Category Archives: Varia

De herontdekking van Adelheid Duvanel

Adelheid Duvanel (1936 – 1996) Foto: Limmat Verlag

Ze geldt als een belangrijke literaire stem van Zwitserland in de 20e eeuw, ze wordt in één adem genoemd met Robert Walser en Franz Kafka en toch is ze nauwelijks bekend. Eén boekje van haar werd in de jaren 80 naar het Nederlands vertaald, maar dat is alleen nog antiquarisch verkrijgbaar. In Duitsland en Zwitserland staat ze nu in de publiciteit, omdat in mei 2021 haar verzamelde werk Fern von hier verscheen. De hoogste tijd om Adelheid Duvanel (1936-1996) en haar werk onder de loep te nemen.

FERN VON HIER
De 25e sterfdag in 2021 is de aanleiding tot het uitgeven van Fern von hier. Voor het eerst verschijnen alle in tijdschriften, kranten en anthologieën gepubliceerde verhalen van Adelheid Duvanel in één boek. Achttien teksten uit de Basler Nachrichten zijn niet eerder in een verhalenbundel verschenen en worden in Fern vor hier voor de eerste keer in boekvorm opgenomen. Het voorbereidende werk was in handen van prof. dr. Elsbeth Dangel Pelloquin, emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Bazel (Duitse Taal- en Literatuurwetenschap). In samenwerking met de uitgeverij zocht zij alle teksten bij elkaar. In het boek is tevens een essay opgenomen van de Duitse schrijfster Friederike Kretzen. Die tekst verscheen onder de titel Poste Restante in het Oostenrijkse literaire tijdschrift VOLLTEXT.

Kretzen begint haar essay met een anekdote. Adelheid Duvanel zit op een bank, omgeven door andere schrijvers uit Bazel in de salon van Martin Roda Becher. Het moet midden jaren tachtig zijn geweest, schrijft Kretzen. ‘Ik was nieuw bij de groep en kende slechts een paar mensen. We lazen elkaar teksten voor waar we aan werkten, spraken erover en dronken wijn.’

Ze beschrijft dat op een gegeven moment Duvanel aan de beurt was en dat ze in één stuk door voorlas over een vrouw die met zigzaggende bewegingen op blote voeten haar huis verlaat, in de trein stapt waar ze zich later in het toilet opsluit, haar handen onder stromend water inzeept, haar vier ringen van haar vingers schuift om ze in haar portemonnee te stoppen en deze in het toilet te werpen. Dat was het moment waarop Friederike Kretzen haar stoel vastgreep: ‘Ik staarde naar de anderen. Had de grond niet gebeefd, de aarde gesproken? Was daar in de trein met de vrouw en haar ringen niet iets gebeurd wat het onmogelijk maakte om verder te leven zoals tot nu toe? De aanwezigen lieten niets merken. Duvanel had haar tekst voorgelezen, zweeg weer en zat stil op haar plek. Er klonken een paar lovende woorden. Geen woord over het gevaar waarin de vrouw in de trein zich bevond. Hoe zou ze daar ooit weer uitkomen? Uit het moment in het treintoilet waarin de vrouw zich losmaakte van haar leven?’

Sindsdien ben ik een gevangene van Duvanels teksten, vervolgt Kretzen. Volgens haar houdt zich daarin iets op wat weerstand biedt aan ieder gevaar: ‘Bij alle verschrikkingen, de verlatenheden waarmee haar personages leven, houden ze dapper aan zichzelf vast, wat ze met een volledigheid uitrust waar wij alleen maar van kunnen dromen.’

In mei 1996 kon Friederike Kretzen Duvanel uitnodigen voor de “Solothurner Literaturtage”. Hierover schrijft ze het volgende:

‘Ze kwam, ze las, boeide haar publiek en als het ernaar uitzag dat het bijna niet meer zou gaan regenen, keek ze naar boven, maakte een kleine pauze en zei dat ze nog twee gedichten leest: “luister en wees niet bang. Want jullie zijn niet waaruit mijn teksten zijn gemaakt; ze bestaan uit woorden, namen, wolken, bomen, uit hemel, aarde, zon, maan. Ze kunnen aan alles voldoen en aan alles weerstand bieden”.

Het bleek haar laatste lezing te zijn. Kort na haar dood verscheen ze weer in mijn droom met de ringen. Dit keer waren het mijn ringen. Drie in één gevat die niet uit elkaar te krijgen waren. Ik liet haar de ring zien, ze nam hem in de hand, bewoog hem een beetje en in korte tijd was hij in drie ringen gedemonteerd. Ik staarde haar aan zoals ik haar bij onze eerste ontmoeting aangestaard moet hebben en zei: wat, zoiets kun jij?’

ANNA EN IK

Anne en ik (1987) is alleen nog tweedehands verkrijgbaar.


Onder de in het verzameld werk opgenomen verhalenbundels bevindt zich Anna und ich (1985). Dit boek werd door literair vertaalster Ria van Hengel naar het Nederlands vertaald en verscheen in 1987 onder de titel Anna en ik bij uitgeverij An Dekker. Dit enige Nederlandstalige werk van Adelheid Duvanel is alleen nog tweedehands verkrijgbaar.
Vóór de Nederlandse vertaling verscheen, schreef Hans Ester in 1986 in Trouw al een lovende recensie over Anna und ich: ‘Ik heb deze bundel in een ruk uitgelezen. Op subtiele wijze lokt Adelheid Duvanel je haar verhalen binnen. Om op tweeënhalve bladzijde zulke intens trieste levensgeschiedenissen als Regula, das Kind en Das Foto te kunnen weergeven, daarvoor is verteltalent nodig. Met de vraag wat Adelheid Duvanel in mijn leven ontmaskert en wat juist als echt en waar uit de strijd naar voren komt, ben ik nog lang niet klaar.’

