Category Archives: Varia

‘We beleven een ik-inflatie’

httIn de september uitgave van het Duitse maandblad “Psychologie heute” staat een interessant artikel over het gebruik van Facebook en sociale media in het algemeen. De mensheid neigde nog nooit naar bescheidenheid. Dat staat onder de titel “Het ego – volledig dronken van zichzelf”. Ook een bepaalde neiging tot arrogantie en zelfoverschatting is aangeboren, aldus het vervolg van de introductie.

Vervolgens schrijft Silke Pfersdorf waar het artikel over gaat, namelijk dat psychologen klagen dat nog geen enkele generatie zo narcistisch was als de huidige en dat ze de sociale media daarvoor verantwoordelijk houden. “Op internet kan het nieuwe narcisme zich fantastisch uitleven.”

Dit is zo’n artikel wat ik graag helemaal zou willen vertalen en dan op mijn blog zetten. Maar waarom? Om meer ‘likes’ te krijgen, om aandacht te vragen? Als ik het artikel goed vind, dan is dat toch voldoende? Ja en nee, antwoord ik mezelf. Het feit dat door deze bijdrage mijn blog misschien meer bezoekers trekt speelt inderdaad mee. Aan de andere kant publiceer ik dit stuk vooral, omdat ik graag andere mensen erop wil attenderen dat er dergelijke interessante artikelen geschreven worden. Het gaat over een zeer actueel fenomeen waar ik zelf ook onderdeel van uitmaak. De kans is groot dat ik deze bijdrage dan ook op Facebook zet. Maar dat doe ik dan weer niet om dezelfde reden als Lisa, het meisje wat in het begin van het artikel wordt opgevoerd.

Natuurlijk plaatst Lisa alleen beeldschone foto’s van zichzelf, die ze in geval van nood met Photoshop nog wat fraaier maakt.

‘Lisa zit in de metro, in een dure Versace minirok in een pashokje, in gedachten aan het strand. De vrienden van de 22-jarige studente Bedrijfseconomie uit Hamburg weten altijd wat ze uitvoert, waar ze was, waar ze naartoe wil. Ze schrijft als vrouw van de wereld “off to New York” als ze op vakantie gaat, maakt een fotootje van zichzelf, een selfie, van haar onder het zand zittende tenen in een of andere trendy beachclub of eentje met vluchtelingkinderen die ze wat speelgoed cadeau doet. 87 keer de duimen omhoog, 87 likes oogstte ze van haar 542 vrienden voor haar laatste foto. Bovendien een behoorlijk aantal complimenten zoals ‘Je ziet er goed uit!’ of ‘Je bent mijn heldin!’ Natuurlijk plaatst Lisa alleen beeldschone foto’s van zichzelf, die ze in geval van nood met Photoshop nog wat fraaier maakt. En natuurlijk denkt ze er heel goed over na wat ze publiceert. “Doet toch iedereen zo”, zegt Lisa. En natuurlijk heeft ze gelijk.’

Dat was de vertaling van het eerste deel van het artikel. De omvang van het complete stuk is ongeveer acht keer zo groot, dus vat ik het artikel samen. Daarbij pak ik allereerst een citaat van psycholoog Uwe Hasebrink van de universiteit Hamburg. Hij zegt dat alle mensen in hun zelfbewustzijn een beeld van zichzelf maken en daarbij ook afwegen hoe ze door anderen worden waargenomen.

Even verderop lees ik dat het 20 jaar geleden nog uitermate pijnlijk was om jezelf openlijk te bewieroken. “Bij de mensen die dan toch veel publiciteit zochten om op te vallen zeiden we gewoon: mijn God, wat voor een egotripper”, herinnert zich Jan-Hinrik Schmidt in het artikel. Hij is specialist voor digitale interactieve media aan het Hans Bredow instituut. Het jezelf presenteren gebeurde vroeger ook door mensen die jaarlijks rond kerst in een brief aan hun vrienden en kennissen enthousiast berichtten over hoe goed hun kinderen terecht waren gekomen, over hun nieuwe auto en de verhuizing naar het grotere huis. De ontvangers van de brieven draaiden met hun ogen. “Vandaag de dag is dat normaal, zodat het ons niet meer negatief opvalt”, aldus Schmidt.

