Stel je voor, je moet iedere dag een nieuwe column schrijven. Dat lijkt me leuk maar aan de andere kant ook erg vervelend. Iedere dag! Stel, je staat op en je denkt “waar zal ik het eens over hebben?”. Volgens mij is op dat moment de column in spe al mislukt. Ik heb de ervaring dat een column min of meer vanzelf ontstaat. Dat iets je opeens te binnenschiet wat je in de vorm van een column naar buiten brengt. Je staat dus op en denkt na waar je het over gaat hebben. De deadline is over 2 uurtjes, dus je hebt nog even tijd. Eerst een lekkere hete douche, dan een sterke espresso, een uitgebreid toiletbezoek en dan zou in ieder geval het onderwerp of het thema van de column bekend moeten zijn. Wat te doen als er geen onderwerp of thema voorhanden is? Gewoon opschrijven wat je gisteravond hebt gegeten en wie je twee dagen geleden in de supermarkt tegenkwam? Er zijn columnisten die inderdaad dit soort grootse gebeurtenissen met de lezer willen delen. Ik vraag me dan altijd af wat ze zelf van zo’n column vinden, die enkel en alleen is geschreven om een lege plek in de krant te voorkomen. Zou de columnist op het matje worden geroepen? Zou hij een waarschuwing krijgen? Of zou hij of zij er gewoon geen geld voor krijgen? Het zijn allemaal vragen die in mij opkomen als ik er aan denk wat ik zal doen, als ik iedere dag een nieuwe column zou moeten schrijven. Natuurlijk kun je ook een verhaaltje als dit op papier zetten. Eerlijk gezegd denk ik niet dat de lezer daar op zit te wachten.
Deze donderdagavond bezocht ik voor de eerste keer in mijn leven een optreden van Herman van Veen. De man is in mijn ogen een kunstenaar in hart en nieren. De eerste liedjes van Herman van Veen leerde ik via mijn vader kennen, die de l.p. Morgenin huis had. Ik herinner me het lied Dit slag volk (Ces Gens la), een prachtige en unieke uitvoering die nog op internet te beluisteren is. Daarnaast kende ik Kinderfiets (in het Duits ‘Kleiner Fratz‘) en natuurlijk de liedjes die grote bekendheid kregen zoals Hilversum 3 en Opzij. Mijn broers hebben kinderen en mensen met kinderen kennen volgens mij nog veel meer liedjes.
Terug naar Berlijn. Het prachtige Admiralspalast was vrijwel helemaal uitverkocht. Alleen helemaal bovenin, waar ik zat, waren nog enkele plaatsen vrij. Hierdoor had ik een halve rij stoelen voor mezelf, dat was wel prettig. Ik had geen idee wat me te wachten stond. Nu zat ik hier niet als recensent en was ook niet van plan iets over de voorstelling te schrijven. Maar goed, het bloed kruipt…Mijn indruk was dat Herman van Veen en zijn uitstekende begeleiding vóór de pauze keurig de geplande nummers ten tonele brachten. Een mooie mix van kleinkunst in zowel de Nederlandse als de Duitse taal. Herman van Veen begon in mijn ogen na de pauze pas echt op gang te komen. De periode voor de pauze was een aangename warming up.
Het publiek had er ook zin in en genoot in volle teugen. Zelf begon ik de show ook steeds mooier en afwisselender te vinden. Na het slotnummer voelde ik dat de zaal meer wilde en Herman van Veen voelde het ook. Hij wilde duidelijk nog niet naar huis. Dat resulteerde in een ongelooflijk aantal toegiften, die volgens mij niet allemaal gepland waren. Na enkele toegiften liep hij van het podium af, gaf handjes aan mensen in de zaal en verdween door een zij-ingang. De show leek nu definitief voorbij. Ik bleef zitten en klapte met de overgebleven groep enthousiastelingen mee. Hoewel een derde deel van de zaal leeg was, vloog het doek weer open. Herman wist van geen ophouden. Hij had het mooiste voor het laatst bewaard.
Een schitterende (Nederlandstalige) uitvoering van Ramses Shaffy’s Laat me ging bij mij door merg en been, daarna volgde het niet minder prachtige Suzanne, de cover van Leonard Cohen. Als fan van Leonard Cohen was dit een leuke, onverwachte verrassing. Ik wist helemaal niet dat hij nummers van Leonard Cohen in zijn repertoire had. “Suzanne” zong hij al in 1967. Zojuist heb ik even gegoogeld om te zien van welke internationale artiesten hij nog meer liedjes zingt. Ik stuitte op een indrukwekkende lijst: Jacques Brel, Charles Aznavour, Jean Ferrat, Marcel Amont, Claude Nougaro, Michel Legrand, Leonard Cohen, Bob Dylan, Ralph McTell, Randy Newman, Margarita Zorbala, Neil Sedaka, Paul McCartney, Haindling, Catherine Lara, Iggy Pop, Hans Hartz,Michel Jonasz, Maurane, Secret Garden, Alain Souchon, Madredeus, Arno.