Op 24 april 1987 roemt Paul Luttikhuis in het cultureel supplement van NRC Handelblad Anna en ik. Hij noemt het “de kracht van Duvanel dat zij uit een verzameling op het eerste gezicht losse opmerkingen prachtige verhalen weet te componeren.” Een paar dagen later verschijnt onder de titel “Trieste schetsen van Duvanel” een korte bijdrage over Anne en ik in De Waarheid . De kunstredactie bestempelt de teksten als “vervreemde en verstikkende verhalen”.

De verhalen van Duvanel kun je vervreemd en verstikkend noemen. Zelf vind ik ze vooral poëtisch en surrealistisch. En ze zijn allemaal erg kort, dat staat buiten kijf. Ze beslaan gemiddeld twee tot drie pagina’s. De Zwitserse literatuurwetenschapper Thomas Strässle legt in een Zwitsers boekenprogramma uit waarom dit zo is: ‘Ze heeft lange tijd in kranten gepubliceerd, in de Basler Nachrichten. Daar was de ruimte beperkt, dus schreef ze in het begin zeer korte verhalen die dan ook in bundels verschenen.’ Hij noemt de verhalen een “schat van de Zwitserse literatuur” en vindt het een grootse daad van de uitgeverij om het verzamelde werk uit te brengen.

In het Zwitserse boekenprogramma “Literaturclub” van 29 juni 2021 wordt het werk van Adelheid Duvanel uitgebreid besproken: klik op de onderstaande foto om die uitzending te bekijken.

In de verhalen herken je vaak paralellen met haar eigen leven, maar Strässle zegt dat dit te makkelijk is: ‘Bij een suïcidaal moment denk je dan meteen dat er wordt gezinspeeld op hoe ze is gestorven in een koude julinacht. Dat had waarschijnlijk een suïcidale achtergrond maar dat weet men niet precies.’

In het verhaal Ein Mord kun je een vergelijking bijna niet uit de weg gaan als je de verhouding tussen de schrijfster en haar man kent. Volgens de Zwitserse Programmzeitung verbood hij haar te schilderen, vernederde hij haar en vernietigde hij later veel van haar schilderijen. In Ein Mord gaat het over een dichter en zijn vriendin, het meisje genoemd. De dichter heeft al werk gepubliceerd. Dan “vliegen plotseling het meisje gedichten toe, die eigenlijk de dichter zouden moeten toevliegen. Ze schrijft ze op, omdat ze bang is ze te verliezen, maar ze laat ze aan niemand zien” […] “Het meisje stuurt de gedichten naar een uitgeverij; een dun boekje wordt gedrukt. Het meisje is verbaasd. In haar enorme vreugde laat ze het boek aan haar vriend zien; hij gooit het meisje op het bed en wurgt haar met zijn handen die kleiner zijn dan de handen van het meisje.”

De schrijver en journalist Felix Feigenwinter is de broer van Adelheid Duvanel. Hij schrijft op zijn blog dat de veronderstelling van een traumatische ervaring in verband met seksueel misbruik, mogelijk al in een vroegere fase van Adelheids jeugd, bij gebrek aan bekende concrete feiten in het rijk der speculaties blijft, maar volgens hem is het niet vergezocht. De gevolgen van seksuele uitbuiting worden door de schrijfster bijvoorbeeld in Een tweede ik zeer indrukwekkend beschreven. In dit verhaal, dat ook in het Nederlands in Anne en ik staat afgedrukt, wordt een meisje met de naam Margrit door een vreemde man, die Margrit als “saai” ervaart, naar zijn huis gelokt en door de man seksueel misbruikt. Het verhaal eindigt als volgt: “ ’s Zondags gaat ze met de andere kinderen ter communie; achteraf schiet de gedachte door haar heen dat ze nu door God is verdoemd; alleen de paus zou haar kunnen vergeven. Haar ik staat als een uitgeblazen kaars in het donker. Ze moet een tweede ik verzinnen om verder te kunnen leven; een ik dat kan lachen en spelen en huiswerk maken. Op de leeftijd van negentien jaar pleegt Margit zelfmoord.”

In de jaren 60 verkeert Adelheid Feigenwinter regelmatig in muziekcafé Atlantis en leest de Franse existentialisten. Foto: Limmat Verlag

SUCCES
Waarom is Duvanel onbekend gebleven? In het eerder genoemde boekenprogramma heeft Strässle een mogelijke verklaring: ‘Ze schreef in een tijd, in de jaren 60 is ze begonnen, waar de literatuur zeer gepolitiseerd was en een politiek, sociaalkritische pretentie had. Die had zij ook, maar die draagt ze niet uit. Ze schrijft vertellingen, korte teksten, dat is niet iets wat op de boekenmarkt veel aandacht krijgt. De boekenmarkt wil romans, de boekenmarkt wil historische portretten. Ze had wat betreft thema’s, schrijfstijl en ook de tekstsoort zeker niet de mechanismes bediend die ertoe geleid zouden hebben dat ze de aandacht had gekregen die ze verdient.’