‘We leven in een samenleving waarin we zeer actief en nauwkeurig onze inwisselbare identiteit bewerken en moeten presenteren’

Dan gaat het artikel in op de vraag waarom het jezelf presenteren zo snel heeft toegenomen. Schmidt zegt dat hij als advocaat van de duivel kan beweren dat het met de show Wedden dat? (Wetten, dass?)  begon. Tot dan toe onopvallende burgers kwamen met behulp van unieke hobby’s op televisie; podia, die tot dan toe voorbehouden waren aan professionele kunstenaars, waren opeens voor Jan en alleman beschikbaar, aandacht werd een object van verlangen. En wie door bijzonderheden opvalt, die krijgt aandacht. Schmidt: “We leven in een samenleving waarin we zeer actief en nauwkeurig onze inwisselbare identiteit bewerken en moeten presenteren. Vooral jonge mensen in onze op concurrentie georiënteerde maatschappij worden er al vroeg mee geconfronteerd zichzelf te moeten onderscheiden – dat ondersteunt natuurlijk het verlangen om erop te wijzen hoe fantastisch je iets hebt gedaan.”

Hans-Werner Bierhoff, professor sociale psychologie aan de Ruhr-universiteit  in Bochum klaagt erover dat ouders desnoods inspringen om te laten zien hoe uniek hun kinderen zijn. “Veel ouders zijn er vandaag de dag van overtuigd dat hun kinderen hoogbegaafd zijn en door hun bijzondere kwalificaties iets bijzonders zijn. Ook dat is uiteindelijk narcistisch denken: de overschatting van de omvang.”

‘De selfie is een vertwijfelde gil naar aandacht in de stijl van: kijk naar mij!’

Wie bijzonder is bestaat, doet iets en laat sporen achter. Dat is volgens het artikel de logica van de tijd waarin we leven. Voor jongeren wordt het steeds moeilijker zich op internet te onderscheiden en op te vallen. Iedereen plaatst foto’s op Instagram, filmpjes op YouTube of plaatsen hun doen en laten in commentaren, online dagboeken en blogs. De selfie komt ook ter sprake. Volgens psychiater Carole Liebermann uit Beverly Hills is de selfie een metafoor voor een in toenemende mate narcistisch wordende cultuur: “Het is een vertwijfelde gil naar aandacht in de stijl van: kijk naar mij!”

‘We beleven een ik-inflatie’

Hans-Wener Bierhoff spreekt bij het jezelf op internet presenteren van een ‘ik-inflatie’, het zich bezighouden met het ego, op wat voor manier dan ook. Het ego is in een, deze uitdrukking neem ik even letterlijk in het Duits over, omdat hij zo mooi klinkt, ‘ständiger Oktoberfeststimmung‘, licht dronken van zichzelf. Volgens alle narcisme-onderzoekers bestond het in deze mate nog niet eerder. In 1985 vertoonde iedere zevende student narcistische trekjes, in 2006 iedere vierde. Een onderzoek van Jean Twenge laat zien dat jongeren vandaag de dag veel eerder bij de uitdrukking ‘ik ben een belangrijke persoon’ passen dan vroeger.

Het nieuwe narcisme kan zich heerlijk uitleven op internet. “En het grote aanbod versterkt wederom de narcistische tendensen”, aldus Bierhoff. Overdreven zelfbeoordeling, egocentrisch, zelf vleiende vervormingen van de waarheid, nadruk op succes, macht en eigen grootsheid, overdreven manier van zichzelf presenteren, snel gesloten oppervlakkige vriendschappen, het hoort volgens het artikel allemaal tot de narcistische persoonlijkheid.

Veel specialisten zien het internet als kermis van ijdelheid met argusogen aan. Volgens media-onderzoeker Hasebrink zouden de sociale netwerken een normaal spel met ontwikkelingsmogelijkheden kunnen bieden, een vorm van uitproberen, dat met innovatie en creativiteit samengaat. “Maar daarvoor in de plaats oriënteren veel gebruikers zich naar de algemene maatstaven waarvan zij denken dat die zo moeten zijn.” Zijn collega Schmidt zegt dat men achteraf de uniciteit hekelt en daarom gebruik maakt van bepaalde modellen en ensceneringen.