Herman van Veens uitvoering van Laat me als toegift in Duitsland 2010
Nog een mooi hoogtepunt van de avond vond ik het nummer over Berlijn. De Utrechtse grootmeester van de kleinkunst vertelde dat hij en zijn collega’s maandagavond via de snelweg Berlijn binnen reden. Over de stad hing een lichte nevel. Het gele licht van de straatlantaarns zorgde voor een mooi sfeerbeeld. “Nadat ik die avond ook nog iets te veel had gedronken, schreef ik het volgende lied over Berlijn”, vertelde hij en zong een mooi lied, als ode aan de stad. Tegen 23:00 uur was het optreden dan definitief voorbij. Hij eindigde de avond met een in het Nederlands gezongen kerstlied. Na deze avond wist ik zeker, dat ik in de toekomst nog een keertje een concert bezoek van deze kunstenaar, die echt kan toveren.
Vijftig cent bedraagt de toegang tot de toiletten op perron 2 van het Centraal Station van Amsterdam. Daar krijg je een dikke, nors kijkende man achter glas bij cadeau.
Mijn geldstuk valt in een automaat, een licht springt op groen en de weg is vrij. Ik let goed op de pictogrammen om een vraag aan de norse man – waar is het herentoilet? – te vermijden.
Ah, hangende urinoirs, rechtdoor, dit is het herentoilet. Ik twijfel even tussen een staand en zittend oponthoud. Het is alsof de duivel ermee speelt, maar ik zie geen deur naar een gesloten toilet, hier bevinden zich alleen hangende pisbakken. Ik doe een paar stappen terug, kijk op het pictogram en zie dat ik wel het juiste bordje heb gevolgd. Door de spanning van dit volstrekt onverwachte moment zit er niks anders op dan de norse man aan te spreken die mij al sinds mijn komst in de gaten houdt. Hoe vraag je zoiets beschaafd, denk ik.
‘Mijnheer, ik zie enkel hangende urinoirs. Ik heb de behoefte om te zitten, achter een gesloten deur en dan in alle rust mijn behoefte te doen.’
Nee, te lang.
‘Ik weet niet of ik het verkeerd heb gezien maar het lijkt er op alsof je hier alleen maar mag plassen. Ik heb echter 50 cent betaald, omdat ik mij verheugde om in alle rust op een schoon toilet te kunnen…’
‘Zoekt u iets?’ vraagt de norse man mij op een, hij kan niet anders, norse toon.
‘Ik zoek het toilet, zo eentje met een deur. U weet wel. Die heb ik niet gezien.’
‘Dan moet u dat vragen!’ onderbreekt hij mij nu behoorlijk nors.
Ik ben altijd de beleefdheid zelve maar dit vind ik wel een beetje ver gaan. Het is ook geen leuke Amsterdamse humor. De man spreekt noch Amsterdams, noch heeft hij de intentie leuk te zijn.
‘Sorry,’ verontschuldig ik me voor het niet vragen naar het toilet.
De norse man zucht en duwt de deur van een van de toiletten met deur open. Volgens mij behoren deze toiletten tot de damestoiletten. In ieder geval valt het toilet niet onder de herentoiletten.
‘Die kunt u gebruiken,’ zegt hij zuchtend.
Ik betreed het toilet, sluit de deur en ben blij dat ik van de norse man af ben. Terwijl ik daar zit, hoor ik de norse man nog een paar maal vloeken, over de kankerlijders en dat tuig, dat schorem. Ik mis de context maar het maakt de sfeer er in het toilet niet beter op.
Na gedane zaken loop ik weer naar de hangbakken, omdat ik in deze ruimte mijn handen kan wassen. De norse man spreekt met een collega, met een norse vrouw, die voor mijn bezoek op het perron een sigaretje rookte. Ze zijn het met elkaar eens dat er niet veel deugt. Het wordt allemaal steeds erger en ze hebben er echt genoeg van. De norse man en de norse vrouw hebben elkaar gevonden. Ik hoor nog hoe de man nors aan een nieuwe bezoeker vraagt wat hij hier doet. Op dat moment verlaat ik het openbaar toilet op perron 2 van het centraal station en weet dat ik hier nooit meer terugkeer.