De Oostenrijkse schrijver Raoul Schrott denkt dat het te maken kan hebben met de vorm en trekt de vergelijking met Robert Walser bij wie zijn prozagedichten en miniatuurteksten ook niet meteen door het publiek werden aangenomen. Daarnaast vermoedt hij dat de claustrofobische sfeer in Duvanels verhalen ook een reden zou kunnen zijn: ‘Het suïcidale. De blik erachter reageert altijd vanuit een trauma’, aldus Schrott. De Zwitserse schrijfster en LGBTQ-activiste Anna Rosenwasser vraagt zich in het eerder genoemde boekenprogramma af of niet alles anders was gelopen als ze schrijver was geweest in plaats van schrijfster. Strässle beaamt dat de boekenwereld destijds in grote mate door mannen werd gedomineerd.

ZWITSERSE GEHEIME TIP
De schrijfster Ruth Klüger schrijft al in 2005 in het Duitse dagblad Die Welt een recensie over Adelheid Duvanel naar aanleiding van de bloemlezing Beim Hute meiner Mutter, samengesteld door de Zwitserse schrijver en germanist Peter von Matt. De titel van de bijdrage: “Ein Schweizer Geheimtip”. Klüger legt uit dat de meeste personen in Duvanels verhalen aan angsttoestanden lijden die krachtig worden neergezet, maar niet geanalyseerd worden. Aangezien Klüger in dit stuk Duvanels werk goed onder woorden brengt, zet ik hieronder een vertaald fragment.

‘Daar gaat het om een of andere abnormaliteit die in een mens zit, die jij en ik herkennen, ook al komt het vreemd over. Het zijn kleine mensen, opvallend vaak is er sprake van het dagelijkse werk dat in de literaire fictie minder vaak voorkomt dan in het leven. We ontmoeten een glazenwasser, een marktonderzoeker, een muziekcriticus, een gitaarleraar, een verpleegster, meerdere kantoorbedienden en huisvrouwen, een bankbediende, een concertagent, een ambtenaar van het kadaster, zelfs een zakkenroller. Werkloosheid is een uitzonderlijke toestand en wordt in het bijzonder vermeld.

Ze oefenen saaie beroepen uit om in hun levensonderhoud te voorzien, rijden vaak in de tram, die sowieso een grote rol speelt, maar tegelijkertijd hebben ze een onheilspellend gevoelsleven dat zich op de voorgrond dringt. Een vrome weduwe “verdrinkt” een gouden horloge vanwege een slecht geweten, omdat ze jaren geleden een andere man attractiever dan de eigen man vond. Op de weg ziet ze uitgestorven dieren die gouden horloges in de handen houden en merkt op hoe “de rivier over spartelende, zwarte levende wezens kroop en op ze lag, tot ze stikten”. Onder water woont de huivering: “Zouden opeens al die zeldzame levende wezens die in het diepe hun eigenaardige leven leiden aan de oppervlakte geraken, de golven delen, hun ritme verstoren, dan was de zee geestesziek. Zo is het echter gezond.” Een unieke overweging vanuit het perspectief van de schrijfster in een boek waar het wemelt van geestelijke storingen en de oppervlakte zo bekend is als de bus en tram in iedere stad.’

Het verzamelde werk “Fern von hier” telt 251 verhalen. Foto: Limmat Verlag

Klüger schrijft verder dat talrijke toenaderingen mislukken, dat er een groot gat bestaat tussen de geslachten en ook tussen de vrouwen zelf die naar warmte verlangen: ‘Een oudere vrouw slaapt met een stoffen pop op de buik nadat een lesbische partner haar stiekem heeft verlaten. Een andere “voelde God zoals een in slaap vallend kind de pop voelt die naast het bedje ligt”. Een gescheiden vrouw “loopt met stoffen schoenen of dik gevoerde laarzen doelloos in het rond”. De mannen nemen afstand van de vrouwen, of die nu moeders, bruiden of echtgenotes zijn, ook als ze ze eerst hebben gezocht. Bijvoorbeeld Emil. Hij wil trouwen, laat zich door een pater een maagd aanprijzen en wordt na de verloving prompt ziek, een blijvende toestand die hij nooit meer te boven komt. De verloofde trekt bij hem in en verzorgt hem. Punt, afgelopen. Pius rijdt “dagelijks urenlang met de tram om zijn vrouw uit de weg te gaan”.
Een kantoormedewerkster bewaart oude brieven die een aanbidder haar geschreven had, die intussen allang met een ander is getrouwd en geëmigreerd is. Ze vormen haar gehele bezit en de vertelster merkt eerder nuchter dan verdrietig op dat je deze liefdesbrieven noch verzekeren, noch verkopen kan. Een zwangere vrouw die zich afvraagt “of dat vreemde schepsel” in haar buik misschien “een gedrocht met een snavel” is, geeft een vrees weer die aanstaande moeders niet onbekend is, alleen hebben enkele de moed deze uit te spreken. ’

Wat heb ik eigenlijk gelezen, vraagt Ruth Klüger zich af. Die vraag stelde ik mezelf ook na het lezen van twee schetsen. Sommige verhalen zijn als lokale berichten over merkwaardige ongelukken en misdaden, merkt Klüger terecht op: ‘Joggi de glazenwasser “huppelt” dronken het raam uit en blijft zijn leven lang invalide; een moeder springt met een fotoalbum in de hand uit het raam en verongelukt dodelijk; een paar zonder kinderen steelt een kleinkind en bagatelliseert de roof met kinderachtige woordspelletjes. In de vertelmodus lijkt alles vanzelfsprekend en tegelijkertijd geheimzinnig.’