Volgens dr. Tina Ganster wordt er alleen op de Vind ik leuk button geklikt als men er zeker van is dat de ‘vrienden’ in het netwerk dezelfde mening hebben. Dat wees onderzoek uit. Men bekijkt wat goed aankomt en leeft daarnaar. In het alledaagse leven en op internet. Psychologen waarschuwen voor verslaving en voor het gevaar dat men zijn of haar eigen leven alleen nog door de ogen van anderen ziet. Volgens een Oostenrijkse studie over Facebook leggen al veel jongeren meerdere profielen van zichzelf aan waarin ze een op maat gesneden Ik voor kennissen, vrienden, ouders en schoolkameraden presenteren. Wie ben ik – en zo ja: hoeveel?

Het complete Duitstalige artikel staat in de september uitgave van “Psychologie heute” en kan ook via internet (niet gratis) worden gekocht. Klik hier voor het originele artikel  of hier voor de complete uitgave.

Lucebert in Berlijn

"Lucebert (1987)" by Rob Bogaerts / Anefo - Nationaal Archief. Licensed under Creative Commons Attribution-Share Alike 3.0 via Wikimedia Commons - http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Lucebert_(1987).jpg#mediaviewer/Bestand:Lucebert_(1987).jpg

Lucebert (1987)” door Rob Bogaerts / Anefo – Nationaal Archief. Licentie CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons.

Berlin im Gedicht. Zo luidt de titel van een dichtbundel die ik toevallig in een Berlijnse bibliotheek ontdekte. Gedichten over Berlijn, dat is niet alleen leuk om te lezen, soms is het ook een uitdaging een gedicht naar het Nederlands te vertalen en het resultaat bijvoorbeeld op dit blog te zetten.

Eenmaal thuis blader ik door de inhoudsopgave en zie verrast dat Lucebert als enige Nederlandse dichter in het boekwerkje is opgenomen. Hij bevindt zich in het gezelschap van o.a. Bertolt Brecht, Erich Kästner, Joachim Ringelnatz, Kurt Tucholsky en Günter Grass. Wat doet Lucebert hier? Wel, Lucebert verbleef in de winter van 1955 op uitnodiging van Bertolt Brecht een tijdje in Oost-Berlijn.

In het boek Het hart van de zoeker zegt Els Barents hierover: ‘In de winter van 1955/1956 was Lucebert op uitnodiging van Bertolt Brecht in Oost-Berlijn. Uit misnoegen over de situatie daar heeft Lucebert vrijwel niet kunnen werken. Hij heeft er wel gefotografeerd, toen nog met betrekkelijk weinig ervaring. De eerste ontmoeting tussen Brecht en Lucebert vond plaats in 1955 in Le Chaf quipelote op de Zeedijk in Amsterdam en was tot stand gekomen door Gerda Goedhart, die zelf als fotografe aan het theater van Brecht verbonden was.’

Bovenstaande informatie heb ik gevonden in een artikel van het voormalige Balkan Bulletin (BB), geschreven door BB-redacteur Ton Delemarre. Onderaan zet ik een link naar het betreffende document, waarin ik nog veel meer over Lucebert en zijn ervaringen in het voormalige Oost-Berlijn las. In de Nederlandse, communistische krant De Waarheid verscheen op 24 maart 1956 bijvoorbeeld een artikel met de kop Lucebert terug na vijf maanden in de DDR. In deze krant komt Lucebert veel positiever over dan in het stuk dat drie weken later in de Telegraaf verschijnt. ‘Lucebert kon gaan en staan waar hij wilde. Hij fotografeerde veel. Hij schreef weinig maar dat komt nog. Hij tekende veel. Hij verkocht werk. Er wordt nog een boekje van zijn tekeningen uitgegeven’, aldus het artikel in De Waarheid

Nu de Telegraaf. Hier laat Lucebert zich aanmerkelijk minder positief over de DDR uit. De Oost-Duitse regering gaf hem een stipendium voor twee jaar maar na een half jaar keerde Lucebert alweer terug. ‘Er wonen Duitsers, die bitter weinig van de oorlog geleerd hebben: nou ja, ze hebben die oorlog dan verloren, maar ze zijn nog wel het grootste en het beste volk en Hitler was misschien wel een slechte kerel maar de joden waren ook niet zo best’, aldus Lucebert in de Telegraaf.

