie ‘doelbewust te hebben willen opwekken’. Persoonlijk vind ik dat een schrijver mag schrijven wat hij wil. Een makkelijk standpunt, maar ik kan niet beoordelen waar in een polemisch stuk de grenzen moeten liggen, althans, niet in z’n algemeenheid. Als iemand in zijn column de naam Hiltler gebruikt, dan hangt het van de context af of die naam wel of niet gebruikt kan worden. In het geval van Leo Derksen vond de rechter dat de columnist te ver was gegaan en Derksen werd veroordeeld. ‘De herinnering aan de Tweede Wereldoorlog is bij velen nog te levendig om het in relatie brengen van iemands persoon met de figuur van Hitler, anders dan in zeer uitzonderlijke en evidente gevallen (…) te kunnen rechtvaardigen’, aldus de rechter. Maar wat schreef Derksen dan precies? “Bom, die op de mestvaalt pas tot volle bloei komt, zoals de geschiedenis ons telkens weer figuren toont, voor wie onlustgevoelens de kweekbak zijn voor hun glorieuze opkomst, geniet zichtbaar van deze ellende. Hier voelt hij zich thuis als een vis in het water. Voor deze mensen is hij de Grote Leider, wat in het Duits Führer betekent, maar ja, elke taal heeft zo zijn eigen grapjes.”

Naar mijn mening had Derksen niet veroordeeld hoeven worden. Hij associeert Bom weliswaar met Hitler, maar de manier waarop hij dat doet vind ik toelaatbaar. Het was anders geweest als Derksen had geschreven dat Frits Bom een pleitbezorger van concentratiekampen is, dat hij het arische ras in stand wil houden en dat daarom allerlei andere rassen uitgemoord moeten worden. Dan ga je te ver, want dan maak je iemand letterlijk uit voor een beul, een massamoordenaar, een fascist. Wat Derksen volgens mij duidelijk wilde maken is dat hij het optreden van Bom gevaarlijk vindt, omdat zo’n optreden misbruik maakt van de ellende van de medemens. Daar kun je het wel of niet mee eens zijn. Ik kan de invalshoek van Derksen in ieder geval wel begrijpen, alleen zou ik me niet zo druk maken over het zogenaamde gevaar van ene Frits Bom.

De polemiek kent eigenlijk drie partijen, want wat is een polemiek zonder publiek? Gerrit Komrij zegt in een interview dat het publiek ervan geniet als een polemische columnist zijn tegenstander omsingelt, uitkleedt en vervolgens vermoordt. “Het publiek schept een heimelijk genoegen in vernedering en bloedvergieten. Leedvermaak en voyeurisme beantwoorden aan de kwaadaardigheid en onbetrouwbaarheid van het publiek”, aldus Komrij. Maar volgens mij onderschat hij het publiek, dat vaak twijfelt aan de morele betrouwbaarheid van de polemische columnist. Neem nou Theo van Gogh. In HP/De Tijd las ik een ingezonden brief, waarin de afzender duidelijk maakt niet langer gediend te zijn van de smakeloze stukjes van Theo van Gogh en dat hij daarom besluit zijn abonnement op te zeggen. Dit gevaar dreigt natuurlijk voor iedereen die zich van de polemiek bedient. Een polemist kan zich veel veroorloven, maar kan niet zijn publiek verspelen.

Tot nu toe heb ik het alleen over de polemische column gehad, maar er zijn natuurlijk nog andere methoden om iemand op papier aan te vallen. De recencent kan iemand aanvallen in zijn recensie, de essayist kan ten strijde trekken in zijn essay en de journalist kan iemand onderuit halen in zijn (opiniërend) artikel. En iemand die zich aangevallen voelt kan in plaats van naar de rechter ook naar de Raad van Journalistiek stappen. De klager die naar de Raad van Journalistiek stapt moet zich er echter wel rekenschap van geven dat het college geen sancties kent. Een voorbeeld: In een recensie in Het Parool van het boek “Wie is van licht?” van Jan Foudraine beticht recensente Fortuin de auteur van leugens en schrijft zij onder meer: “Die Foudraine is inmiddels als Amrito zelf een kwakzalver geworden, maar draagt nog steeds de titel psychiater. Mag dat?” Foudraine klaagde Fortuin aan bij de Raad van Journalistiek. De Raad oordeelde dat in de bespreking voldoende wordt onderbouwd waarom naar de mening van Fortuin Foudraine zich schuldig maakt aan leugens. De aanval van Fortuin op de betrouwbaarheid van Foudraine als psychiater acht de Raad echter niet van behoorlijke argumenten voorzien.

Artikelen in kranten kennen hun eigen criteria. In bijna iedere krant heb je het Commentaar; een stuk waarin de journalist (min of meer namens de krant) commentaar geeft op bepaalde zaken. Dan heb je nog de berichten in grappige en/of maatschappijkritische rubrieken. In de Volkskrant is dat bijvoorbeeld de rubriek Dag in Dag uit. In die rubriek schreef een journalist dat Drs. P op een school lucifersdoosjes uitdeelde, voorzien van de oproep zijn plaat voor 19 gulden te kopen. De plaat liet na bestelling eindeloos op zich wachten en bleek toen ook nog veel duurder te zijn. Onjuist was, dat Drs. P zelf de luciferdoosjes had uitgedeeld; dat had een leraar gedaan. De zanger verweet de krant onzorgvuldigheid en een ‘lasterlijke intentie’. De Raad voor Journalistiek oordeelde dat er geen sprake was van een onbehoorlijke journalistieke gedraging. In haar betoog maakte de Raad duidelijk dat de rubriek “Dag in Dag uit” een rubriek is welke zich qua stijl en inhoud aandient als een enigszins kritische en badinerende rubriek.

Wat is precies een badinerende rubriek en waar liggen de grenzen van de vrijheid van de columnist? Mag je iemand een fascist noemen, mag je iemand associëren met Hitler? Het zijn allemaal vragen waarop ik geen pasklaar antwoord heb. Eerder schreef ik al dat bij een antwoord op dit soort vragen tal van omstandigheden een rol spelen. De context waarin iets wordt gezegd, het medium waarin het wordt geschreven, de rubriek waarin het wordt geschreven, de functie van degene die aanvalt, enz., enz. Als iemand zich in een stuk voelt aangevallen, dan kan hij of zij in de tegenaanval gaan door een stuk terug te schrijven. Hij kan de kritiek ook over zich heen laten gaan én hij kan naar de rechter stappen. Dat zijn de mogelijkheden en daar zal denk ik geen verandering in komen. De polemiek kan een sierlijk steekspel zijn of noeste arbeid met een houweel. Zij kan onduidelijkheden verhelderen of bepaalde politieke uitspraken aan de kaak stellen. Maar het is onmogelijk precies de grens tussen ‘politiek of sociale kritiek’ en ‘belediging, smaad en laster’ bij de polemiek vast te stellen. Dat is maar goed ook, want anders krijg je achttiende-eeuwse toestanden, waarin politieke kritiek of openbaarmaking van feiten die de overheid in een kwaad daglicht stelden, simpelweg gedefinieerd als smaad. Dat was wel zo eenvoudig, maar niet zo democratisch.

Deze tekst verscheen later ook op de opiniepagina joop.nl.

« Oudere berichten Recent Entries »