MEDIA
De media in Zwitserland en Duitsland reageren positief op het verzamelde werk. In de Neue Zürcher Zeitung noemt Luke Wilkins Duvanel een clandestiene opvolger van Robert Walser en Franz Kafka: ‘Terwijl Walser als een van de belangrijkste Zwitserse schrijvers uit de eerste helft van de 20e eeuw geldt en Franz Kafka met zijn werk tot profetische diagnosticus van De Modernen opklom, raakte Adelheid Duvanel na haar dood bijna weer in de vergetelheid.’ Daarnaast schrijft hij, dat de gave zich over de duizelingwekkende koorddans van het schrijven – dicht bij de waanzin en totale absurditeit – in het geschrevene en in het niets op te lossen, de verwantschap van Duvanel met Walser typeert. ‘Beiden hadden de gave in het delirium van het schrijven met hun spookbeelden te communiceren en beiden zijn door onderkoeling gestorven, een dood die ze schrijvend al meermaals hadden voorspeld.’

De gerenommeerde recensent Michael Krüger, die tot 2012 het Hanser Verlag in München onder zijn leiding had, windt in DIE ZEIT geen doekjes om zijn mening als hij schrijft dat we hier te maken hebben met ‘één van de grootste vertellende werken van de 20e eeuw’, een citaat dat ook op de achterflap van het boek is terug te vinden. Hij noemt Duvanel de “sterkste advocaat van de zwakken” en schrijft dat niemand eerder zo exclusief over benadeelden, mislukten, uitgestotenen, invaliden, excentrieke zonderlingen, eenzamen, alleen gelaten moeders, drugsverslaafden, pechvogels, uilskuikens, hongerkunstenaars en slaapwandelaars van beide geslachten heeft geschreven.

Een blik in verwonde zielen. Die titel koos Michael Braun van Deutschlandfunk Kultur voor zijn recensie van het boek. Hij vertelt de lezer dat alle van de 215 verhalen op twee tot maximaal zes pagina’s staan afgedrukt en dat de personages regelmatig existentiële schipbreuk leiden. ‘In enkele teksten is deze vorm van parabelachtig, schaars, soms ook surrealistisch vertellen afgestemd op het proza van Franz Kafka.’ Hij sluit zijn bijdrage af met een verwijzing naar het in het boek opgenomen essay Innen und Außen , onderdeel van Der letzte Frühlingstag, de postuum verschenen verhalenbundel die kort na haar dood door haar lector Klaus Siblewski op de markt werd gebracht. In Innen und außen, waarin de lezer veel over het gevoelsleven van de schrijfster te weten komt, schrijft Duvanel dat ze als kind glasschilder wilde worden “om alle nieuwe kerken van ramen als goddelijke ogen te voorzien die zowel naar BUITEN als ook naar BINNEN konden kijken.” Tot slot schrijft Michael Braun treffend: ‘Deze irriterende gave, als met goddelijke ogen in de verwonde zielen van haar personages te kijken en tegelijkertijd met hun de vreemdheid van de buitenwereld waar te nemen, is de grote kunst van deze vertelster.’

BIOGRAFIE
De schrijfster wordt in 1936 in het Zwitserse Pratteln geboren als eerste kind van Elisabeth Feigenwinter-Lichtenbahn uit Bazel en Georg Feigenwinter. Haar moeder is protestant, haar vader streng katholiek. Zo worden de kinderen ook opgevoed. Als kind schrijft en tekent ze al veel. In 1950 woont ze een jaar in het katholieke meisjesinternaat Sacré-Cœur aan de Neuenburgersee. Vervolgens verhuist het gezin naar Liestal. Zowel het internaat als de verhuizing hebben Adelheid diep verwoest. Dat schrijft haar broer Felix Feigenwinter, op zijn blog .
In 1953 volgt een verblijf in een psychiatrische inrichting met behandeling van insuline spuiten en elektroshocks. Ze bezoekt de kunstnijverheidsschool en volgt een opleiding tot textieltekenaar. Het is het begin van haar artistieke werk als schilderes en schrijfster. Onder het pseudoniem Judith Januar verschijnen vanaf 1960 regelmatig verhalen van haar in het Sonntagsblatt van de Basler Nachrichten. Ze verkeert vaak in muziekcafé Atlantis en leest de Franse existentialisten.

Adelheid Duvanel (1936-1996) op begraafplaats “Friedhof am Hörnli”, de grootste begraafplaats van Zwitserland.Foto: Wikimedia

In 1962 trouwt ze met de kunstschilder Joseph Duvanel (1941-1986). De woning van het paar is een ontmoetingsplek voor de bohème scene in Bazel. Ze werkt als kantoorbediende en medewerkester op een enquêtebureau en keert zich af van de schilderkunst, omdat haar man de concurrentie niet duldt. Haar broer Felix beschrijft zijn zwager als een persoonlijke, eerder zachte, gevoelige, ja warmhartige, kunstzinnig georiënteerde buitenstaander met “exotische uitstraling”. Pas na het huwelijk verandert hij in een “egoïstische, heerszuchtige, despotische, ja brutale huistiran.”

In 1968/1969 verblijft ze samen met haar man en hun dochter op Formentera. Joseph laat de twee vrouwen op het eiland achter en keert terug naar Bazel waar een zwangere vriendin op hem wacht. Jarenlang leeft Adelheid in een gemeenschappelijk huishouden met haar man en zijn vriendin. Ondertussen verschijnen haar publicaties in de Basler Nachrichten, in verschillende anthologieën, tijdschriften en sinds 1976 in drie prozabundels.