In de winter van 1955 werd Lucebert gearresteerd toen hij de ruïnes van Berlijn fotografeerde. Ik citeer uit het BB- artikel: “Ik heb een middag en een avond in de cel van de Sicherheitsdienst gezeten, verdacht van spionage. Uiteindelijk lieten ze me gaan omdat ik Meisterschüler van Brecht was en kon zeggen dat ik als amateurfotograaf die sneeuw op de ruïnes zo fotogeniek vond. Het gekke is, ik werd gearresteerd door gewone arbeiders, die hadden niets uitstaande met de Volksarmee. Ze betrapten me op fotograferen en namen me mee naar de portiersloge van het fabrieksterrein: dat gebeurde ’s ochtends. Ik heb daar uren gezeten, daarna ook nog op het politiebureau, tot er uiteindelijk een meneer kwam met zo’n slappe hoed, een loden jas aan en een zwart tasje onder zijn arm, die mij meenam naar het hoofdkwartier van de Oost-Duitse Sicherheitsdienst, om mij daar te verhoren. Ik heb dat halve jaar praktisch niets gedaan, geen tekeningen, niets, alleen gefotografeerd en verder wat geschreven aan de Spaanse Brabander, maar dat vier scènes.

Ik heb me in die tijd erg ongelukkig gevoeld. Bij die ondervraging zei ik uit te willen beelden wat Hitler het Duitse volk had nagelaten, maar dat was zelfs voor communistische geheime agenten een onbegrijpelijk uitspraak. We hadden daar een huis, geld en alle faciliteiten. Het was winter, we kregen Intelligenz Kohlen, Intelligenz Butter und Fleisch, wat inhield dat ik meer bonnen kreeg dan de gewone mensen. Zo werd het duidelijk dat ik tot de nieuwe klasse behoorde – elitevorming – je zit dan in een huis met buren beneden en boven en kolen in de kelder voor de verschillende eigenaars, in compartimenten die met houten stijlen waren afgeschot. De andere bewoners hadden een stapeltje briketten, maar wij hadden zó’n stapel. Brecht wist van dit alles niets.”

Voordat ik de link naar het buitengewoon informatieve artikel van Ton Delemarre zet, waaraan ik vrijwel alle bovenstaande informatie heb ontleend, kom ik nog even terug op het boekje Berlin im Gedicht, de aanleiding van deze bijdrage. Die dichtbundel bevat het Duitstalige gedicht Gross-Berlin 1956 van Lucebert. Dat is de vertaling van het gedicht dat in Luceberts bundel Amulet verscheen. Om een indruk te krijgen van dit gedicht zet ik hieronder het eerste stuk van de Nederlandse versie, gevolgd door het eerste stuk van de versie uit Berlin im Gedicht. Om helemaal volledig te zijn; de Duitse versie is weer afkomstig uit de in 1981 bij uitgeverij Suhrkamp verschenen bundel Die Silbenuhr.

gross- berlin 1956

in deze hondse stad vol
hondentrouw en hondenminnaars
elke trouwe hond zijn eigen
gewetenloze hondsvot
rust ik niet deze
steedse steppe deze historische bron
van dolle verdorring is in rust
nog een oordeel

mij is deze woestijn
zojuist gekauwde kruimels hoop
op groot vruchtbaar brood
een gruwel
[…]

Gross-Berlin 1956

in dieser hundestadt voll
hundetreue und hundeliebhaber
jeder treue hund sein eigner
gewissenloser hundsfott
finde ichkeine ruhe diese
städtische steppe diese historische quelle
toller dürre ist in der stille
noch ein urteil

En dan nu de eerder genoemde link:
Het Hart van de Zoeker (PDF-78KB)

Tot slot nog een tweede link naar een pagina van de Koninklijke Bibliotheek waarop ik las dat Lucebert tot juli 1956 in Berlijn verbleef en er nauwelijks inkomsten had. Zijn geldzorgen werden ook na terugkomst niet opgelost:
link naar de Koninklijke Bibliotheek

Video Letterkundig Museum
Lucebert (1924-1994) | Bergen, Nederland De dichter, schilder en fotograaf Lucebertus Swaanswijk haalt in 1954 als keizer verkleed de Poezieprijs van Amsterdam op. Schrijft voor de Zangeres zonder Naam het nummer ‘De soldatenmoeder’.