Na de scheiding in 1981 verblijft ze herhaaldelijk in de psychiatrie en begint weer met schilderen. Talrijke schilderijen bevinden zich vandaag de dag in het Museum im Lagerhaus, St.Gallen, en in het Schweizerischen Literaturarchiv, Bern. In 1981 neemt ze met het verhaal Verfolgung deel aan de vijfde editie van de Ingeborg-Bachmann-Preis voor Duitstalige literatuur, een evenement dat de stad Klagenfurt vijf jaar eerder ter nagedachtenis aan de schrijfster Ingeborg Bachmann in het leven had geroepen. Drie jaar later ontvangt ze de “Kranichsteiner Literaturpreis“. In 1985 wordt bij de aan drugsverslaafde dochter Aids vastgesteld en komt haar kleindochter Blance Adela ter wereld. Een jaar later pleegt de 45-jarige Joseph Duvanel zelfmoord. Adelheid neemt de dochter en het kleinkind tijdelijk op en is daardoor blootgesteld aan drugsellende en afpersing door drugsdealers. Haar dochter sterft in 2005 op Formentera, haar kleindochter en enige erfgename is tot op de dag van vandaag spoorloos verdwenen. In 1987 mag Adelheid Duvanel nog de literatuurprijs van de stad Bazel en in 1995 de “Gastpreis” van het Kanton Bern in ontvangst nemen.

Een jaar later, in de nacht van 7 op 8 juli 1996, sterft ze in een bos nabij de stad Bazel aan onderkoeling. Ze staat onder invloed van slaap- en kalmeringstabletten, medicijnen die haar al vaak hadden geholpen op de momenten dat ze de werkelijkheid niet meer verdroeg. In de Neue Zürcher Zeitung schrijft Manfred Papst dat het wel nooit volkomen duidelijk zal worden of de dood van de 60-jarige, die tijdens de ochtendschemering door een ruiter werd gevonden, in verband met zelfmoord gezien kan worden.

GENIET MET MATE
In haar recensie van de bloemlezing uit 2005 gaf Ruth Klüger een tip waar ik het helemaal mee eens ben. Ze schreef dat het weinig zin heeft het boek van Adelheid Duvanel ‘s avonds in één keer uit te lezen als was het een detectiveverhaal. ‘Het beste lees je één of twee of drie verhalen, leg je het boek opzij en lees je pas verder wanneer je nagedacht hebt. De wereld zal er na het lezen van de verhalen weliswaar niet hoopvoller, maar met minder behoefte aan uitleg uitzien.’

Fern von hier
Uitgeverij: Limmat (link)
3e druk (2 augustus 2021)
Taal: Duits
Aantal pagina’s: 792 pagina’s
Prijs: SFr. 44.–, € 39

TV-première van ‘Nederlandse’ documentaire over Bad Oeynhausen

Op woensdag 13 oktober vindt om 22:45 uur op de Duitse televisiezender WDR de tv-première plaats van de documentaire Autobahn. De NRC noemde deze film van de Nederlandse filmregisseur Daniel Abma vandaag “een prachtige, weemoedige documentaire” en gaf vier van vijf sterren (lees hier). Terecht. “Autobahn” schetst een fraai beeld van de bewoners in het plaatsje Bad Oeynhausen ten tijde van de aanleg van de ringweg. Nederlandse automobilisten op weg naar Berlijn kennen de plek geheid, want hier moesten ze de snelweg verlaten om vervolgens de vele stoplichten op de hoofdweg van dit kuurstadje te trotseren.

‘Ongeveer 17 jaar geleden reed ik met de auto naar Berlijn en stond ik  voor het eerst in de file in Bad Oeynhausen. Ik had het nog nooit gezien en vond het raar, apart en bijzonder hoe alles eruit zag. De snelweg stopt en dan komen opeens heel veel stoplichten. Ik herinner me nog de vele autoshowrooms en benzinepompen, een winkel met erotische spullen en de verkoop van fastfood. Dat zijn zo’n beetje de vier hoofdpijlers in die straat. Maar je zag ook normale huizen, dus er schenen ook mensen te wonen. Een bizarre straat’, vertelt Daniel Abma in een gesprek dat ik kort voor de wereldpremière in Leipzig met hem voerde.

Dat gesprek breng ik vandaag graag nog een keer onder de aandacht via de onderstaande link:

Wereldpremière Daniel Abma’s documentaire Autobahn in Hauptbahnhof Leipzig

WDR
13 oktober
22:45 – 00:10 uur
www1.wdr.de

OP HET EERSTE GEZICHT

Uit “tjeempie! of liesje in luiletterland” van remko kampurt

Deze bijdrage vond ik tijdens het opruimen van oude cd’s en diskettes. Ik herinner me nog dat ik ooit een boekje wilde maken met de eerste vijftig woorden van vijftig schrijvers. Dat idee ontstond in de jaren negentig, het tijdperk waar internet nog in de kinderschoenen stond. Om erachter te komen hoeveel tijd het maken va een dergelijk boekje in beslag zou nemen, begon ik met het opschrijven van de eerste vijf regels van vijf schrijvers. Daar is het bij gebleven.

De eerste vijf regels van vijf boeken van vijf Nederlandse auteurs

1. J. Brouwers

1. Zomervlucht

2. Joris Ockeloen en het wachten

3. Het is niets.

4. Zonder trommels en trompetten.

5. Zonsopgangen boven zee

2. J. Bernlef

1. Paspoort in duplo

2. De naam

3. De drie vrienden

4. Het doel van de reis

5. De verdwijning van Kim Miller

3. R. Campert

1. Liefdesschijnbewegingen.

2.Het leven is verrukkulluk

3. Tjeempie! of Liesje in Luiletterland

4. Na de troonrede 1976

5. Gouden dagen

4. Johnny van Doorn

1. De geest moet waaien

2. Mijn kleine hersentjes

3. Langzame wals.

4. Gevecht tegen het zuur

5. Door deweken heen

5. A. Koolhaas

1. Meneer Tip is de dikste mijnheer

2. Vergeet niet de leeuwen te aaien

3. Er zit geen spek in de val

4. De trechter

5. Een gat in het plafond

JEROEN BROUWERS

Zomervlucht

Tegen de ochtend verscheen zij buiten het raam, in helder zonlicht. Meteen voelde hij zich verkillen van ontroering en aanbidding. Ze stond tegen de achtergrond van een haventje,- met de hand waarmee ze hem wenkte, wees ze naar een bepaald zeilschip, dat gereed lag om af te meren.

   Ga je mee, Reinier?

   Hoewel hij bereid was, ogenblikkelijk alles in de steek te laten om haar te volgen, kon hij zich niet bewegen.

Joris Ockeloen en het wachten

Joris Ockeloen verwerpt het plan om eindelijk op te staan, zijn benen te strekken, met zijn handen op zijn rug wat te gaan lopen, zijn passen te tellen, en uit te maken of de hal inderdaad vierkant is, zoals hij denkt. Wanneer hij zich maar even beweegt kraken de rug- en armleiningen en de zitting van de rieten stoel die hem uren geleden is aangewezen en die hij sindsdien niet heeft durven verlaten. Ieder geluid wordt hem kwalijk genomen. De schrijvende non aan de andere kant van de hal zit daar speciaal om zich over geluiden op te winden.

   De hal ligt diep in de kraamkliniek.

Het is niets

Steeds als het voorkomt, het idee dat het iets betekent wan­neer ik de laatste sigaret uit het pakje aansteek met toeval­lig ook de laatste lucifer uit het doosje.

   Betekent het iets?

   Vandaag kwam het voor dat het zelfs de allerlaatste lucifer in huis bleek te zijn en dat die uitging voordat ik de vlam naar mijn mond had gebracht.

   Zo ja, wat betekent het dan?

Een mond vol ruïnes.

Zonder trommels en trompetten

… te Vossem, in Belgisch Brabant, onder de rook van Brussel en evenzeer onder die van Leuven. In bannelingschap, alleenge­latenheid en afgezonderdheid, terwijl de sfinx mij weer be­spiedt en er wordt geritseld en gekraakt en er ook een zacht maar aanhoudend hoongelach wordt waargenomen. Het regent, o wat regent het; soms dringt de aanhef van een door de wind gezongen lied, dat zwarigheid en drukkende gedachten optoept, tot mij door.

   Kat Carrabas, markies van Vossem en aanpalende heerlijkhe­den, ligt ziekt in zijn mandje en kermt. Wat kan ik voor hem doen?

Zonsopgangen boven zee

Deze Aurora zet de hengseltas vol alcohol en eterij, overvloe­dig voldoende voor de nachten en dagen die nu volgen, op het trottoir tussen haar laarsjes. Ze heeft beide handen nodig om de bekraste en gebladderde voordeur van het slot te krijgen en vervolgens het gewicht van haar hele lichaam om hem open te stoten. Lachend kijkt ze naar me om. Ik maak een geheugenfoto van haar, om later, wanneer ik maar wil, als ik misschien aan haar terugdenk– Ze zegt iets, of roept iets, dat ik niet versta.

J. BERNLEF

Paspoort in duplo

Lex Oudshoortn keek door de ramen van de hotelkamer naar buiten. Achter zijn vrouw, die met lange vlugge spiegelbeeld­vingers hun koffer uitpakte op het brede bed, moest de rivier zijn. Hij blies de laatste rook uit die langzaam over het glas naar boven tastte. Terwijl de sigarettepeuk zijn nagels schro­eide draaide hij zich om.

   ‘Heb jij hier ergens een asbak gezien?’

De naam

Sven Brolin en Elisabeth Hwarfner waren getrouwd, al meer dan twintig jaar, toen het gerucht de ronde deed. Dominee Hjalmar Andersson moest het verspreid hebben. Hij was de enige die het kón weten. De mensen stonden versteld. Iedereen had Sven en zijn vrouw, de kleine dikke Elisabeth, al jaren geaccepteerd in hun dorpje waar zij eenentwintig jaar geleden vanuit het barre Norland naar toe waren gekomen, naar hier: het groene, warme merenland.

De drie vrienden

Zenuwachtig naar buiten turend iedere keer als de trein vaart minderde zag ik tenslotte in een flits het verlichte bord met de naam van het dorpje erop. De trein stopte en ik stapte uit.    Niels had niet te veel veel gezegd toen hij dit een woeste­nij noemde. Voor mij stond een verlicht gebouwtje dat voor de helft als wachtkamer diende en voor de andere helft als bureau voor de stationschef die net naar buiten stapte, toen ik de trein uit kwam, het spiegelei onder zijn arm geklemd, het rechterbeen stijf naar voren zwaaiend. In de wachtkamer zat een oude man met een grote pet op.