‘Een literaire sensatie’

Erwin Strittmatter (1992). Bron Wikipedia via www..foto-prust.de

Erwin Strittmatter (1992). Bron Wikipedia via http://www..foto-prust.de

De dagboekaantekeningen uit de laatste 20 levensjaren van Erwin Strittmatter zijn een literaire sensatie. Zo luidt de eerste zin van een artikel dat gisteren in de Märkische Allgemeine (MAZ) verscheen. De kop ‘Een literaire sensatie’ trok mijn aandacht.

Eerst naar Wikipedia surfen om te zien wie Erwin Strittmatter (14/08/1912 – 31/12/1994) eigenlijk is. De man was een Sorbisch-Duitse schrijver die in het Duits schreef. In de DDR behoorde hij tot de bekendste schrijvers. De Sorben zijn een West-Slavisch minderheidsvolk in het oosten van Duitsland in de deelstaat Saksen en Brandenburg. Ze leven in een gebied dat 80 kilometer ten zuidoosten van Berlijn ligt.

Na de bovenstaande Wikipedia-alinea ter introductie is het tijd het artikel verder onder de loep te nemen. Waarom gaf de redactie van de MAZ het stuk de titel ‘Literaire sensatie’ mee? Die vraag zou ik graag beantwoord willen zien. Allereerst lees ik dat de dagboekaantekeningen betrekking hebben op de innerlijke vrijheid van een persoon die zich tot het einde van de DDR-tijd naar buiten toe uitgaf als partijaanhanger van de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED). De aantekeningen vormen volgens het artikel echter ook een diep aangrijpend document, omdat hier een woordvoerder schrijft wat hij dacht maar wat hij tijdens de dictatuur niet durfde te zeggen.

Erwin Strittmatter woonde in een bescheiden huis in het merenlandschap van Mark Brandenburg. Tijdens eenzame dialogen wisselde hij van gedachten over moeilijke thema’s die hij als politiek correcte identificatiefiguur in het openbaar onverzettelijk uit de weg ging. Volgens het artikel zou in een vrij land iedere journalist precies deze vragen hebben gesteld, die hij met de hand geschreven in 249 schriftjes (A-6 formaat) zelf beantwoordde. Over de mate van ideologische verblinding, die zijn werken tot in de late jaren zestig als agitator, schrijver en functionaris bepaalde, was hij bij nader inzien zelf geschokt. Uitgeefster Almut Giesecke leverde de teksten en de talrijke opmerkingen met informatie en achtergronden.

Om deze ‘literaire sensatie’ te kunnen lezen is enige kennis over de DDR onontbeerlijk. Het is bijvoorbeeld niet toevallig dat juist de Märkische Zeitung veel aandacht aan de dagboekaantekeningen besteedt. Immers, de MAZ is ontstaan uit de Märkische Volksstimme, een krant die fungeerde als SED-orgaan van het district Potsdam. Pas in 1989, na de val van de muur, werd de krant steeds onafhankelijker van de SED. Daarom geef ik in deze bijdrage zo nu en dan een noodzakelijke toelichting.

Bijvoorbeeld bij de West-Duitse dichter en zanger Wolf Biermann, die ook in het artikel ten tonele wordt gevoerd. Hij verhuisde in 1953 vanuit Hamburg naar de DDR en richtte zich zeven jaar later in zijn optredens meer en meer tegen de partijdictatuur. In 1976 werd Biermann uiteindelijk uit de DDR verbannen. En nu pak ik het artikel weer op, waarin staat dat na die verbanning van Wolf Biermann, die door Strittmatter een ‘domme schreeuwlelijk’ werd genoemd, veel DDR-kunstenaars hun kritiek naar buiten brachten. Ze namen daarbij de consequenties op de koop toe.

Strittmatter bracht zijn breuk met de DDR niet in het openbaar naar buiten. Zijn terughoudendheid legde hij uit als wijsheid en discipline. Daarbij beriep hij zich op mystici, Hermann Hesse en het taoïsme maar gaf hij ook aan dat hij persoonlijke nadelen vreesde. Hij meende dat hij op die manier zijn eigen ‘werk’ moest dienen. De politiek actieve samenleving, zo verachtelijk hij deze ook vond, hoopte hij met zijn autobiografische proza ‘te poëtiseren’. Zijn uitgesproken voorliefde voor meren, jaargetijden, vogels en de vergankelijkheid van de natuur diende voor hem als een bron waar hij veel kracht uit putte.