Het doel van de reis

De fabriek die het paardebloemen verdelgend middel verkocht heette Johan Johansson AB, een eenvoudige naam waarachter zich een klein maar zeer modern grotendeels uit glas bestaand fabriekscomplex bleek te verbergen. Achter het glas bewogen zich figuren in lange witte jassen door de fabriekshal. Toen ik dichterbij kwam zag ik dat het vrouwenbenen waren.

  Ik had mijn donkerblauwe pak aan. In de broek zat een scher­pe vouw, die had Diana er gisteravond in geperst; mijn zwarte schoenen waren in lang niet gepoetst.

De verdwijning van Kim Miller

7.4.1966

De man en de donkerbruine herdershond stonden naast elkaar in de deuropening. De man droeg een zwarte jekker met een op­staande bontkraag. Zijn handen staken in zijn broekzakken. Hij bewoog zijn tenen in zijn rubberlazen, stampte nu eens met zijn ene dan met zijn andere voet op de drempel. Uit de grijze lucht daalde natte sneeuw.

REMCO CAMPERT

Liefdesschijnbewegingen

Naakt op een hagelwitte slip na, zat de kort tevoren onder een koude douche vandaan gekomen Alexander Trumbauer – we noemen hem Lex – in het open raam van zijn kamer en knipte de nagels van zijn tenen. Hij was een aantrekkelijke jongeman, blond, lichtblauwe ogen, goedgeknipt en goedgebouwd (let op de fraai gevormde sleutelbeenderen), zijn huid bruin tot zover het oog reiken mocht, terwijl zijn gelaatstrekken van het soort uitge­balanceerde lelijkheid waren, dat in de smaak valt. Niet zonder vrees zichzelf pijn te doen, zijn adem inhoudend en op zijn onderlip bijtend, een en al concentratie, knipte hij de nagels van zijn tenen.

  Beneden hem – twee verdiepingen, om precies te zijn – zaten zijn vader en moeder in tamelijk ongemakkelijke witte ijzeren tuinstoelen en genoten, ieder op eigen manier, van de zachte zomeravond. Meneer Trumbauer las het weekblad.

Het leven is vurrukkulluk

‘Het leven is vurrukkulluk’, zei Panda.

‘Jaah’, bademde Mees met een zucht. Hij had Panda teerst gezien en aangesproken en mocht nu het dichtst naast haar lopen. Zo af en toe (sublieme elektrische momenten) raakte zijn hand haar heupwiegende heup. Daartoe moest hij zich enigszins bukken, want hij was lang, zij was klein.

Tjeempie! of Liesje in Luiletterland

<<Zo, en vertel me nu maar eens prussies hoe de vork in de steel zit>>, zei mevrouw van Zuylen tegen haar vijftienjarig dochtertje Elizabeth, in het dagelijks gebruik Liesje genoemd, omdat het anders zo’n mond vol was.

   Een onverwachts warme voorjaarsmorgen in het landelijke Wassenaar. Ze hadden net ontbeten en het was een knusse tra­dietsie dat moeder en dochter daarna altijd even gezellig babbelden.

   Een tradietsie waaraan ze, sedert vader van hen was wegge­nomen, steeds sterker waren gaan hechten.

   <<Tjeempie, mam, gewoon>>, antwoordde Liesje, terwijl ze wellustig genietend haar slanke vingertje aflikte, na het eerst in de boterpot en vervolgens in de sjokoladehagelslag gedoopt te hebben.

Na de troonrede 1976

‘De prins onderhoudt zich nu met de heer De Koster en de heer De Koster is, zoals u weet, oud-minister van defensie…’

  Sander grinnikte goedkeurend – er was enige ironie bespeur­baar geweest in de stem van de televisiecommentator.

  Op hun paasbest uitgedoste dames en heren bewogen zich in schijnbare ordeloosheid over de beeldbuis van Sander’s kleine draagbare toestel dat naast de open haard op een paar jaargan­gen Rolling Stone stond. De haard had nog niet gebrand sinds hij deze modern verbouwde etage betrokken had.

  ‘Het is uit een ander eeuw’, verzuchtte Sander hoofdschud­dend.

Gouden dagen

Reeds lang was ik van plan een paar van mijn herinneringen aan het papier toe te vertrouwen, maar de vele besognes die tot voor kort mijn aandacht vereisten beletten de uitvoering van dit voornemen. Nu ik heb besloten het wat rustiger aan te doen (daartoe niet weinig aangespoord door mijn lieve Monique!) is de tijd aangebroken die belofte aan mezelf in te lossen.

  Laat ik eerslijk zijn: niet alleen de dagelijkse bezigheden weerhielden me, maar er was (en is) ook sprake van een zekere gêne, zowel tegenover de eventuele lezer (mag ik van hem en haar wel verlangen dat ze belangstelling hebben voor mijn lotgevallen) als tegenover de wederwaardigheden zelf, die door mij in woorden omgezet allicht iets van hun glans zouden kunnen verliezen. En niet alleen van hun glans, maar ook van hun waarheidsgehalte, want woorden zijn gebrekkige hulpmidde­len als men zich tot taak heeft gesteld beleefde momenten te doen herleven in eigen oog en zelfs ( o ijdelheid!) in dat van anderen.

  Niettemin zijn woorden de enige werktuigen waarover de memoiresschrijver (hoe onbedreven ook in de nobele kunst van het schrijven) beschikt teneinde het materiaal dat hij put uit zijn op zichzelf vaak al wispelturige en onbetrouwbare geheu­gen de vurig gewenst vorm te geven.

JOHNNY VAN DOORN

De geest moet waaien

Mijn hoofd was tot barstens toe gevuld met gedachten die alle kanten uitgingen. Ik wilde er iets mee doen, maar hoe kon ik ooit meester worden van die chaos?