Strittmatter ligt in 1975 min of meer met zichzelf overhoop vanwege het feit dat hij zich na de Tweede Wereldoorlog ‘uit boetvaardigheid’ door de ideologie van het communisme liet meenemen. Dat kostte hem dertig waardevolle jaren. Het liefste wil hij uit de SED, die hij vaak alleen ‘de sekte’ noemt, stappen. Die stap waagde hij pas in 1990, als de partij geen staatspartij meer is.

Dat Strittmatter vóór 1945 als politie-opperwachtmeester bij een onder de SS vallend politieregiment een andere ideologie diende en tot politie-opperwachtmeester werd gepromoveerd, daartegen weert hij zich in zijn dagboeken niet. Of en hoe hij hierover schrijft, dat doet de redacteur van het artikel niet uit de doeken. Wel vermeldt hij dat in 2008, 14 jaar na zijn dood, een verhitte discussie ontstond over in hoeverre de romancier zelf bij oorlogshandelingen betrokken was en of hij zijn kennis over concrete moordpartijen onder de bevolking, die hij gehad moet hebben, niet in de doofpot had  gestopt en verdrongen had.

Had Strittmatter zich echter kritisch tegen de SED-leiding opgesteld, dan zou zijn gedocumenteerde carrière vóór 1945 wellicht propagandistisch zijn misbruikt. Zou hij daarom zich naar buiten toe altijd hebben aangepast? Dat is een interessante vraag die de lezer hier krijgt voorgeschoteld.

Op 27 november bezoekt de populaire schrijver het Deutsche Theater in Berlijn waar het stuk ‘Das Schitzbad’ van Vladimir Majekowski wordt opgevoerd. Hier dringt zich een persoonlijke herinnering bij Strittmatter op: “Het stuk speelde rond 1960 al op de Volksbühne. Destijds was ik secretaris bij het verband voor schrijvers. Ik achtte het stuk politiek gezien voor gevaarlijk en verliet voor het slotapplaus mijn loge. In een andere loge zat Lotte Ulbricht. Ze volgde mijn voorbeeld. In de foyer sprak ze mij aan. Ze wilde weten wat ik van het stuk vond.  ‘Het richt zich tegen ons’, zei ik.” Nu, bijna 20 jaar later, argumenteert Strittmatter als een dissident. Hij geloofde niet in het kunnen wegwerken van zwakke punten binnen het socialisme, spreekt over inherent “ingekankerd kwaad dat tot de ondergang van de maatschappelijke vreugde leidt, dat zich marxisme noemt.”

Eind jaren zeventig rondde Strittmatter vol trots het laatste deel van zijn “Wundertäter”-trilogie af. “De roman is afgegeven, maar ik loop rond als een moordenaar die bang is dat men zijn daad snel zal ontdekken”, meldt hij op 4 april 1978. Er volgen nog angstige maanden voordat de lectoren, adviseurs en functionarissen de omwerking van precaire tekstfragmenten hebben afgerond en er vanaf de hoogste kaders toestemming tot drukken wordt gegeven.

“Alle partijvrienden die het gevoel voor recht en rechtvaardigheid niet hebben verloren zullen de roman begroeten”, hoopt Strittmatter. Waarschijnlijk had hij bij het schrijven vooral zijn partijgenoten op het oog – Stalinisten en leden van de geheime dienst alsook de mensen die het goed voorhadden en het zwaar teleurgestelde deel. De bevolking die zich op relatief grote afstand van de partij bevond en onder de slechte verzorging leed, die van een beter leven in het westen droomde en ontevreden was over de muur, die komt in het dagboek nauwelijks voor.

Volgens het artikel putte Strittmatter ook uit het aantreden van Michail Gorbatsjov in 1985 geen hoop. Dat lag ook aan zijn politiek nogal dogmatisch ingestelde vrouw, de dichteres Eva Strittmatter, die in de Sovjet-Russische perestrojka-politiek Amerikaanse doelen vervuld zag worden. Het echtpaar is het met elkaar eens de westelijke democratie als politiek alternatief af te wijzen. De 18 jaar oudere Erwin Strittmatter beriep zich daarbij op zijn levenservaring. Hij noemde het “mijn (bijna aangeboren te noemen) afwijzing van het kapitalisme, dat mij in zijn machtsperiode niet als mens gelden liet.”

In het artikel lees ik dat de lezers in de DDR in zijn boeken vooral troost en oriëntatie zochten. De ellendige kloof tussen het gepropageerde maatschappij-ideaal en de werkelijkheid moest men immers dagelijks doorstaan. Zou men het wagen eerlijk zijn mening te zeggen of vasthouden aan de ingestudeerde huichelarij? Strittmatter pleitte ook in de kleine familiekring nooit voor civil courage. Ooit adviseerde hij één van zijn zonen in een huiswerkopgave een dogmatische toon aan te slaan om zo te kunnen slagen voor het het vak Marxisme/Leninisme en zijn toneelstudie. Hijzelf bewees immers ook moed als hij bij conferenties van de SED moest aanzitten en tegen zijn wil moest applaudisseren. Of dat er weer eens een vervelend uitreiking van een orde van verdienste ophanden was. Dat aan die vaderlandse orden van verdienste ook geld, een hoog aantal herdrukken en privileges hingen, dat legde hij de lezer van de 21e eeuw, met wie hij steeds rekening hield, niet uit. Maar een onbeholpen uitroep van zijn eigen wroeging werd op 5 december 1989 duidelijk merkbaar: “Hoe kan ik, die er rekening mee moet houden dat hij bespioneerd wordt, omdat ik mij door de nu afbladderende staatsleiding liet eren, helpen?’

Na de val van de muur twijfelde Strittmatter waarschijnlijk of hij niet als politieke draaikont neergezet zou worden. Op het gebied van politieke uitspraken hield hij zich op de achtergrond. Hij vertrouwde op de lange adem van zijn dagboeken, die nu 20 jaar na zijn dood vertellen dat hij de verkiezingen in de DDR altijd al als farce zag. Ook de arbeidersopstand van 17 juni 1953 zag hij als belangrijk keerpunt. Hij sympathiseerde vooral met de stakersbeweging in Polen. Zijn dagboekaantekening hierover op 5 september 1980 eindigt abrupt: Mijn ruggengraat onveranderd pijn.”

De persoonlijke aantekeningen van Erwin Strittmatter in de laatste 20 jaar van zijn leven geven een kijkje in zijn bestaan achter de coulissen. Daarom zijn ze waardevoller dan zijn proza, dat met het idee van socialistisch realisme was besmet, aldus redacteur Karim Saab in de Märkische Allgemeine van 18 augustus 2024.

Tot slot is mijn vraag waarom de redactie van de MAZ  het stuk de titel ‘Literaire sensatie’ meegaf ook beantwoord. Het boek is vooral voor de mensen uit de voormalige DDR een literaire sensatie. En de MAZ verschijnt nu eenmaal in het voormalige Oost-Duitsland. Toch hebben de “voormalige West-Duitse” media het nieuws ook opgepakt. Focus schrijft vandaag bijvoorbeeld dat Bertold Brecht op 17 juni 1953, direct na de arbeidersopstand in de DDR, spontaan tot de SED wilde toetreden. Dat staat ook in de dagboeken van Erwin Strittmatter.

In Focus lees ik overigens ook dat het zojuist verschenen en beschreven boek ‘Der Zustand meiner Welt: Aus den Tagebüchern 1974-1994‘ het tweede en laatste deel is van de dagboeken van Strittmatter. Twee jaar eerder kwam het eerste deel ‘Nachrichten aus meinem Leben: Aus den Tagebüchern 1954-1973‘ al op de markt. De MAZ gaat er misschien gemakshalve vanuit dat de lezer dit weet. Of de redacteur was het gewoon vergeten te vermelden. Dat kan natuurlijk ook, want zoiets dergelijks overkwam mij zojuist ook..bijna.

Bron: Die letzten Tagebücher von Erwin Strittmatter _ Eine literarische Sensation

Erwin Strittmatter. Der Zustand meiner Welt. Aus den Tagebüchern 1974–1994. Aufbau, 628 Seiten, 24,95 Euro

« Oudere berichten Recent Entries »