’t Was de tijd dat ik me begon los te maken van het ouderlijk nest. Het vrije leven lonkte.

Mijn kleine hersentjes

De zwaluwen vlogen hoog boven de tuinen. Daar kon je aan zien dat het ook morgen mooi weer zou zijn. Soms schoot een zwaluw als een pijl uit een boog naar beneden om aan de hongerige kleintjes wat vliegen en mugjes te brengen. Het weekend zat er bijna weer op. De vrouwen zetten hun wastobbes alvast klaar op de achterplaatsjes.

Langzame wals

Ik belde aan. Dingdong…op de eerste etage drukte m’n vader op ’n knopje waardoor elektrisch het slot werd ontgrendeld.

‘Fijn dat ik je weer ’s zie,’ riep hij bovenaan de trap. Hij bedwong een traan door uitvoerig zijn keel te schrapen. Hij was als een vogeltje zo broos geworden, vooral na de dood van zijn vrouw en de zware operatie die hij had ondergaan.

Gevecht tegen het zuur

’t Gebeurde op een novemberochtend. Jaren van gezelligheid (een sluipende gezelligheid met de daarbij horende drankjes) braken me op. Ik schudde mijn katterig hoofd en moeizaam kwam ik tot het inzicht dat ik moest stoppen met dat ritueel. Mijn studie van het caféleven was me uit de hand gelopen.

Rond 1970 begon het.

Door de weken heen

’t Was mijn vrouw weer gelukt. Ze toonde zich ontevreden dat ze een zekere leeftijd had bereikt. ‘Trek je niets aan van de Tijd,’ zei ik. ‘Beschouw hem als een vervelend opdondertje. Voor de tijd, als een lange pier over miljoenen jaren uitge­strekt, kan ik nog ontzag opbrengen, maar niet voor die war­bol, Vadertje Tijd.

ANTON KOOLHAAS

Meneer Tip is de dikste mijnheer

‘Alles kits?’

  Met die vraag begroette het varken Tips des morgens ieder van zijn medevarkens in het hok. Tip was een jong en vrolijk varken en als hij de vraag gesteld had, keek hij de ander van onder zijn wat koddig naar voren gehouden oren vandaan komiek vorsend aan, totdat het antwoord kwam. Hij deed dat zo onweer­staanbaar, dat men hem inderdaad altijd een antwoord gaf en zich onweerstaanbaar, dat men hem inderdaad altijd een ant­woord gaf en zich daarbij zelfs inspande om dit een ook enigs­zins vermakelijk karakter te geven, zodat men bij de rondgang van Tip door het hok dingen hoorde als:

  ‘Kitserdebitsie’; of ‘Heeft u geen last van de vette be­nen?’; of ‘Sabbel je maar door Sabbelland’ en meer van die geestige zinnetjes, want varkens zijn goede verstaanders en hebben aan een half woord genoeg.

Vergeet niet de leeuwen te aaien

Op een dag keerde de leeuw Basra naar een kudde grazende gazellen. Toen wenkte hij met zijn kop naar een jongere leeuw, die naast hem lag.

  ‘Zie je die kudde?’ vroeg hij de jonge leeuw, die Betoel        heette.

  ‘Natuurlijk zie ik die,’ antwoordde Betoel. ‘Al vier dagen en ik heb er al twee op.’

Er zit geen spek in de val

‘En waarom denkt u, dat ik zo dol op u ben?’-de muis Karel keek de kleine muis Bieneke vorsend aan. Bieneke bedacht haastig van alles waarom men dol op haar zou kunnen zijn, maar ze kon het evenzo wel laten, want ze had al haar aandacht nodig om op haar beurt naar Karel te kijken, die zo heerlijk dichtbij haar zat, die zo beschermend was en compleet, die bovendien zo aardig was en die thans op het punt stond iets buitengewoon fijns te zeggen, daar was ze zeker van.

  ‘Nou?’ vroeg ze.

  ‘Nou…?’ zei Karel plagerig, ‘denk je dat jij mij wijs kunt maken, dat je dat zelf niet weet?’

  ‘Omdat je me màg?’ vroeg Bieneke, wier rechteroor trilde van nieuwsgierigheid.

De trechter

‘Koning Thuur,’ vroeg koning Ruuven, ‘hoe gaat gij sterven?’

   ‘Gelijk gij sterven zult, knorrige koning. De poten aaneen­gesnoerd en vol van grote trekkingen. Waarover ik u mijn droefheid betuig, koning Ruuven.’

   Ruuven haalde zeer diep adem en toen blies hij die helemaal uit.

Een gat in het plafond

Wanneer het gat precies in het plafond gekomen was, wist niemand van de mensen die vroeger in het huis gewoond hadden. Toen de makelaar er nog woonde voor wie iedereen in huis zo in angst zat, was het er in ieder geval nog niet, want afgezien van alle moeten die hij in sommige deuren had getrapt, hield hij het huis goed bij. Toen het zo ver met hem was dat hij vrijwel iedere avond dronken thuis kwam, was zijn vrouw wegge­lopen. Later had zij de kinderen toegewezen gekregen, maar niet lang meer, want die waren al bijna aan hun studie toe en ze zochten ook hun moeder niet, naderhand. Toch was zij pas weggelopen, toen hij niet alleen maar bij haar tegen de deur schopte, als hij ’s nachts kwam, maar ook bij de kinderen.

« Oudere berichten Recent Entries »